Onderzoekers van de Heidelberg University, het German Cancer Research Center (DKFZ) en het Heidelberg University Hospital hebben aangetoond dat de ruimtelijke verdeling van immuuncellen in hersenuitzaaiingen van borstkanker samenhangt met de overleving van patiënten.
In een studie onder 156 patiënten analyseerden de onderzoekers het tumorweefsel en de omliggende hersenomgeving met meerdere technieken. Daarbij werd gekeken naar verschillende typen immuuncellen en hun activiteit binnen het zogeheten tumormicroklimaat. Met ruimtelijke analyses werd vastgesteld waar immuuncellen zich bevinden en in hoeverre zij actief zijn tegen tumorcellen.
De studie identificeert verschillende zogenoemde “immuunlandschappen”. Een lage aanwezigheid van actieve immuuncellen rond de uitzaaiing bleek geassocieerd met een slechtere prognose. Daarnaast werden twee patronen gevonden die samenhangen met een gunstiger overleving. Het eerste kenmerkt zich door een hoge aanwezigheid van weefsel-residente geheugen-T-cellen, die snel kunnen reageren op tumorcellen. Het tweede patroon bestaat uit georganiseerde clusters van immuuncellen in het tumorweefsel, vergelijkbaar met kleine lymfeklierstructuren die een immuunreactie ondersteunen.
Laboratoriumexperimenten met patiëntspecifieke celmodellen bevestigden dat deze T-cellen effectief tumorcellen kunnen aanvallen en vernietigen. Ook werd aangetoond dat hun activiteit verder kan worden versterkt met immuuntherapie, zoals checkpointremmers.
Op basis van de bevindingen ontwikkelden de onderzoekers genetische signaturen die deze immuunpatronen kunnen herkennen. Tests met externe datasets lieten zien dat deze signaturen samenhangen met een betere prognose. Volgens de onderzoekers kunnen dergelijke markers in de toekomst helpen bij het selecteren van patiënten die baat hebben bij immunotherapie en bij het vermijden van behandelingen met een lage kans op effect.
De resultaten leveren nieuwe inzichten op in de biologische eigenschappen van hersenuitzaaiingen bij borstkanker en kunnen bijdragen aan meer gerichte en gepersonaliseerde behandelstrategieën. Verdere klinische studies zijn nodig om deze benaderingen te testen.
