Zomertijd afschaffen?


logo.jpg (7231 bytes)

Google

Deze pagina is verouderd - ontvang onze nieuwtjes per email

 

Zomertijd afschaffen?


Invloed van zomertijd op biologische klok groter dan gedacht

Wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen en de Ludwig-Maximilians-Universität München hebben aangetoond dat de zomertijd een langdurig en behoorlijk groot effect heeft op onze biologische klok. Een kwart van de wereldbevolking ondergaat elk jaar weer de zomertijd. Dankzij deze maatregel – ingevoerd in de vorige eeuw – blijft het in de zomermaanden ’s avonds langer licht. Maar over de effecten van het verzetten van de klok op het menselijk lichaam was tot nu toe weinig bekend. In de Current Biology van deze week maken zij dit bekend.

De basis van het onderzoek is een online vragenlijst (te vinden op www.euclock.org) naar slaapgedrag, die door meer dan 50.000 mensen uit de hele wereld is ingevuld. Met deze vragenlijst, de München ChronoType Questionnaire (MCTQ), wilden de onderzoekers achterhalen wat de verdeling is tussen avondmensen en ochtendmensen. Bij het analyseren van de verzamelde data bleek echter verrassend dat het slaappatroon ernstig verstoord raakt tijdens de zomertijd.

Intern ritme
Het menselijk lichaam heeft een eigen dagritme, ook wel de biologische klok genoemd, dat ongeveer 24 uur bestrijkt. Dit zogenaamde circadiane (dagrond) ritme stuurt onder andere de slaap aan. Maar omdat dit ritme niet precies 24 uur duurt, moet het steeds bijgesteld worden. Dat gebeurt voornamelijk via licht. Tijdens de wintertijd (de normale tijd) loopt ons interne ritme ongeveer gelijk met de licht/donker-cyclus. Maar tijdens de zomertijd is dit niet het geval: ons interne ritme past zich in die periode niet aan. Daardoor slapen we minder en neemt wellicht de kwaliteit van onze slaap af in de zomermaanden.

Avondmensen
Volgens Martha Merrow, hoogleraar moleculaire en genetische chronobiologie in Groningen, waren de resultaten van eerdere onderzoeken naar de effecten van zomertijd inconsistent. Dankzij de grootschaligheid van dit onderzoek is er eindelijk meer duidelijkheid. Naast de analyse van de MCTQ-vragenlijsten deden de onderzoekers ook nog een kleinschaliger studie naar de precieze effecten van de zomertijd bij avondmensen en ochtendmensen. Ze ontdekten dat vooral avondmensen aanpassingsproblemen hebben als de zomertijd ingesteld wordt. Het slaappatroon van beide groepen herstelt zich overigens weer snel als de zomertijd afgelopen is.

Seizoensgebonden
Merrow en haar Duitse collega’s denken ook dat de introductie van de zomertijd een van de factoren is die ervoor gezorgd hebben dat het menselijk gedrag, onder andere het voortplantingsgedrag, de afgelopen decennia minder seizoensgebonden is geworden. Onze biologische klok raakt door de zomertijd zo in de war dat hij niet meer goed in staat is te bepalen in welk seizoen we zitten.

Afschaffen
De onderzoekers weten nog niet waarom de zomertijd aanpassingsproblemen geeft, en waarom vooral avondmensen er last van hebben. Dat is iets wat nu uitgezocht moet gaan worden. Maar aangezien het effect van de zomertijd op onze biologische klok veel groter is dan voorheen werd gedacht, pleiten de onderzoekers ervoor de zomertijd te herevalueren en eventueel af te schaffen.


Prof. dr. Domien Beersma: “Overgang zomertijd/wintertijd is ongezond”

Volgende week zal half Nederland zich katterig en onuitgerust voelen, en zullen er zo’n vijf procent meer hartaanvallen optreden dan gemiddeld over de rest van het jaar. De oorzaak: de overgang van wintertijd naar zomertijd. Iedereen is ervaringsdeskundige en de wetenschappelijke bewijzen stapelen zich op: de biologische klok heeft een immense invloed op onze gezondheid. Níet alleen rond de overgangen tussen winter- en zomertijd. Er wordt echter amper iets met die kennis gedaan. Doodzonde, vindt chronobioloog prof. dr. Domien Beersma. Voor veel mensen komt er een lastige week aan: de week na de overgang op de zomertijd. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat vooral avondmensen moeite hebben zich aan te passen. ’s Avonds voelen ze zich niet moe, hun biologische klok zegt dat ze nog wel een uurtje of wat op kunnen blijven. De volgende ochtend kijkt hun baas echter niet op hun biologische klok, maar op het kwartshorloge dat hij net een uur vooruit heeft gezet. Dus moeten ze opstaan op een tijdstip dat hun lichaam daar nog helemaal niet op is voorbereid.

Meer stress, meer infarcten
Al langer is bekend dat kort na de overgang naar zomertijd extra veel auto-ongelukken gebeuren, door verhoogde stress. Recent wetenschappelijk onderzoek laat zien dat er in de eerste week na de overgang bovendien vijf procent meer hartinfarcten optreden. Beersma: “Zweedse onderzoekers hebben in kaart gebracht wanneer hartinfarcten precies optreden. Het hele jaar door is er op maandag een piek in het aantal infarcten, zo blijkt uit hun onderzoek. In de loop van de week neemt het aantal af, in het weekeinde is het het laagst. Na de overgang op zomertijd, is de piek op maandag extra hoog. Maar ook de rest van die eerste week blijven er meer hartinfarcten optreden.”

Gezondheidswinst
Toch is de overgang tussen winter- en zomertijd niet wat Beersma het meeste bezighoudt. Belangrijker is dat we ook de rest van het jaar aan onze biologische klok uitgeleverd zijn, meent hij. “We moeten veel meer rekening houden met wat voor chronotypen we zijn: ochtend- of avondmensen. Wat heeft een baas eraan als zijn werknemers zich met de ene kop koffie na de andere staande moeten houden? Wat heeft een leraar eraan als een groot deel van zijn leerlingen onuitgeslapen in de bankjes zit? Ik zeg: laat mensen werken wanneer ze dat het beste past. Dat levert niet alleen gezondheidswinst op, maar ook economisch voordeel. Als we niet allemaal om negen uur beginnen met werken, staan we minder lang in de file, bijvoorbeeld.”

Tot op de minuut nauwkeurig
Al sinds 1972 is bekend dat twee kleine celklompjes in de hersenen – preciezer gezegd: de nucleus suprachiasmaticus, net boven de plek waar onze oogzenuwen elkaar kruisen – ons dag/nachtritme beïnvloeden. Langzamerhand wordt duidelijk dat deze cellen niet alleen aangeven wanneer het zo’n beetje tijd is om te slapen en wakker te worden. Beersma: “Onze biologische klok lijkt zéér gedetailleerde informatie af te geven, en bijna tot op de minuut nauwkeurig allerlei organen in werking te zetten.” De inzichten over grotere aantallen verkeersongelukken en hartinfarcten, vormen dan ook maar het topje van de ijsberg, meent hij. “Van organen tot immuunsysteem, alles wordt beïnvloed door die twee celklompjes. De komende jaren zal daar zeker veel meer duidelijkheid over komen.”

Slaapgedrag van Nederlanders
Om de werking van de biologische klok te ontrafelen, is nog veel onderzoek nodig. In Groningen worden onder meer proeven gedaan met slaaponthouding, verschillende kleuren licht, en wordt het dag/nachtritme van gisten en schimmels bestudeerd. Maar ook buiten het lab zijn zeer interessante inzichten op te doen. Beersma: “Door zoveel mogelijk gegevens over slaapgedrag van de Nederlandse bevolking te verzamelen, hopen we de werking van de biologische klok beter te begrijpen. Wie geïnteresseerd is in zijn eigen biologische klok, en de wetenschap een eindje vooruit wil helpen, kan op onze website, www.testuwslaap.nl, een vragenlijst invullen.”

Bron: RUG


Richtlijnen EU

Op 19 januari 2001 hebben de Raad en het Europees Parlement samen de richtlijn betreffende de zomertijd goedgekeurd. In artikel 5 van die richtlijn is bepaald dat de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité verslag moet uitbrengen over de gevolgen van deze richtlijn voor de betrokken sectoren en dat dit verslag moet worden opgesteld op grond van de gegevens die elke lidstaat de Commissie vóór 30 april 2007 heeft verstrekt.

Deze mededeling is het verslag dat vereist is bij artikel 5 van Richtl?n 2000/84/EG.

1. Overzicht van de europese regelgeving

De meeste lidstaten hebben in de jaren zeventig de zomertijd ingevoerd, andere hadden reeds eerder gedurende korte of langere periodes gebruik gemaakt van deze maatregel.

In de eerste richtlijn van 22 juli 1980, die in 1981 van kracht is geworden, is alleen voor het begin van de zomertijd een gemeenschappelijke datum vastgesteld. In de daaropvolgende richtlijnen zijn een gemeenschappelijke begindatum (de laatste zondag van maart) en twee einddatums vastgesteld: de laatste zondag van september voor de landen van het continent en de vierde zondag van oktober voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Deze situatie is blijven bestaan tot de vaststelling van de zevende Richtlijn 94/21/EG van 30 mei 1994, waarin bepaald is dat vanaf 1996 een gemeenschappelijke einddatum geldt, namelijk de laatste zondag van oktober. Met deze richtlijn werd de kalender eindelijk volledig geharmoniseerd, 16 jaar na de vaststelling van de eerste richtlijn. Bij de achtste Richtlijn 97/44/EG2 van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 1997 zijn de bepalingen van de zevende richtlijn met vier jaar verlengd (van 1998 tot en met 2001).

Bij de huidige richtlijn zijn de bepalingen van de achtste richtlijn ten slotte nogmaals verlengd, maar dit keer - in tegenstelling tot alle vorige richtlijnen – voor onbepaalde duur. Zoals uitgelegd in de overwegingen van de richtlijn is voor de goede werking van bepaalde sectoren immers een stabiele programmering op lange termijn nodig. Er wordt evenwel ook op gewezen dat het van belang is dat de toepassing van deze richtlijn wordt gevolgd aan de hand van een verslag van de Commissie.

2. Samenvatting van de door de Commissie uitgevoerde grondige analyse van de gevolgen van de zomertijd

Alvorens de negende richtlijn voor te stellen heeft de Commissie een grondige analyse gemaakt van de gevolgen van de zomertijd in de lidstaten van de Europese Unie, d.w.z. de uurverandering die twee keer per jaar plaatsvindt, en van het feit dat het 's morgens langer donker en 's avonds langer licht is.

Destijds heeft een onafhankelijke consultant een studie uitgevoerd. De opdracht van de consultant was conclusies op te stellen en aanbevelingen te doen op basis van de bestaande studies over dit onderwerp, zowel op communautair als op nationaal vlak, en op basis van raadplegingen van deskundigen uit de diverse betrokken sectoren, de belanghebbende partijen en de lidstaten.

De belangrijkste conclusies die de Commissie uit deze studie heeft getrokken en in het voorstel voor een richtlijn heeft uiteengezet, kunnen als volgt worden samengevat3:

1. Meer dan 20 jaar na de vaststelling van de eerste richtlijn terzake hebben de economische sectoren die het nauwst betrokken zijn bij deze materie, namelijk de landbouw, het toerisme en het vervoer, hun activiteiten afgestemd op de zomertijd en stellen zij de zomertijd niet meer ter discussie.

2. Op het gebied van vervoer heeft de volledige harmonisering van de kalender het mogelijk gemaakt de belangrijkste obstakels uit het verleden uit de weg te ruimen.

3. De zomertijd maakt het gemakkelijker om 's avonds in comfortabele omstandigheden, namelijk bij natuurlijk licht, hobby's te beoefenen.

4. De tegenstrijdige studies op dit gebied maken het onmogelijk om betrouwbare conclusies te trekken over de invloed van de zomertijd op het milieu. Dit geldt met name voor de vraag of de zomertijd een verhoging of verlaging van de ozonemissies tot gevolg heeft, in vergelijking met een situatie zonder uurverandering.

5. Dankzij de zomertijd wordt energie bespaard omdat het 's avonds langer licht is en dus minder energie nodig is voor verlichting. De zomertijd leidt echter ook tot een toename van het energieverbruik door verwarming 's morgens en een stijging van het brandstofverbruik door de mogelijke toename van het verkeer 's avonds, wanneer het nog licht is; dit moet van de besparing worden afgetrokken. De werkelijke energiebesparing is dan ook moeilijk te berekenen, maar zal in elk geval relatief beperkt zijn.

6. De meeste gevolgen die de zomertijd kan hebben voor de gezondheid hebben te maken met het feit dat het lichaam zich in april en oktober moet aanpassen aan de uurverandering. Op basis van de huidige stand van de kennis en van het onderzoek naar de zomertijd zijn de specialisten het erover eens dat de meeste kwaaltjes ten gevolge van de zomertijd van korte duur zijn en de gezondheid niet in gevaar brengen.

7. Wat de verkeersveiligheid betreft, is de belangrijkste vraag of de langere duisternis 's morgens, vooral in de lente en de herfst, en het feit dat het langer licht blijft 's avonds een invloed hebben op het aantal ongevallen. Door het gebrek aan cijfermateriaal en de invloed van andere factoren, zoals weersomstandigheden, kan geen duidelijk oorzakelijk verband tussen de zomertijd en het aantal ongevallen worden vastgesteld.

De informatie die de lidstaten in het kader van de voorbereiding van dit verslag hebben ingediend, moet het mogelijk maken de conclusies van deze studie, voor zover nodig, bij te werken en/of aan te vullen.

3. De gevolgen van de zomertijd – samenvatting van de door de lidstaten ingediende informatie

25 lidstaten hebben bij de Commissie opmerkingen ingediend over de gevolgen van de zomertijd in hun land. De Commissie gaat ervan uit dat de overige lidstaten niet over specifieke informatie over de gevolgen van de zomertijd beschikken4.

De bijdragen van de lidstaten kunnen als volgt worden samengevat:

3.1. Mening van de lidstaten over de huidige regeling

Geen enkele lidstaat vraagt een wijziging van de huidige regeling. De meerderheid van de lidstaten benadrukt het belang van de harmonisering van de zomertijd in de EU, met name voor het vervoer.

België is voorstander van het behoud van de huidige regeling of, bij wijze van alternatief, van een toepassing van de zomertijd gedurende het hele jaar.

3.2. Gevolgen voor de betrokken economische sectoren

De meeste lidstaten stellen vast, gedeeltelijk op basis van de raadpleging van de sectoren, dat in hun land niets erop wijst dat de zomertijd een merkbare invloed heeft op de betrokken economische sectoren, met name landbouw, vervoer en toerisme.

In Letland zijn de toerismedeskundigen van mening dat de zomertijd positieve gevolgen heeft voor het toerisme: zij stellen vast dat tijdens de zomertijd de vraag naar toeristische producten (fietsen, boten enz.) stijgt.

Italië meldt dat de bouw- en landbouwsector baat hebben bij de zomertijd, met name in het zuiden van het land, omdat het door de zomertijd 's morgens op hetzelfde tijdstip minder warm is.

Op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie kan worden geconcludeerd dat de conclusie van de actuele richtlijn nog steeds geldig is: de economische sectoren hebben hun activiteiten afgestemd op de zomertijd.

3.3. Nieuwe studies

Enkele lidstaten hebben melding gemaakt van recente kwantitatieve studies. Deze studies hebben betrekking op de gevolgen van de zomertijd voor het energieverbruik, de verkeersveiligheid en de gezondheid.

Energie

Volgens een studie die de exploitant van het Bulgaarse elektriciteitssysteem heeft uitgevoerd naar het elektriciteitsverbruik in de voorbije drie jaren wordt de besparing door het niet gebruiken van kunstlicht geraamd op 20,5 GWh per jaar, d.w.z. ongeveer 0,01% van het totale verbruik van het land in 20055.

In 2006 is in Frankrijk op basis van simulaties een vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie en een situatie zonder zomertijd. Uit deze studie is gebleken dat door de zomertijd 684 GWh energie wordt bespaard op verlichting en klimaatregeling en 14 GWh energie meer wordt gebruikt voor verwarming, wat neerkomt om een besparing van 0,014% van het totale verbruik in 20056. Uit de studie bleek ook dat 45 GWh extra kan worden bespaard op verlichting als de zomertijd een maand eerder zou worden ingevoerd.

In Slovenië is uit verschillende statistische analyses van elektriciteitsbedrijven gebleken dat de uurverandering in maart en oktober weinig of geen effect heeft op het elektriciteitsverbruik.

Uit de statistieken van Estland blijkt dat in 2000 en 2001, toen de zomertijd er uitzonderlijk niet werd toegepast, het huishoudelijk elektriciteitsverbruik in de periode april-oktober hoger lag dan in de jaren vóór en na 2000-2001. Het verschil bedroeg evenwel minder dan 10% en de verhouding tussen het zomer- en winterverbruik was vergelijkbaar met dat in de jaren waarin de zomertijd wel werd toegepast.

In Letland is eind maart 2006 een vergelijking gemaakt van het elektriciteitsverbruik en de maximale belasting van het elektriciteitssysteem vóór en na de uurverandering in het voorjaar. Beide parameters bleven zo goed als ongewijzigd.

De Cypriotische astronomievereniging stelt in een verslag voor om de zomertijd in te korten en alleen tussen mei en september toe te passen. Dit omvat alle maanden met meer dan twaalf uren zonneschijn, behalve de maand april, en met een gemiddelde temperatuur van meer dan 24°C. In het verslag wordt gesteld dat op die manier energie kan worden bespaard in vergelijking met de huidige regeling, maar deze bewering wordt niet gestaafd door een kwantitatieve analyse.

Verkeersveiligheid

Een in Estland uitgevoerde vergelijkende studie van het aantal ongevallen met slachtoffers (doden en gewonden), dertig dagen vóór en na de uurveranderingen in 2004-2006, heeft geen belangrijke schommelingen in de ongevalsstatistieken aan het licht gebracht.

Uit onderzoek van "Estradas de Portugal"7 is niet gebleken dat er een direct verband bestaat tussen de zomertijd en de verkeersveiligheid. Deze conclusie is bevestigd door diverse vervoersdeskundigen.

Gezondheid

In Finland zijn in 2003 en 2004 twee studies uitgevoerd naar de invloed van de uurverandering in maart op het menselijk lichaam, op basis van een steekproef van tien personen. De studies hebben bepaalde gevolgen aan het licht gebracht voor de slaap en het natuurlijk ritme van het lichaam tijdens de vier dagen die volgen op de uurverandering. Gezien de kleine steekproef benadrukken de auteurs echter dat op basis van deze studies geen conclusies voor de volledige bevolking kunnen worden getrokken.

Wat de gevolgen voor het energieverbruik betreft, bevestigen enkele recente kwantitatieve studies dat de zomertijd wel degelijk tot energiebesparingen leidt, zij het eerder beperkte in vergelijking met het totale energieverbruik; deze studies houden ook geen rekening met een stijging van het verbruik ten gevolge van de eventuele toename van het autoverkeer 's avonds. De Franse vereniging tegen de dubbele zomertijd (Association contre l'heure d'été double, ACHED) bevestigt bovendien dat deze besparing waarschijnlijk kleiner zal worden omdat voor verlichting steeds vaker spaarlampen worden gebruikt. De toekomst zal echter uitwijzen in welke mate deze kleiner wordende besparing wordt gecompenseerd door een grotere besparing op het gebied van klimaatregeling, die op steeds grotere schaal wordt toegepast in kantoorgebouwen en in de dienstensector.

3.4. De mening van de burgers

Opiniepeiling in de lidstaten

Bepaalde lidstaten hebben de resultaten meegedeeld van recente opiniepeilingen of openbare raadplegingen (via internet) over de zomertijd.

Uit een opiniepeiling die in 2001 in Estland is uitgevoerd, is gebleken dat het aantal voor- en tegenstanders van de zomertijd bijna gelijk is.

Uit een opiniepeiling die in 2006 in Litouwen is uitgevoerd, is gebleken dat 55% van de bevolking tegen de zomertijd is en 32% voor.

In Letland zijn in 2006 twee internetraadplegingen georganiseerd. Ongeveer 60% van de deelnemers aan de raadpleging was tegen de zomertijd. Er moet echter op worden gewezen dat dit resultaat niet verkregen is op basis van een representatieve steekproef, maar op basis van vrijwillige deelname aan de raadpleging.

Volgens een opiniepeiling die in 2005 door CREDOC is uitgevoerd in Frankrijk, staat ongeveer tweederde van de Fransen positief of onverschillig tegenover de zomertijd; het aantal voorstanders is sinds 1993 met 12% toegenomen en het aantal tegenstanders met 13% afgenomen. Uit een opiniepeiling die in 2002 is gehouden door SOFRES bleek dat 45% voorstander was van de uitbreiding van de zomertijd naar het volledige jaar, dat 31,4% geen mening had en dat 26,3% tegen de zomertijd was gekant.

Ten slotte moet worden vastgesteld dat het zeer beperkte aantal recente opiniepeilingen over dit onderwerp het onmogelijk maakt geldige conclusies te trekken, temeer daar de representativiteit en de resultaten van deze opiniepeilingen variëren van land tot land.

EUROBAROMETER

Volgens de Eurobarometerenquête van 1990 was in de hele Europese Gemeenschap 57,4% van de mensen tevreden over de zomertijd.

Uit de Eurobarometerenquête van 1993 bleek dat 54,5% van de inwoners van de toenmalige twaalf lidstaten van de Europese Gemeenschap de voorkeur gaf aan eind oktober als einddatum van de zomertijd (de huidige regeling), tegenover 38,4% aan eind september.

Contacten met de verenigingen en de burgers

ACHED, een Franse vereniging die gekant is tegen de zomertijd in Frankrijk en Europa, heeft regelmatig contact opgenomen met de Commissie. ACHED heeft brieven, nota's, artikelen en verslagen ingediend - het merendeel uit de jaren 80 en 90 - waarin de auteurs zich, om diverse redenen, tegen de zomertijd uitspreken. Voorts verwijst de vereniging ook naar een reeks oude studies over de gevolgen van de zomertijd.

Andere verenigingen, waaronder die van de betrokken sectoren, hebben geen contact opgenomen met de Commissie.

De Commissie ontvangt occasioneel brieven van burgers die voorstander zijn van een wijziging van de huidige regeling (bv. afschaffing van de zomertijd, zomertijd tijdens het hele jaar).

4. Conclusies

Op basis van de informatie waarover de Commissie beschikt om dit verslag voor te bereiden, concludeert zij dat de analyse in het voorstel voor de richtlijn nog steeds correct is: de zomertijd maakt het gemakkelijker om 's avonds hobby's te beoefenen en leidt tot een zekere mate van energiebesparing, maar heeft voor het overige weinig gevolgen; de huidige regeling is dan ook geen punt van discussie in de lidstaten.

De Commissie is dan ook van mening dat de bij de richtlijn vastgestelde zomertijdregeling nog steeds voldoet. Geen enkele lidstaat heeft aangegeven van de zomertijd te willen afstappen of de bepalingen van de huidige richtlijn te willen wijzigen. Het is belangrijk de harmonisering van de kalender te behouden om de goede werking van de interne markt - de essentiële doelstelling van de richtlijn - te garanderen.

1 PB L 31 van 2.2.2001, blz. 21.

2 PB L 206 van 1.8.1997, blz. 62.

3 Zie de samenvatting van de conclusies in de toelichting bij het voorstel voor Richtlijn 2000/84/EG.

4 De Commissie heeft de lidstaten in juni 2007 meegedeeld dat zij voornemens was deze conclusie te trekken in het geval een lidstaat niet vóór eind juli 2007 had gereageerd. Dit verslag is dus gebaseerd op alle informatie waarover de Commissie op 31 juli 2007 beschikte.

5 Bron: statistieken die gepubliceerd zijn door ERELECTRIC.

6 Bron: statistieken die gepubliceerd zijn door ERELECTRIC.

7 De overheidsinstantie die bevoegd is voor het beheer van de wegen in Portugal


Kritiek op zomertijd

In de landbouw geeft de zomertijd problemen, omdat het vee met de kunstmatige omschakeling van het uur niet om kan gaan. Zo zullen koeien niet vroeger opstaan. Voorstanders beweren echter dat men van de zomertijd meer profijt dan schade heeft, waarbij men vooral energiereductie aanhaalt als voordeel. Een van de bezwaren van de zomertijd heeft te maken met de tijdzones. Tijdens de wintertijd staat de klok in West-Europa al een uur voor op de zonnetijd, gedurende de zomertijd wordt dit zelfs 2 uur. Het dagritme van mensen loopt dus niet synchroon met het ritme van de zon, en 2 uur verschil wordt door sommige mensen als te groot ervaren. Vooral landbouwers vinden dit een groot probleem aangezien hun dieren wel op zonnetijd leven. Een ander veelgehoord bezwaar van de zomertijd/wintertijd is dat het elke keer een hele aanpassing vergt van het dagritme van mensen om over te schakelen, vooral kinderen, ouderen en avondmensen hebben hier last van, waardoor ze in de week na de aanpassing oververmoeid kunnen raken. Verder wordt in twijfel getrokken of de lagere verlichtingskosten de hogere airconditioningskosten wel compenseren. Ook een ander voordeel, meer namiddagzon, wordt in twijfel getrokken aangezien mensen meer energie gaan verbruiken door bijvoorbeeld met de auto te rijden.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Zomertijd#Kritiek


Het voordeel van zomertijd is nooit aangetoond

http://www.nrcnext.nl/nieuws/wetenschap/article1027372.ece


Tweederde Duitsers tegen zomertijd

http://www.ad.nl/buitenland/2179048/Twee_derde_Duitsers_tegen_zomertijd.html


Zomertijd verhoogt de kans op een hartinfarct

Adjusting the clocks to summer time on the last Sunday in March increases the risk of myocardial infarction in the following week. In return, putting the clocks back in the autumn reduces the risk, albeit to a lesser extent. This according to a new Swedish study published in the prestigious New England Journal of Medicine.  Scientists at Karolinska Institutet have examined how the incidence of myocardial infarction in Sweden has changed with the summer and winter clock-shifts since 1987. Their results show that the number of heart attacks, on average, increases by about five per cent during the first week of summer time.  "There's a small increase in risk for the individual, especially during the first three days of the new week," says Dr Imre Janszky, one of the researchers behind the study. "The disruption in the chronobiological rhythms, the loss of one hour's sleep and the resulting sleep disturbance are the probable causes." The team also observed that the readjustment back to winter time on the last Sunday in October, which gives us an extra hour's sleep, is followed by a reduction in the risk of heart attack on the Monday. The reduction for the whole week is, however, less than the increase related to the summer adjustment.  According to the scientists, the study provides a conceivable explanation for why myocardial infarction is most common on Mondays, as demonstrated by previous research. "It's always been thought that it's mainly due to an increase in stress ahead of the new working week," says Dr Janszky. "But perhaps it's also got something to do with the sleep disruption caused by the change in diurnal rhythm at the weekend."  Even though the increase and decrease in risk are relatively small for the individual, the team believes that the study can improve our understanding of how disruptions to diurnal rhythms impact on our health. "Roughly 1.5 billion people are subjected to these clock-shifts every year, but it's hard to make any generalised statement about how many heart attacks they can cause," adds Dr Rickard Ljung, another member of the research team.


 

 


 


View My Stats