umts en gezondheid


logo.jpg (7231 bytes)

Google

Deze pagina is verouderd - ontvang onze nieuwtjes per email


Strijd tegen UMTS


Motie in Heemskerk tegen UMTS masten

Toepassing van het voorzorgsprincipe inzake zendmasten voor mobiele telefonie. In de afgelopen 10 jaar zijn er in Nederland steeds meer zendmasten geplaatst. Er staan nu al ongeveer 10.000 GSM masten en de bedoeling is dat er nog ongeveer 50.000 UMTS zendmasten bijkomen. De gemiddelde Nederlander woont steeds dichter bij een zendmast en deze masten zenden 24 uur per dag een zeer krachtig gepulst signaal uit. Dat is nog nooit eerder in de menselijke geschiedenis voorgekomen. Er komen steeds meer berichten van mensen die gezondheidsklachten wijten aan de zendmast om de hoek. In Duitsland zijn er meer dan 1.000 artsen (Freiburger Appell en Bamburger Appell) en professoren die een direct verband zien tussen blootstelling aan straling en vele ziektebeelden.

Dit wordt bevestigd door een Duitse studie onder bijna 1.000 inwoners van het plaatsje Naila. De Nederlandse gezondheidsraad stelt echter dat er helemaal geen aanwijzingen zijn voor de schadelijkheid van deze straling en de telecombedrijven (providers) verwijzen op hun beurt weer naar de uitspraak van de gezondheidsraad.

http://www.stopumts.nl/pdf/toelichting_motie_heemskerk.pdf

[Tip Marjan Reuvers]


Je zet geen UMTS-mast op het dak van een basisschool

Ouders van kinderen van de Troelstraschool in Amsterdam eisen in een rechtszaak dat een UMTS-zendmast onmiddellijk van het dak wordt gehaald. De gezondheid zou in gevaar zijn. De ouders hebben er genoeg van: pas over drie weken gaat de UMTS-zendmast van het dak van de Troelstraschool in Amsterdam. De ouders, die vrezen voor de gezondheid van hun kinderen, vinden dat veel te laat en spannen een rechtszaak aan tegen het stadsdeel Geuzenveld/Slotermeer.

http://www.stopumts.nl/doc.php/UMTS


Door Tom Grijsen

"We kwamen de hoek om fietsen en waren meteen overtuigd. Meteen gekocht, het was ons droomhuis, op één van de mooiste waddeneilanden van Nederland." Marijke de Jong en Henk Wever hoefden er niet lang over na te denken. Ze kochten het huis en begonnen te verven, de boeken gingen in de kast, ze genoten van hun nieuwe huis en omgeving. Totdat ze na een half jaar plotseling vreemde klachten kregen.

"Ineens had ik een vreemde hoge piep in mijn hoofd, en een drukkend gevoel." Marijke begreep eerst niet wat er aan de hand was. Kort daarna kreeg ook haar partner Henk Wever klachten. "Hoofdpijn, depressie, gepiep in het hoofd, concentratiestoornissen, het gevoel alsof je een helm op je hoofd hebt, vermoeidheid." Ze hadden hun vorige woning in Enkhuizen nog niet verkocht, en het gekke was dat de klachten onmiddellijk verdwenen als ze in hun oude huis waren. Toen vond Marijke op internet een artikel waarin tinitus (oorsuizen) in verband werd gebracht met de straling van UMTS-masten.

UMTS betekent een Universeel Mobiel Telecommunicatie Systeem. Het is de opvolger van de gsm-techniek. Beide zijn systemen waarbij digitale signalen worden verzonden. Via het gsm-netwerk kunnen mensen mobiel bellen, via de UMTS-masten kunnen ze ook beelden en filmpjes verzenden en ontvangen. Ook wordt internet via de mobiele telefoon daarmee goed mogelijk. Op dit moment zijn er zo´n 15.000 gsm-zenders in Nederland, en 2000 UMTS-zenders. Dat moeten er de komende tijd 10.000 worden.
In totaal staan er straks 25.000 zenders, gsm en UMTS, voor een landelijk dekkend netwerk. De overheid heeft vijf jaar geleden de UMTS-frequenties verkocht voor een bedrag van 3 miljard euro, waarbij ze heeft aangegeven zelf mee te werken aan de opbouw van het netwerk.

Bundeling
Met een metertje constateerde Henk Wever dat hun droomhuis in een bundeling van elektromagnetische straling lag. Er zijn waardes af te lezen van 1000 microwatt per vierkante meter. Een normale dichtheid is 10 microwatt per vierkante meter. (volgens het Duitse verbond van Bouw Biologen). Binnen een afstand van 350 meter van het huis van Wever staan twee zendmasten, voor gsm en UMTS. Daarnaast staan er ook zenders op de vuurtoren op het eiland. Het paar was geschrokken. De straling zou de oorzaak kunnen zijn van hun symptomen. "Er is niets anders in de omgeving die de klachten kan veroorzaken", zegt Henk Wever, "voordat we in dit huis kwamen, waren we kerngezond. Er zijn geen andere factoren die een rol kunnen spelen. We zitten hier op een waddeneiland met niets dan prachtige natuur om ons heen."

Volgens hoogleraar Milieukunde Lukas Reijnders is het zeker niet ondenkbaar dat UMTS-straling schadelijk is voor de gezondheid. Uit Zweeds wetenschappelijk onderzoek (Hardell en anderen) bleek bijvoorbeeld dat je na tien jaar bellen met mobiele telefoons en DECT-telefoons (dat zijn draadloze digitale huistelefoons) een grotere kans hebt op goedaardige en ook kwaadaardige tumoren. Uit Engels onderzoek (Preece) blijkt dat gsm-straling een verandering teweegbrengt in het elektronische patroon van de hersenen. En uit onderzoek van TNO blijkt dat mensen die blootgesteld worden aan UMTS-straling zich minder lekker voelen. Dat onderzoek wordt nu overgedaan in Zwitserland, om te controleren of het betrouwbaar is.

Eric Rongen van de Gezondheidsraad zegt dat al deze onderzoeken niet betrouwbaar genoeg zijn om als hard wetenschappelijk bewijs te dienen. De Raad ziet dus geen reden om te zeggen dat gsm- en UMTS-straling ongezond is, maar erkent wel de invloed van straling op het lichaam, los van het opwarmingseffect. Maar of die biologische invloed schadelijk is, is maar de vraag. De Gezondheidsraad vindt de signalen duidelijk genoeg om de overheid te adviseren meer onderzoek te doen. Dat gebeurt tot nu toe nauwelijks.

Aandacht
Henk Wever en Marijke de Jong kwamen voor een belangrijke keus te staan. Ze konden het huis verkopen en snel terug gaan naar hun oude stek in Enkhuizen, of alarm slaan en aandacht vragen voor dit probleem. Ze kozen voor het laatste. Henk Wever organiseerde een Burger Initiatief in Enkhuizen, waar nog weinig UMTS-masten staan. Dat initiatief is een middel waarmee burgers een onderwerp op de politieke agenda van de gemeenteraad kunnen plaatsen. De gemeenteraad nam het voorstel van Henk Wever over en probeert de UMTS-zendmasten waar mogelijk te weren. Er zijn meer gemeenten die dat doen. Op basis van een enquête van de VNG in augustus, blijkt dat ruim dertig gemeenten de nieuwe UMTS-zenders weigeren of de bouw proberen te vertragen.

Bron: Radio Nederland Wereldomroep
Url: http://www2.rnw.nl/rnw/nl/


Reaktie op de Zwitserse UMTS studie (juni 2006)

Het bestuur van de stichting Meldpunten Netwerk Gezondheid en Milieu is verheugd met de lang verwachte publicatie van het Zwitserse 'herhalingsonderzoek' naar de gezondheidseffecten van de elektromagnetische straling afkomstig van UMTS-antennes. De conclusies uit deze publicatie in het wetenschappelijke tijdschrift Environmental Health worden echter naar onze mening door staatssecretaris van Geel verkeerd geïnterpreteerd. Het Zwitserse rapport stelt " No conclusions can be drawn regarding short term-effects of cell phone exposure or the effects of long term base station-like exposure on human health". De conclusie van staatssecretaris van Geel dat nu is aangetoond dat er geen schadelijke effecten zijn gevonden voor de volksgezondheid is op zijn minst voorbarig en wordt zeker niet onderbouwd door dit onderzoek. Het MNGM blijft daarom bij haar standpunt dat de klachten van burgers serieus moeten worden onderzocht en pleit voor een lange termijn onderzoek met een grotere onderzoekspopulatie gebaseerd op een meer realistische blootstelling. Wij bevelen de gemeenten aan zich vooralsnog te houden aan het voorzorgprincipe en terughoudend te blijven met het plaatsingsbeleid.

Namens het MNGM,

Frits Raaphorst Directeur MNGM


Er zijn plannen om een antenne te plaatsen op of vlakbij mijn huis. Heb ik inspraak?

Dat hangt er van af. U kunt op drie manieren invloed uitoefenen als er plannen zijn om een antenne bij u in de buurt te installeren:

* Toestemming
Allereerst moet altijd toestemming gevraagd worden als u eigenaar bent van de grond of het dak. Dat ligt anders als u een huis huurt. Dan moet de verhuurder toestemming geven voor het plaatsen van de antenne. Sinds 15 augustus 2002 zijn antenne-installaties tot vijf meter bouwvergunningvrij en is het convenant dat de rijksoverheid heeft gesloten met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de operators van mobiele communicatie van kracht. Het convenant regelt ook dat u als huurder het recht hebt van instemming.
Als meer dan vijftig procent van de huurders van een woongebouw bezwaar maakt tegen plaatsing van de antenne, dan gaat de plaatsing niet door.

* Bezwaar tegen bouwvergunning en milieuvergunning
Sinds 15 augustus 2002 is geen bouwvergunning meer vereist voor de plaatsing van antennes kleiner dan 5 meter. Voor plaatsing van antennes op monumenten en voor plaatsing van antennes hoger dan 5 meter moet wel een bouwvergunning worden aangevraagd. Is een bouwvergunning wel nodig, dan wordt de aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan. Als het bestemmingsplan geen rekening houdt met plaatsing van antennes dan moet het bestemmingsplan worden aangepast of moet (via een zogeheten artikel 19-procedure) vrijstelling worden verleend.
Voor antennes die gezamenlijk meer vermogen gebruiken dan 4 kW moet ook een milieuvergunning worden aangevraagd. Daarbij wordt rekening gehouden met het totale vermogen dat nodig is om de antenne(s) te laten functioneren. Dus inclusief bijvoorbeeld het eventuele koelvermogen.
Burgers kunnen tegen de verlening van een bouwvergunning of milieuvergunning bezwaar indienen bij de gemeente.

* Inspraak
Inspraak is alleen mogelijk tijdens de procedure van de milieuvergunning, de bouwvergunning of van de wijziging van het bestemmingsplan. De gemeente meldt aanvragen voor een vergunning altijd in een door de gemeente verspreide publicatie. Vaak is dit een huis-aan-huisblad. Wilt u inspraak, dan is het belangrijk om tijdig te reageren. Informeer hiernaar bij uw gemeente.

Bron: Vrom

 


Kamerbrief over het antennebeleid - 31 maart 2005
Brief van minister Brinkhorst van Economische Zaken en staatssecretaris Van Geel van 31 maart 2005 aan de Tweede Kamer. De bewindslieden geven aan geen reden te zien het huidige beleid bij te stellen. Er is volgens hen geen wetenschappelijk bewijs dat aanleiding geeft tot ongerustheid over de eventuele schadelijke gevolgen voor de gezondheid van elektromagnetische velden van mobiele communicatie.

Auteur : Henk Ruyter

Onderwerp Antennes en gezondheid

Op 7 december 2004 hebben wij overleg gevoerd met de vaste commissies voor
Economische Zaken en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over
de onderwerpen antennes en gezondheid en over de evaluatie van het antenneconvenant. In
dit overleg hebben wij u toegezegd u nader te informeren over:

1. de openbaarheid en kwaliteit van het Antenneregister;
2. de Europese inbedding van het onderwerp antennes en gezondheid;
3. de tweede evaluatie van het antenneconvenant, met eventuele suggesties voor een
wettelijke verankering;
4. de verdere afspraken met de private convenantpartijen voor de financiering van
onderzoek;
5. een nadere analyse van aansprakelijkheidsvraagstukken.

Context
Het is ons gebleken dat er sprake is van een toenemende maatschappelijke onrust over de
mogelijke schadelijke gezondheidseffecten van mobiele communicatie. Deze onrust wordt
gevoed door onder meer een aantal actiegroepen en sommige berichtgeving over dit
onderwerp in de regionale en landelijke pers. De regering zou deze problematiek niet serieus
nemen en burgers zouden buitenspel staan bij de plaatsing van antennes.
Wij kunnen u verzekeren dat het onderwerp ‘mobiele communicatie en gezondheid’ de volle
aandacht heeft van de regering. Wij gaan serieus en nuchter om met deze problematiek. Ons
beleid is dan ook primair gebaseerd op wetenschappelijke feiten, waarbij wij ons echter
realiseren dat sommige mensen hun gezondheidsklachten in verband brengen met de
aanwezigheid van antennes of met het gebruik van mobiele telefoons. Tot op heden is geen
oorzakelijk verband gevonden tussen deze klachten en de aanwezigheid van basisstations of
het gebruik van mobiele telefoons. Er kan echter niet worden uitgesloten dat een dergelijk
verband in de toekomst alsnog wordt gevonden. Dit wegen wij mee in de beleidsvorming.
De introductie van nieuwe technologieën moet dan ook samen gaan met het doen uitvoeren
van onderzoek naar mogelijke onbedoelde neveneffecten.

In veel berichten wordt verwezen naar de uitkomsten van het Zwitserse replicatieonderzoek
van COFAM1, die dit najaar worden verwacht. De indruk wordt gewekt dat de resultaten van
dit onderzoek bepalend zijn voor eventuele beleidswijzigingen. Dit is niet terecht. De op dit
moment enige wetenschappelijke conclusie uit COFAM is, dat dit onderzoek aanwijzingen
en vragen heeft opgeleverd over het effect van UMTS signalen op het welbevinden en enkele
cognitieve functies. Om die aanwijzingen te kunnen bevestigen en om de vragen te kunnen
beantwoorden, is nader onderzoek nodig. Enerzijds via replicatieonderzoek en anderzijds via
aanvullend onderzoek, waarmee getracht wordt antwoorden te vinden op de vragen die het
TNO-onderzoek heeft opgeleverd. In onder meer Denemarken, Engeland en Japan vindt
momenteel onderzoek plaats dat ook deels als replicatie van en aanvulling op het COFAMonderzoek
kan worden beschouwd.

Nadrukkelijk willen we stellen dat beleidsaanpassingen nimmer het automatische gevolg zijn
van onderzoeksresultaten. Naast wetenschappelijke resultaten of het ontbreken daarvan,
kunnen bijvoorbeeld ook maatschappelijke factoren van belang zijn. Het is dus niet mogelijk
om bij voorbaat aan te geven of en hoe onderzoeksuitkomsten aanleiding zullen vormen tot
het bijstellen van beleid.

Openbaarheid antennegegevens
Met ingang van 1 maart 2005 is een belangrijke stap gezet in het vergroten van de
openbaarheid van antennegegevens. Antennegegevens zijn per 1 maart jl. vrij eenvoudig te
achterhalen via de internetsite van het Nationaal Antennebureau.2 Naast de informatie die al
beschikbaar was, worden op het antenneregister nu ook de locaties van antenne-installaties
voor mobiele telefonie en voor omroep getoond. Op basis van de ingevoerde postcode kan
een ieder zien waar deze installaties in de directe omgeving staan. De werking van het
antenneregister zal gedurende de komende maanden nog verder worden verbeterd, met name
op het aspect gebruikersvriendelijkheid.

De wettelijke verankering van het antenneregister is in voorbereiding. Dit voorstel tot
wijziging van de Telecommunicatiewet zal het mogelijk maken, dat naast de antennes voor
mobiele telefonie en omroep ook andere antennesystemen aan het register worden
toegevoegd. Bovendien kunnen op grond van de wet eisen worden gesteld aan
tijdigheid, volledigheid en juistheid van de geleverde gegevens. In de maand mei zal worden
gestart met de publieke consultatie van deze wetswijziging, waarna het kabinet de
wetswijziging aan de Raad van State aanbiedt. Naar verwachting krijgt de Tweede Kamer
het wetsvoorstel na de zomer aangeboden.


1 COFAM staat voor Cognitive Functions And Mobiles.
2 Zie: www.nationaalantennebureau.nl, en ga vervolgens naar het Antenneregister.

Internationale samenwerking
Daags na het met de vaste commissies voor Economische Zaken en voor Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gevoerde algemene overleg van 7 december jl. is de
problematiek van antennes en gezondheid aangekaart bij de Europese collega bewindslieden
voor Telecommunicatie. Een volgende stap in Brussel is dat de Europese Commissie in de
eerste helft van dit jaar een presentatie zal geven over dit onderwerp in een Raadswerkgroep
Telecom. Deze presentatie zal vooral het karakter hebben van een inventarisatie van lopend
en voorgenomen onderzoek, van mogelijke beleidsinitiatieven in de verschillende EULidstaten
en van de wijze waarop over dit onderwerp wordt gecommuniceerd. Naar aanleiding van
deze presentatie zal worden besloten over eventuele vervolgstappen, bijvoorbeeld in de
vorm van een expert bijeenkomst.

Nederland is tevens nauw betrokken bij het Europese project EIS-EMF, het European
Informations System - Electromagnetic Fields, dat wordt gefinancierd door de Europese
Commissie. Hoofddoel van het project is de ontwikkeling en implementatie van een
Europees programma over risicocommunicatie. Zodoende wordt bijgedragen aan de
ontwikkeling van een Europese structuur voor risicocommunicatie inzake EM velden. Er zal
onder meer een internet informatieplatform worden ontwikkeld met informatie over EMvelden
gerelateerde gezondheidseffecten. Het project is sterk verbonden aan het EMF-NET,
het verband waarin Europese wetenschappers en deskundigen op het terrein van
bioelectromagnetisme zijn vertegenwoordigd.

Bij het EIS-EMF project zijn ook internationale organisaties als ICNIRP en WHO betrokken.
Belangrijk element bij het EIS-EMF project is de totstandkoming van een forum, waarin op
systematische wijze beleidsmakers op Europees niveau kunnen communiceren over de
gezondheidsaspecten van EM-velden met bijvoorbeeld wetenschappers, bedrijven en
consumentenorganisaties. Daarmee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het
uitwisselen van wederzijdse informatie en ervaringen.

Evaluatie van het antenneconvenant
Uit de eerste evaluatie van het antenneconvenant bleek dat de convenantpartijen over het
algemeen tevreden zijn met de werkbaarheid van de afspraken en de wijze waarop deze zijn
nagekomen. Daarbij zijn ook een aantal actiepunten afgesproken. Zoals in het AO van 7
december 2004 is toegezegd, zou de tweede evaluatie van het convenant meer ingaan op de
positie van burgers. Ten behoeve van deze tweede evaluatie zijn twee sporen bewandeld.
Extern onderzoek onder bewoners

Via het eerste spoor heeft in opdracht van de overheid een extern bureau onder begeleiding
van een onafhankelijke commissie gekeken naar de voorlichting en communicatie aan
bewoners bij de plaatsing van vergunningvrije antennes.3 In dit onderzoek is ook gekeken
naar de wijze waarop met bewoners wordt gecommuniceerd, hoe de instemmingsprocedure
is toegepast en hoe de werking hiervan door de bewoners is ervaren. Voor dit onderzoek is in
de tweede helft van februari 2005 een telefonische enquête afgenomen onder ruim 400
bewoners, die sinds de invoering van het antenneconvenant te maken hebben gehad met een
instemmingsprocedure. Daarnaast zijn verspreid over het land vijf groepsgesprekken
gehouden met onder meer omwonenden, gemeenten, eigenaren van gebouwen waarop een
antenne-installatie is geplaatst en operators.

Sinds de inwerkingtreding van het antenneconvenant in augustus 2002 zijn circa 550
instemmingsprocedures doorlopen. In 86% van de gevallen vond de voorgenomen plaatsing
doorgang. In 14% van de gevallen stemde meer dan 50% van de aangeschreven bewoners
tegen en werd plaatsing van een antenne-installatie voorkomen. In de afgelopen periode zijn
deze percentages redelijk stabiel gebleven. Wel nam het aantal ‘nee-stemmers’ door de tijd
heen toe, maar dit heeft niet geleid tot meer afwijzingen. Van de mogelijkheid om een
tweede instemmingsronde te starten hebben de operators slechts éénmaal gebruik gemaakt.
De communicatie rondom de instemmingsprocedure wordt over het algemeen als adequaat
ervaren. De procedure wordt door een groot deel van de bewoners (66%) als duidelijk en
begrijpelijk bestempeld. Een meerderheid (60%) geeft aan geen informatie te missen. Als
informatie wordt gemist, dan betreft het met name informatie over gezondheid en veiligheid.
Ruim driekwart van de betrokkenen vond de informatie voldoende om een stem uit te
kunnen brengen.

Hoewel de kwaliteit van de informatievoorziening toereikend is, kan de communicatie op
een aantal punten nog beter, vooral richting bewoners die grote moeite hebben met het
plaatsingsbeleid en die de huidige procedure als onzorgvuldig beoordelen. Bij een relatief
kleine, maar in de maatschappelijke discussie zeer actieve groep is sprake van een groter
wordende weerstand tegen antenne-installaties. Deze weerstand lijkt maar zeer beperkt door
communicatie weggenomen te kunnen worden.

Verbeterpunten betreffen onder meer de herkenbaarheid van de afzender van de informatie
en de afhandeling van vragen en klachten. De onderzoekers constateren dat er vele afzenders betrokken zijn bij een instemmingsprocedure. Interpersoonlijke communicatie in de vorm van voorlichtingsavonden, inloopspreekuren en telefoongesprekken wordt over het algemeen goed gewaardeerd door bewoners. Deze vorm van rechtstreekse communicatie doet het meest recht aan de gevoelde behoefte aan nadere informatie, uitleg, het uit kunnen spreken van zorgen en het gevoel ‘gehoord’ te worden. De afhandeling van klachten vindt vaak vertraagd plaats en is versnipperd, doordat zij plaatsvindt over meerdere schijven. Volgens de onderzoekers zou een goede en goed uitgevoerde klachtenregeling de nodige onrust


3 Zie de bijlage: “De positie van bewoners bij het plaatsen van vergunningvrije antenne
installaties”, Bureau Berenschot, Utrecht, maart 2005.


kunnen voorkomen. Een specifiek punt van aandacht betreft de vraag over de bewaring van
het formulier in het kader van de privacy-wetgeving. De formulering van deze vraag is zeer
complex (dubbele ontkenning) en wordt vaak niet begrepen, waardoor hij kan leiden tot het
ongewenste effect van ongeldigheid van stemmen.

Gegeven de tussen convenantpartners gemaakte keuzes over de instemmingsprocedure en de vormgeving daarvan, menen de onderzoekers dat de uitvoering van deze procedure over het algemeen adequaat plaatsvindt. Ten opzichte van het oorspronkelijke beleidsvoornemen om de plaatsing van antennes korter dan 5 meter vergunningvrij te maken, een situatie waarin
burgers geen enkele vorm van inspraak (meer) hebben, is evident sprake van een verbetering
van de positie van de bewoners. Bewoners hebben de mogelijkheid een plaatsing af te
wijzen. De praktijk laat zien dat dat ook in 1 op de 7 gevallen daadwerkelijk gebeurd. De
onderzoekers constateren wel dat de term instemmingsprocedure de lading niet dekt en mede daarom tot de nodige verwarring kan leiden. Op dit moment heeft de procedure meer het karakter van een raadpleging dan van een daadwerkelijke instemmingsprocedure.
Uit het onderzoek blijkt ook dat gemeenten nauwelijks een rol spelen in de communicatie
met bewoners over het vergunningvrij plaatsen van antennes. Enerzijds achten de
onderzoekers dit logisch omdat individuele gemeenten geen convenantpartij zijn, maar
anderzijds zou de ‘natuurlijke’ positie van gemeenten dichtbij burgers en met kennis van de
lokale situatie wellicht beter benut kunnen worden.

In overleg met de convenantpartners zullen wij op grond van deze onderzoeksuitkomsten
bezien in hoeverre op deze en andere onderdelen verbeteringen kunnen worden doorgevoerd
in het antennebeleid of het antenneconvenant. Wij verwachten dit overleg in de zomer van
2005 te hebben afgerond.

Evaluatie door convenantpartners
Het tweede spoor wordt gevormd door de evaluatie van het antenneconvenant door de
convenantpartijen zelf.4 Deze evaluatie heeft betrekking op de periode vanaf de zomer 2004
tot en met het eerste kwartaal van 2005. In deze evaluatie wordt enerzijds verslag gedaan van
actuele ontwikkelingen bij de uitvoering van het convenant en anderzijds wordt de voortgang
gegeven op de actiepunten uit de eerste evaluatie. De tweede evaluatie heeft een aantal
nieuwe actiepunten opgeleverd, die in lijn zijn met de bevindingen uit het hierboven
beschreven externe onderzoek.
De meeste actiepunten uit de eerste evaluatie zijn aangepakt en ook afgerond. De
plaatsingsplannen zijn helderder en beter interpreteerbaar gemaakt, het
voorlichtingsmateriaal voor burgers en gemeenten is verbeterd, de begeleidende brieven bij


4 Zie de bijlage: Evaluatie van het convenant in het kader van het Nationaal Antennebeleid
betreffende vergunningvrije antenne-installaties voor mobiele communicatie, ‘de tweede
evaluatie’, inclusief bijlage “veilige veldsterktes”, april 2005.


de instemmingsprocedure zijn verhelderd en de resultaten van meting van EM-velden door
het Agentschap Telecom zijn gepubliceerd. Gemeenten hebben meer kennis en ervaring
gekregen met de procedures rond het plaatsen van vergunningvrije antennes en vragen in
afnemende mate gesprekken aan over de plaatsingsplannen. Gemeenten stellen zelden nog
specifieke eisen aan de visuele inpassing van antennes. Voor de komende periode hebben de
convenantpartners zes nieuwe actiepunten benoemd. Een betere organisatie van de
klachtenafhandeling is daar één van.

Het is de convenantpartijen duidelijk geworden dat de “maatschappelijke” horizon ten
opzichte van het plaatsen van antenne-installaties de afgelopen jaren is verschoven. Bij het
opstellen van het convenant vormden ruimtelijke ordening en de ‘visuele inpassing’ de
belangrijkste aandachtspunten. Op dit moment staan ‘blootstelling’, veiligheid en
gezondheid het sterkst in de publieke belangstelling. Onduidelijk is of deze belangstelling
van tijdelijke aard is, of dat het een meer permanent karakter gaat krijgen.
Tijdens het vorige AO is aangegeven dat zou worden nagegaan welke verankering in wet- en
regelgeving van (onderdelen van) het convenant mogelijk en wenselijk is. Wij zien op dit
moment componenten die daarvoor in aanmerking kunnen komen.5 Belangrijk is dat we eerst
ons er van vergewissen of verankering in die gevallen effectief en werkbaar is en of een
andere aanpak niet effectiever is. Op dit moment hebben we dat beeld nog niet compleet.
Regelgevende last dient immers een daadwerkelijk toegevoegde waarde te hebben. Het dient
proportioneel en gerechtvaardigd te zijn en het dient een oplossing te bieden voor een
structureel probleem. Zodra er een goed beeld is welke wettelijke verankering zinvol is, dan
starten we de voorbereidingen, zodat bij gebleken behoefte dit instrument snel kan worden
ingezet.

Onderzoek
In het algemeen overleg van 7 december 2004 heeft u aangegeven dat meer en aanvullend
onderzoek nodig is naar de eventuele gezondheidseffecten van radiofrequente
elektromagnetische velden, waarbij tevens het belang werd onderstreept van internationale
samenwerking. In dat overleg hebben wij aangegeven daartoe bereid te zijn, maar ook dat
wij van private partijen een rol verwachten bij de financiering van onderzoek.
Conform onze brief van 23 november 20046 is geïnventariseerd hoe in een aantal landen de
opbouw van wetenschappelijke kennis is georganiseerd en hoe wordt omgegaan met de
geconstateerde maatschappelijke onrust rond mobiele communicatie en gezondheid. Ook is
in overleg met de Gezondheidsraad en met de mobiele operators een inventarisatie gemaakt
van afgeronde, lopende en voorgenomen onderzoeken op dit gebied.


5 Als een voorbeeld: bij voornemen tot plaatsing van antenne-installatie, de verplichting tot
het houden van instemmingprocedures bij bewoners (in bepaalde situaties).
6 Zie kamerstuk 27 561 en 28 089, nr. 20.


In Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland zijn op initiatief van de overheid de
afgelopen jaren nationale onderzoeksprogramma’s opgezet.7 Deze programma’s worden
beheerd door een onafhankelijke wetenschappelijke commissie of stichting, die besluit over
het laten uitvoeren van wetenschappelijke onderzoeken. Ze zijn vooral gericht op het
uitvoeren van onderzoek en niet zozeer op bundeling van kennis of op voorlichting over EMvelden.
Deze programma’s worden gefinancierd door de overheid, de in dat land actieve
mobiele operators en soms ook door de participerende universiteiten of door de producenten
van mobiele telecommunicatie apparatuur.

Na overleg met de mobiele operators en de Gezondheidsraad is het onze intentie om op korte
termijn via de inschakeling van de organisatie Zorgonderzoek Nederland en Medische
Wetenschappen (ZonMW) een programma elektromagnetische velden uit te werken. Dit
meerjarige programma EM-velden dient tegemoet te komen aan de maatschappelijk en
politiek gevoelde behoefte om goed inzicht te krijgen in de eventuele gezondheidseffecten
van (radiofrequente) EM-velden. Het geeft tevens nadere invulling aan het in 2003 door de
Gezondheidsraad uitgebracht advies met aanbevelingen voor onderzoek.8 Via dit programma
is bovendien adequate, actieve en onafhankelijke communicatie mogelijk over nationaal en
internationaal verkregen inzichten van wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke
kwaliteit. In onze beleving zijn het voornamelijk de niet-wetenschappelijke onderzoeken, die
regelmatig leiden tot gevoelens van onrust onder burgers.

Wij verwachten dat met dit programma de Nederlandse kennisinfrastructuur op het gebied
van EM-velden en gezondheid structureel wordt versterkt. Deze doelstelling wordt
gerealiseerd door het bundelen van nationale en internationale kennis op dit terrein, door het
zelf laten uitvoeren van fundamenteel, toegepast en /of experimenteel wetenschappelijk
onderzoek en door het realiseren van een goede aansluiting op en samenwerking met
internationale ontwikkelingen, instituten en programma’s. Het is tevens de bedoeling dat via
dit programma de nationaal en internationaal ontwikkelde en beschikbare kennis goed
toegankelijk wordt gemaakt voor een breder publiek en dat snel, deskundig en objectief
antwoord kan worden gegeven op vragen over de gezondheidseffecten van EM-velden.
Medio maart hebben de mobiele operators aangegeven bereid te zijn om actief mee te
werken aan de totstandkoming van een dergelijk initiatief. Het programma zal de komende
maanden verder worden uitgewerkt. Dan zal ook duidelijk moeten worden waaruit de
bijdrage van het bedrijfsleven zal bestaan en of een verbreding van de programmaopzet
gewenst is naar bijvoorbeeld andere EM-velden relevante sectoren of onderwerpen. Zoals
reeds door ons in het algemeen overleg van 7 december jl. is aangegeven, verwachten wij


7 Het betreft het “Deutsches Mobilfunk Forschungsprogramm” in Duitsland, het “Mobile
Telecommunications and Health Research programm” (MTHR) in het Verenigd Koninkrijk
en de Zwitserse “Forschungsstiftung Mobilkommunikation”.
8 Gezondheidseffecten van blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden,
aanbevelingen voor onderzoek, Gezondheidsraad, Den Haag, adviesnummer 2003/3.


ook een financiële bijdrage van het bedrijfsleven. Daarop zullen wij ze de komende periode
(blijven) aanspreken. Het streven is om nog voor de zomer van 2005 te komen tot een
definitieve opdrachtverlening aan ZonMW.

Aansprakelijkheid
Op 29 maart jl. is u een aparte notitie gestuurd over de aansprakelijkheidsproblematiek bij
mogelijke (gezondheids)schade van UMTS basisstations en hoogspanningslijnen.9 In deze
notitie wordt geconcludeerd dat:
1. In het aansprakelijkheidsrecht als algemeen uitgangspunt geldt dat de (juridische)
verantwoordelijkheid voor een eventueel schadeveroorzakend feit primair is gelegen bij
de organisatie die het gevaar in het leven roept.
2. De rechtspraak op het terrein van aansprakelijkheid van exploitanten van basisstations
(of hoogspanningslijnen) en van de overheid ontbreekt of nog onvoldoende is
uitgekristalliseerd. Op dit moment is het derhalve niet mogelijk een uitputtende
beschouwing te geven over de mogelijkheden om een exploitant en/of de overheid
aansprakelijk te stellen.
Kortheidshalve verwijzen wij hier naar de betreffende notitie.

Conclusie
Op dit moment zien wij geen reden om het gevoerde Antennebeleid bij te stellen. In lijn met
de nota Nuchter omgaan met risico’s zijn alle belangen (onder andere het grote
maatschappelijke belang van mobiele telefonie en de kosten) afgewogen tegen de op dit
moment beschikbare onderzoeksresultaten. Ondanks de wereldwijde
onderzoeksinspanningen is er geen wetenschappelijk gefundeerd bewijs, dat aanleiding geeft
tot ongerustheid over de eventuele schadelijke gevolgen voor de gezondheid van
elektromagnetische velden van mobiele communicatie. Uit voorzorg kiest de regering voor
meer onderzoek, streven wij naar intensivering van Europese samenwerking en zal het
instrument communicatie krachtiger worden ingezet. Rond de zomer van 2005 zullen wij u
verder informeren over onze vorderingen.
Mr. L.J. Brinkhorst drs. P.L.B.A. van Geel
Minister van Economische Zaken Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
9 Notitie inzake aansprakelijkheidsproblematiek mogelijke (gezondheids)schade van UMTS
basisstations en hoogspanningslijnen, kenmerk SAS 2005029586.


Elektromagnetische velden: Jaarbericht 2005

Regelmatig wordt in de media bericht over onderzoek naar gezondheidsschade door mobiele telefoons, hoogspanningslijnen of andere bronnen van elektromagnetische velden. In het Jaarbericht 2005 beoordeelt de Gezondheidsraad wetenschappelijke publicaties op dit terrein uit de periode van mei 2003 tot oktober 2005. Voor een deel blijkt het onderzoek geen conclusies toe te laten, omdat er te veel methodologische tekortkomingen zijn. Ander onderzoek is wel goed opgezet.

Het Jaarbericht 2005 behandelt zes thema’s op het gebied van elektromagnetische velden en gezondheid. Steeds wordt nagegaan of nieuw onderzoek van voldoende kwaliteit is om conclusies op te baseren. Op die manier wordt de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis op de voet gevolgd.

Het eerste thema is zendmasten voor mobiele telefoons als mogelijke oorzaak van kanker. In de verslagperiode zijn daarover twee artikelen gepubliceerd. Helaas zijn beide onderzoeken niet goed opgezet en uitgevoerd. Zo zijn de onderzochte populaties niet goed samengesteld en is de daadwerkelijke blootstelling niet bepaald.
Recent onderzoek over andere typen zenders, met name voor radio en televisie, lijkt te wijzen op meer gevallen van leukemie nabij dergelijke zenders. Een grondige beoordeling laat echter zien dat die clusters waarschijnlijk op toeval berusten.
Dan de mobiele telefoons. In een internationaal project wordt onderzocht of er verband is tussen intensief gebruik van mobiele telefoons en tumoren in het hoofd. De onderzoeksopzet is goed. In de tot nu toe gepubliceerde gegevens zijn geen verhoogde risico’s geconstateerd. Alleen bij het gebruik van oudere, analoge telefoons is in één onderzoek een beperkt effect te zien op goedaardige gezwellen van de gehoorzenuw. Nieuwe gegevens komen binnenkort. Dat zal de betrouwbaarheid van alle bevindingen verder vergroten.

Het Jaarbericht 2005 behandelt ook de mogelijke relatie tussen borstkanker en blootstelling aan extreem laagfrequente velden. Onderzoek naar beroepsmatige blootstelling toont geen verband. Onderzoek bij hoogspanningslijnen laat een licht verhoogd risico zien. Verschillende relevante variabelen zijn echter niet meegewogen (bijvoorbeeld of vrouwen wel of geen borstvoeding hebben gegeven). De commissie kan daarom geen conclusies trekken uit deze bevindingen.

Verder is in een internationaal project met geïsoleerde lichaamscellen onderzocht of elektromagnetische velden DNA-schade kunnen veroorzaken. De aanwijzingen daarvoor zijn zwak en afkomstig van slechts één onderzoeksgroep.
Het laatste thema is ‘elektrische overgevoeligheid’. Sommige mensen schrijven gezondheidsklachten toe aan blootstelling aan elektromagnetische velden. Er zijn op dit moment geen wetenschappelijke aanwijzingen voor een oorzakelijk verband, maar nader onderzoek is gewenst.

De commissie die het advies heeft opgesteld, bestond uit: • prof. dr EW Roubos, hoogleraar dierkunde, neurobioloog; Katholieke Universiteit Nijmegen, voorzitter (tot 11 februari 2005) • dr GC van Rhoon, fysicus; Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam, voorzitter (vanaf 11 februari 2005) • dr LM van Aernsbergen, fysicus; Ministerie van VROM, Den Haag, adviseur • prof. dr ir G Brussaard, hoogleraar radiocommunicatie (emeritus); Technische Universiteit, Eindhoven • dr J Havenaar, psychiater; GGZ Buitenamstel, Amsterdam • drs FBJ Koops, bioloog; Arnhem • dr H Kromhout, arbeidshygiënist/epidemioloog, Institute for Risk Assessment Sciences, Universiteit Utrecht • prof. dr ir FE van Leeuwen, hoogleraar epidemiologie van kanker; Vrije Universiteit Amsterdam, en Nederlands Kanker Instituut, Amsterdam • dr HK Leonhard, fysicus; Ministerie van Economische Zaken, Groningen, adviseur • dr MM Sitskoorn, psycholoog; Universitair Medisch Centrum Utrecht • dr GMH Swaen (tot 31 december 2004) epidemioloog; Universiteit Maastricht • prof. dr WJ Wadman (vanaf 15 april 2005), hoogleraar neurobiologie, Universiteit van Amsterdam • DHJ van de Weerdt, arts, medisch milieukundige; Hulpverlening Gelderland Midden / GGD • prof. dr ir APM Zwamborn, hoogleraar elektromagnetische effecten; Technische Universiteit Eindhoven, en TNO, Den Haag • dr E van Rongen, radiobioloog; Gezondheidsraad, Den Haag, secretaris

Bron: Gezondheidsraad

 

 


 


View My Stats