Zomertijd afschaffen?
Invloed van zomertijd op biologische klok
groter dan gedacht
Wetenschappers van de Rijksuniversiteit
Groningen en de Ludwig-Maximilians-Universität München hebben aangetoond dat de
zomertijd een langdurig en behoorlijk groot effect heeft op onze biologische klok. Een
kwart van de wereldbevolking ondergaat elk jaar weer de zomertijd. Dankzij deze maatregel
ingevoerd in de vorige eeuw blijft het in de zomermaanden s avonds
langer licht. Maar over de effecten van het verzetten van de klok op het menselijk lichaam
was tot nu toe weinig bekend. In de Current Biology van deze week maken zij dit bekend.
De basis van het onderzoek is een online
vragenlijst (te vinden op www.euclock.org) naar slaapgedrag, die door meer dan 50.000
mensen uit de hele wereld is ingevuld. Met deze vragenlijst, de München ChronoType
Questionnaire (MCTQ), wilden de onderzoekers achterhalen wat de verdeling is tussen
avondmensen en ochtendmensen. Bij het analyseren van de verzamelde data bleek echter
verrassend dat het slaappatroon ernstig verstoord raakt tijdens de zomertijd.
Intern ritme
Het menselijk lichaam heeft een eigen dagritme, ook wel de biologische klok genoemd, dat
ongeveer 24 uur bestrijkt. Dit zogenaamde circadiane (dagrond) ritme stuurt onder andere
de slaap aan. Maar omdat dit ritme niet precies 24 uur duurt, moet het steeds bijgesteld
worden. Dat gebeurt voornamelijk via licht. Tijdens de wintertijd (de normale tijd) loopt
ons interne ritme ongeveer gelijk met de licht/donker-cyclus. Maar tijdens de zomertijd is
dit niet het geval: ons interne ritme past zich in die periode niet aan. Daardoor slapen
we minder en neemt wellicht de kwaliteit van onze slaap af in de zomermaanden.
Avondmensen
Volgens Martha Merrow, hoogleraar moleculaire en genetische chronobiologie in Groningen,
waren de resultaten van eerdere onderzoeken naar de effecten van zomertijd inconsistent.
Dankzij de grootschaligheid van dit onderzoek is er eindelijk meer duidelijkheid. Naast de
analyse van de MCTQ-vragenlijsten deden de onderzoekers ook nog een kleinschaliger studie
naar de precieze effecten van de zomertijd bij avondmensen en ochtendmensen. Ze
ontdekten dat vooral avondmensen aanpassingsproblemen hebben als de zomertijd ingesteld
wordt. Het slaappatroon van beide groepen herstelt zich overigens weer snel als
de zomertijd afgelopen is.
Seizoensgebonden
Merrow en haar Duitse collegas denken ook dat de introductie van de zomertijd een
van de factoren is die ervoor gezorgd hebben dat het menselijk gedrag, onder andere het
voortplantingsgedrag, de afgelopen decennia minder seizoensgebonden is geworden. Onze
biologische klok raakt door de zomertijd zo in de war dat hij niet meer goed in staat is
te bepalen in welk seizoen we zitten.
Afschaffen
De onderzoekers weten nog niet waarom de zomertijd aanpassingsproblemen geeft, en waarom
vooral avondmensen er last van hebben. Dat is iets wat nu uitgezocht moet gaan worden.
Maar aangezien het effect van de zomertijd op onze biologische klok veel groter is dan
voorheen werd gedacht, pleiten de onderzoekers ervoor de zomertijd te herevalueren en
eventueel af te schaffen.
Richtlijnen EU
Op 19 januari 2001 hebben de Raad en het
Europees Parlement samen de richtlijn betreffende de zomertijd goedgekeurd. In artikel 5
van die richtlijn is bepaald dat de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het
Economisch en Sociaal Comité verslag moet uitbrengen over de gevolgen van deze richtlijn
voor de betrokken sectoren en dat dit verslag moet worden opgesteld op grond van de
gegevens die elke lidstaat de Commissie vóór 30 april 2007 heeft verstrekt.
Deze mededeling is het verslag dat vereist
is bij artikel 5 van Richtl?n 2000/84/EG.
1. Overzicht van de europese regelgeving
De meeste lidstaten hebben in de jaren
zeventig de zomertijd ingevoerd, andere hadden reeds eerder gedurende korte of langere
periodes gebruik gemaakt van deze maatregel.
In de eerste richtlijn van 22 juli 1980,
die in 1981 van kracht is geworden, is alleen voor het begin van de zomertijd een
gemeenschappelijke datum vastgesteld. In de daaropvolgende richtlijnen zijn een
gemeenschappelijke begindatum (de laatste zondag van maart) en twee einddatums
vastgesteld: de laatste zondag van september voor de landen van het continent en de vierde
zondag van oktober voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Deze situatie is blijven
bestaan tot de vaststelling van de zevende Richtlijn 94/21/EG van 30 mei 1994, waarin
bepaald is dat vanaf 1996 een gemeenschappelijke einddatum geldt, namelijk de laatste
zondag van oktober. Met deze richtlijn werd de kalender eindelijk volledig geharmoniseerd,
16 jaar na de vaststelling van de eerste richtlijn. Bij de achtste Richtlijn 97/44/EG2 van
het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 1997 zijn de bepalingen van de zevende
richtlijn met vier jaar verlengd (van 1998 tot en met 2001).
Bij de huidige richtlijn zijn de bepalingen
van de achtste richtlijn ten slotte nogmaals verlengd, maar dit keer - in tegenstelling
tot alle vorige richtlijnen voor onbepaalde duur. Zoals uitgelegd in de
overwegingen van de richtlijn is voor de goede werking van bepaalde sectoren immers een
stabiele programmering op lange termijn nodig. Er wordt evenwel ook op gewezen dat het van
belang is dat de toepassing van deze richtlijn wordt gevolgd aan de hand van een verslag
van de Commissie.
2. Samenvatting van de door de Commissie
uitgevoerde grondige analyse van de gevolgen van de zomertijd
Alvorens de negende richtlijn voor te
stellen heeft de Commissie een grondige analyse gemaakt van de gevolgen van de zomertijd
in de lidstaten van de Europese Unie, d.w.z. de uurverandering die twee keer per jaar
plaatsvindt, en van het feit dat het 's morgens langer donker en 's avonds langer licht
is.
Destijds heeft een onafhankelijke
consultant een studie uitgevoerd. De opdracht van de consultant was conclusies op te
stellen en aanbevelingen te doen op basis van de bestaande studies over dit onderwerp,
zowel op communautair als op nationaal vlak, en op basis van raadplegingen van deskundigen
uit de diverse betrokken sectoren, de belanghebbende partijen en de lidstaten.
De belangrijkste conclusies die de
Commissie uit deze studie heeft getrokken en in het voorstel voor een richtlijn heeft
uiteengezet, kunnen als volgt worden samengevat3:
1. Meer dan 20 jaar na de vaststelling van
de eerste richtlijn terzake hebben de economische sectoren die het nauwst betrokken zijn
bij deze materie, namelijk de landbouw, het toerisme en het vervoer, hun activiteiten
afgestemd op de zomertijd en stellen zij de zomertijd niet meer ter discussie.
2. Op het gebied van vervoer heeft de
volledige harmonisering van de kalender het mogelijk gemaakt de belangrijkste obstakels
uit het verleden uit de weg te ruimen.
3. De zomertijd maakt het gemakkelijker om
's avonds in comfortabele omstandigheden, namelijk bij natuurlijk licht, hobby's te
beoefenen.
4. De tegenstrijdige studies op dit gebied
maken het onmogelijk om betrouwbare conclusies te trekken over de invloed van de zomertijd
op het milieu. Dit geldt met name voor de vraag of de zomertijd een verhoging of verlaging
van de ozonemissies tot gevolg heeft, in vergelijking met een situatie zonder
uurverandering.
5. Dankzij de zomertijd wordt energie
bespaard omdat het 's avonds langer licht is en dus minder energie nodig is voor
verlichting. De zomertijd leidt echter ook tot een toename van het energieverbruik door
verwarming 's morgens en een stijging van het brandstofverbruik door de mogelijke toename
van het verkeer 's avonds, wanneer het nog licht is; dit moet van de besparing worden
afgetrokken. De werkelijke energiebesparing is dan ook moeilijk te berekenen, maar zal in
elk geval relatief beperkt zijn.
6. De meeste gevolgen die de zomertijd kan
hebben voor de gezondheid hebben te maken met het feit dat het lichaam zich in april en
oktober moet aanpassen aan de uurverandering. Op basis van de huidige stand van de kennis
en van het onderzoek naar de zomertijd zijn de specialisten het erover eens dat de meeste
kwaaltjes ten gevolge van de zomertijd van korte duur zijn en de gezondheid niet in gevaar
brengen.
7. Wat de verkeersveiligheid betreft, is de
belangrijkste vraag of de langere duisternis 's morgens, vooral in de lente en de herfst,
en het feit dat het langer licht blijft 's avonds een invloed hebben op het aantal
ongevallen. Door het gebrek aan cijfermateriaal en de invloed van andere factoren, zoals
weersomstandigheden, kan geen duidelijk oorzakelijk verband tussen de zomertijd en het
aantal ongevallen worden vastgesteld.
De informatie die de lidstaten in het kader
van de voorbereiding van dit verslag hebben ingediend, moet het mogelijk maken de
conclusies van deze studie, voor zover nodig, bij te werken en/of aan te vullen.
3. De gevolgen van de zomertijd
samenvatting van de door de lidstaten ingediende informatie
25 lidstaten hebben bij de Commissie
opmerkingen ingediend over de gevolgen van de zomertijd in hun land. De Commissie gaat
ervan uit dat de overige lidstaten niet over specifieke informatie over de gevolgen van de
zomertijd beschikken4.
De bijdragen van de lidstaten kunnen als
volgt worden samengevat:
3.1. Mening van de lidstaten over de
huidige regeling
Geen enkele lidstaat vraagt een wijziging
van de huidige regeling. De meerderheid van de lidstaten benadrukt het belang van de
harmonisering van de zomertijd in de EU, met name voor het vervoer.
België is voorstander van het behoud van
de huidige regeling of, bij wijze van alternatief, van een toepassing van de zomertijd
gedurende het hele jaar.
3.2. Gevolgen voor de betrokken economische
sectoren
De meeste lidstaten stellen vast,
gedeeltelijk op basis van de raadpleging van de sectoren, dat in hun land niets erop wijst
dat de zomertijd een merkbare invloed heeft op de betrokken economische sectoren, met name
landbouw, vervoer en toerisme.
In Letland zijn de toerismedeskundigen van
mening dat de zomertijd positieve gevolgen heeft voor het toerisme: zij stellen vast dat
tijdens de zomertijd de vraag naar toeristische producten (fietsen, boten enz.) stijgt.
Italië meldt dat de bouw- en
landbouwsector baat hebben bij de zomertijd, met name in het zuiden van het land, omdat
het door de zomertijd 's morgens op hetzelfde tijdstip minder warm is.
Op basis van de door de lidstaten
verstrekte informatie kan worden geconcludeerd dat de conclusie van de actuele richtlijn
nog steeds geldig is: de economische sectoren hebben hun activiteiten afgestemd op de
zomertijd.
3.3. Nieuwe studies
Enkele lidstaten hebben melding gemaakt van
recente kwantitatieve studies. Deze studies hebben betrekking op de gevolgen van de
zomertijd voor het energieverbruik, de verkeersveiligheid en de gezondheid.
Energie
Volgens een studie die de exploitant van
het Bulgaarse elektriciteitssysteem heeft uitgevoerd naar het elektriciteitsverbruik in de
voorbije drie jaren wordt de besparing door het niet gebruiken van kunstlicht geraamd op
20,5 GWh per jaar, d.w.z. ongeveer 0,01% van het totale verbruik van het land in 20055.
In 2006 is in Frankrijk op basis van
simulaties een vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie en een situatie zonder
zomertijd. Uit deze studie is gebleken dat door de zomertijd 684 GWh energie wordt
bespaard op verlichting en klimaatregeling en 14 GWh energie meer wordt gebruikt voor
verwarming, wat neerkomt om een besparing van 0,014% van het totale verbruik in 20056. Uit
de studie bleek ook dat 45 GWh extra kan worden bespaard op verlichting als de zomertijd
een maand eerder zou worden ingevoerd.
In Slovenië is uit verschillende
statistische analyses van elektriciteitsbedrijven gebleken dat de uurverandering in maart
en oktober weinig of geen effect heeft op het elektriciteitsverbruik.
Uit de statistieken van Estland blijkt dat
in 2000 en 2001, toen de zomertijd er uitzonderlijk niet werd toegepast, het huishoudelijk
elektriciteitsverbruik in de periode april-oktober hoger lag dan in de jaren vóór en na
2000-2001. Het verschil bedroeg evenwel minder dan 10% en de verhouding tussen het zomer-
en winterverbruik was vergelijkbaar met dat in de jaren waarin de zomertijd wel werd
toegepast.
In Letland is eind maart 2006 een
vergelijking gemaakt van het elektriciteitsverbruik en de maximale belasting van het
elektriciteitssysteem vóór en na de uurverandering in het voorjaar. Beide parameters
bleven zo goed als ongewijzigd.
De Cypriotische astronomievereniging stelt
in een verslag voor om de zomertijd in te korten en alleen tussen mei en september toe te
passen. Dit omvat alle maanden met meer dan twaalf uren zonneschijn, behalve de maand
april, en met een gemiddelde temperatuur van meer dan 24°C. In het verslag wordt gesteld
dat op die manier energie kan worden bespaard in vergelijking met de huidige regeling,
maar deze bewering wordt niet gestaafd door een kwantitatieve analyse.
Verkeersveiligheid
Een in Estland uitgevoerde vergelijkende
studie van het aantal ongevallen met slachtoffers (doden en gewonden), dertig dagen vóór
en na de uurveranderingen in 2004-2006, heeft geen belangrijke schommelingen in de
ongevalsstatistieken aan het licht gebracht.
Uit onderzoek van "Estradas de
Portugal"7 is niet gebleken dat er een direct verband bestaat tussen de zomertijd en
de verkeersveiligheid. Deze conclusie is bevestigd door diverse vervoersdeskundigen.
Gezondheid
In Finland zijn in 2003 en 2004 twee
studies uitgevoerd naar de invloed van de uurverandering in maart op het menselijk
lichaam, op basis van een steekproef van tien personen. De studies hebben bepaalde
gevolgen aan het licht gebracht voor de slaap en het natuurlijk ritme van het lichaam
tijdens de vier dagen die volgen op de uurverandering. Gezien de kleine steekproef
benadrukken de auteurs echter dat op basis van deze studies geen conclusies voor de
volledige bevolking kunnen worden getrokken.
Wat de gevolgen voor het energieverbruik
betreft, bevestigen enkele recente kwantitatieve studies dat de zomertijd wel degelijk tot
energiebesparingen leidt, zij het eerder beperkte in vergelijking met het totale
energieverbruik; deze studies houden ook geen rekening met een stijging van het verbruik
ten gevolge van de eventuele toename van het autoverkeer 's avonds. De Franse vereniging
tegen de dubbele zomertijd (Association contre l'heure d'été double, ACHED) bevestigt
bovendien dat deze besparing waarschijnlijk kleiner zal worden omdat voor verlichting
steeds vaker spaarlampen worden gebruikt. De toekomst zal echter uitwijzen in welke mate
deze kleiner wordende besparing wordt gecompenseerd door een grotere besparing op het
gebied van klimaatregeling, die op steeds grotere schaal wordt toegepast in
kantoorgebouwen en in de dienstensector.
3.4. De mening van de burgers
Opiniepeiling in de lidstaten
Bepaalde lidstaten hebben de resultaten
meegedeeld van recente opiniepeilingen of openbare raadplegingen (via internet) over de
zomertijd.
Uit een opiniepeiling die in 2001 in
Estland is uitgevoerd, is gebleken dat het aantal voor- en tegenstanders van de zomertijd
bijna gelijk is.
Uit een opiniepeiling die in 2006 in
Litouwen is uitgevoerd, is gebleken dat 55% van de bevolking tegen de zomertijd is en 32%
voor.
In Letland zijn in 2006 twee
internetraadplegingen georganiseerd. Ongeveer 60% van de deelnemers aan de raadpleging was
tegen de zomertijd. Er moet echter op worden gewezen dat dit resultaat niet verkregen is
op basis van een representatieve steekproef, maar op basis van vrijwillige deelname aan de
raadpleging.
Volgens een opiniepeiling die in 2005 door
CREDOC is uitgevoerd in Frankrijk, staat ongeveer tweederde van de Fransen positief of
onverschillig tegenover de zomertijd; het aantal voorstanders is sinds 1993 met 12%
toegenomen en het aantal tegenstanders met 13% afgenomen. Uit een opiniepeiling die in
2002 is gehouden door SOFRES bleek dat 45% voorstander was van de uitbreiding van de
zomertijd naar het volledige jaar, dat 31,4% geen mening had en dat 26,3% tegen de
zomertijd was gekant.
Ten slotte moet worden vastgesteld dat het
zeer beperkte aantal recente opiniepeilingen over dit onderwerp het onmogelijk maakt
geldige conclusies te trekken, temeer daar de representativiteit en de resultaten van deze
opiniepeilingen variëren van land tot land.
EUROBAROMETER
Volgens de Eurobarometerenquête van 1990
was in de hele Europese Gemeenschap 57,4% van de mensen tevreden over de zomertijd.
Uit de Eurobarometerenquête van 1993 bleek
dat 54,5% van de inwoners van de toenmalige twaalf lidstaten van de Europese Gemeenschap
de voorkeur gaf aan eind oktober als einddatum van de zomertijd (de huidige regeling),
tegenover 38,4% aan eind september.
Contacten met de verenigingen en de burgers
ACHED, een Franse vereniging die gekant is
tegen de zomertijd in Frankrijk en Europa, heeft regelmatig contact opgenomen met de
Commissie. ACHED heeft brieven, nota's, artikelen en verslagen ingediend - het merendeel
uit de jaren 80 en 90 - waarin de auteurs zich, om diverse redenen, tegen de zomertijd
uitspreken. Voorts verwijst de vereniging ook naar een reeks oude studies over de gevolgen
van de zomertijd.
Andere verenigingen, waaronder die van de
betrokken sectoren, hebben geen contact opgenomen met de Commissie.
De Commissie ontvangt occasioneel brieven
van burgers die voorstander zijn van een wijziging van de huidige regeling (bv.
afschaffing van de zomertijd, zomertijd tijdens het hele jaar).
4. Conclusies
Op basis van de informatie waarover de
Commissie beschikt om dit verslag voor te bereiden, concludeert zij dat de analyse in het
voorstel voor de richtlijn nog steeds correct is: de zomertijd maakt het gemakkelijker om
's avonds hobby's te beoefenen en leidt tot een zekere mate van energiebesparing, maar
heeft voor het overige weinig gevolgen; de huidige regeling is dan ook geen punt van
discussie in de lidstaten.
De Commissie is dan ook van mening dat de
bij de richtlijn vastgestelde zomertijdregeling nog steeds voldoet. Geen enkele lidstaat
heeft aangegeven van de zomertijd te willen afstappen of de bepalingen van de huidige
richtlijn te willen wijzigen. Het is belangrijk de harmonisering van de kalender te
behouden om de goede werking van de interne markt - de essentiële doelstelling van de
richtlijn - te garanderen.
1 PB L 31 van 2.2.2001, blz. 21.
2 PB L 206 van 1.8.1997, blz. 62.
3 Zie de samenvatting van de conclusies in
de toelichting bij het voorstel voor Richtlijn 2000/84/EG.
4 De Commissie heeft de lidstaten in juni
2007 meegedeeld dat zij voornemens was deze conclusie te trekken in het geval een lidstaat
niet vóór eind juli 2007 had gereageerd. Dit verslag is dus gebaseerd op alle informatie
waarover de Commissie op 31 juli 2007 beschikte.
5 Bron: statistieken die gepubliceerd zijn
door ERELECTRIC.
6 Bron: statistieken die gepubliceerd zijn
door ERELECTRIC.
7 De overheidsinstantie die bevoegd is voor
het beheer van de wegen in Portugal
Kritiek op zomertijd
In de landbouw geeft de zomertijd
problemen, omdat het vee met de kunstmatige omschakeling van het uur niet om kan gaan. Zo
zullen koeien niet vroeger opstaan. Voorstanders beweren echter dat men van de zomertijd
meer profijt dan schade heeft, waarbij men vooral energiereductie aanhaalt als voordeel.
Een van de bezwaren van de zomertijd heeft te maken met de tijdzones. Tijdens de
wintertijd staat de klok in West-Europa al een uur voor op de zonnetijd, gedurende de
zomertijd wordt dit zelfs 2 uur. Het dagritme van mensen loopt dus niet synchroon met het
ritme van de zon, en 2 uur verschil wordt door sommige mensen als te groot ervaren. Vooral
landbouwers vinden dit een groot probleem aangezien hun dieren wel op zonnetijd leven. Een
ander veelgehoord bezwaar van de zomertijd/wintertijd is dat het elke keer een hele
aanpassing vergt van het dagritme van mensen om over te schakelen, vooral kinderen,
ouderen en avondmensen hebben hier last van, waardoor ze in de week na de aanpassing
oververmoeid kunnen raken. Verder wordt in twijfel getrokken of de lagere
verlichtingskosten de hogere airconditioningskosten wel compenseren. Ook een ander
voordeel, meer namiddagzon, wordt in twijfel getrokken aangezien mensen meer energie gaan
verbruiken door bijvoorbeeld met de auto te rijden.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Zomertijd#Kritiek
Het voordeel van zomertijd is nooit
aangetoond
http://www.nrcnext.nl/nieuws/wetenschap/article1027372.ece
Tweederde Duitsers tegen zomertijd
http://www.ad.nl/buitenland/2179048/Twee_derde_Duitsers_tegen_zomertijd.html