Vaccinatie & multiple sclerose
Multiple Sclerose MS betekent dat er harde
plekken zijn in het centrale zenuwstelsel. Hierdoor ontstaan vervolgens klachten zoals
verlammingen en storingen in het gevoel, zo staat te lezen in mijn medisch woordenboek van
Coëlho. De MS vereniging samen met de medische wereld geeft aan dat de precieze oorzaak
van MS niet bekend is. Maar
! Is dat wel zo? Het is waar dat MS vaker voorkomt in
koude dan in warme landen en volgens de medische autoriteiten komt het dan ook nog vaker
bij vrouwen voor dan bij mannen. Is het dan niet vreemd te noemen dat er plotseling grote
groepen (mannelijke) militairen tijdens de Tweede Wereldoorlog op afgelegen eilanden MS
kregen? MS als epidemie? Het is toch niet empirisch bewezen dat MS besmettelijk is?
Multiple sclerose epidemieën die tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog die mensen
in enorme aantallen troffen? Epidemieën die uitbraken op de Faroe eilanden, Hebriden,
IJsland, de Orkney en Shetland eilanden, in Californië, Japan én
geloof het of
niet.. In tweelingen!*
Lees verder
Johan J. van Dongen
Onderzoek toont bestendige rol van
vrouwen als zorgverstrekkers aan
Ondanks alle maatschappelijke veranderingen
zijn vrouwen nog steeds de belangrijkste toeverlaat voor anderen wanneer ze zorg of hulp
bij ziekte nodig hebben. Dat blijkt uit een grootschalig onderzoek van
professor Piet Bracke van de vakgroep Sociologie. De resultaten van het onderzoek werden
gepubliceerd in "The Journal of Family Issues".
Zorgnetwerken = familienetwerken
Doorheen de geschiedenis zijn vrouwen
steeds de voornaamste zorgverstrekkers geweest. Zorgnetwerken waren familienetwerken
waarin vrouwen een primaire rol speelden. In de studie werd nagegaan of
de recente gelijkschakeling van vrouwen en mannen hierbij tot een meer geslachtsegale
verdeling van de zorgtaken heeft geleid. In het onderzoek werden de hypotheses getoetst op
een representatieve steekproef van de Belgische bevolking (2700 mannen en 3100 vrouwen).
Uit het onderzoek zijn diverse conclusies
te trekken:
* Er bestaat nog steeds een belangrijke
hierarchie van zorgverstrekkers
De partner blijkt de voornaamste
mantelzorger, gevolgd door de ouders en (later) de volwassen kinderen (afhankelijk van de
levensfase). Vrienden, collega's, buren en verdere verwanten nemen slechts een
bescheiden plaats in;
* Vrouwen zijn de belangrijkste
zorgverstrekkers
Ondanks het feit dat veel mannen meer
zorgtaken op zich nemen dan heel wat vrouwen is het nog steeds zo dat vrouwen vaak de
belangrijkste mantelzorgverstrekkers zijn.
* De relevantie van verwantschap is
prioritair in de zorgverstrekking
Er blijkt een sterk onderscheid tussen de
zorg voor verwanten en de zorg voor anderen (vrienden, buren, collega's). Ondanks de
-zogenaamde- afname van de maatschappelijke relevantie van gezin en familie
blijkt dat deze nog steeds de voornaamste bron en focus van mantelzorg zijn.
* De relevantie van genderrelaties is
prioritair in de zorgverstrekking
Vrouwen blijven, ongeacht wijzigingen in
hun maatschappelijke positie, sleutelposities innemen in de zorg voor verwanten (kinderen,
ouders, kleinkinderen, partner). Zeer belangrijk daarbij is dat niet het geslacht van de
vrouwen op zich belangrijk is, maar de gendermixiteit van de zorgrelaties: vrouwen zorgen
voor moeders; kleindochters en zusters steunen elkaar in de zorg voor de grootouders;
zussen helpen elkaar bij de zorg voor zieke kinderen. Mannen treden eveneens op als
mantelzorgers, maar hun zorg is vaak secundair. Zo zien we dat ze hun zorgtaken overlaten
aan vrouwen wanneer de situatie hen uitnodigt, zoals zonen die minder investeren in de
zorg voor ouders wanneer zussen aanwezig zijn. Bovendien nemen ze minder gemakkelijk
zorgtaken op zich wanneer de vrouw die hen bindt aan de familie afwezig is, zoals na een
echtscheiding. Vrouwen nemen ten slotte nog meer zorgtaken op zich in groep dan alleen,
zoals wanneer meerdere zussen kunnen instaan voor de zorg voor hulpbehoevende ouders. Zo
worden families met een groter aantal vrouwen "als grootmoeders, dochters,
kleindochters en zussen" vaker gekenmerkt door een mantelzorgcultuur.
Air So Pure maakt luchtzuiverende
planten herkenbaar
Inspelend op de aandacht voor de positieve
effecten van levend groen op de gezondheid van mensen, heeft het plantenmerk Air So Pure
een vliegende start gemaakt. Binnen een jaar groeide de teeltoppervlakte van 170.000 naar
300.000 m2. Na de introductie (in oktober 2007) van de Air So Pure Spathiphyllum werd in
het voorjaar van 2008 met succes de Air So Pure Nephrolepis geïntroduceerd.
http://www.hortinews.com/news.php?id=16084
Ditta
NMa: prijzen gas en stroom kunnen
lager bij efficiëntere import
De prijzen voor gas en elektriciteit in
Nederland kunnen omlaag wanneer de buitenlandverbindingen efficiënter worden benut.
Hierdoor kunnen Nederlandse bedrijven en consumenten profiteren van goedkopere stroom en
gas uit omringende landen. Het voordeel kan oplopen tot zo'n EUR 30 miljoen op jaarbasis.
Dit concludeert de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) in haar rapport "Monitor
Energiemarkten 2007". De NMa oordeelt dat er door de landelijke netwerkbeheerders al
belangrijke stappen zijn gezet om de Nederlandse energiemarkten sterker te integreren met
de buitenlandse markten. Een voorbeeld hiervan is de dit voorjaar in werking getreden
verbinding van de Nederlandse elektriciteitsmarkt met de elektriciteitsmarkt in Noorwegen
(de zogenaamde NorNed-kabel). In de gasmarkt wordt sinds een jaar informatie over de
omvang van de beschikbare grenscapaciteit online verspreid, waardoor de transparantie voor
ondernemingen in deze markt is toegenomen. Desondanks blijkt uit de monitorrapportage dat
extra inspanningen noodzakelijk zijn om de groothandelsmarkt beter te laten werken. De
beheerder van het landelijke gastransportnetwerk (GTS) en de beheerder van het landelijk
hoogspanningsnet (TenneT) spelen daarbij een belangrijke rol.
Knelpunten gasmarkt oplossen
Uit de monitor blijkt dat de gasmarkt sterk achterblijft bij de elektriciteitsmarkt. Een
belangrijk knelpunt dat de werking van de gasmarkt hindert, is de onderbenutting van
buitenlandverbindingen. Bestaande importcapaciteit blijft nog vaak onbenut, ook wanneer
benutting wel rendabel zou zijn gezien het prijsverschil met de buurlanden. Volgens de NMa
is het noodzakelijk dat GTS nog meer inspanningen verricht om onbenutte capaciteit alsnog
ter beschikking te stellen aan marktpartijen. Een ander belangrijk aandachtspunt is het
zogenaamde balanceringsregime. Een systeem waarmee handelaren op marktconforme wijze hun
in- en uitgaande gasstromen in balans kunnen brengen, is een voorwaarde voor een betere
werking van de groothandelsmarkt. De Minister van Economische Zaken (EZ) kondigde begin
dit jaar in de Gasbrief aan dat het nieuwe systeem per 1 januari 2010 in werking zal
treden. De NMa verwelkomt deze stap. Daarnaast baart de ontwikkeling van de centrale
handelsplaats Title Transfer Facility (TTF) de NMa zorgen. Een volwaardige handelsplaats
voor gas is van groot belang voor de ontwikkeling van de gasmarkt en daarmee ook voor de
positie van Nederland als gasrotonde voor Europa. Een groter en meer divers
productenaanbod is nodig om deze marktplaats goed van de grond te krijgen. In de Gasbrief
kondigt de minister een wetswijziging aan waardoor marktpartijen voortaan al hun gas via
het TTF kunnen kopen. De NMa vindt onverkorte doorvoering van deze voorgenomen aanpassing
noodzakelijk. Het ministerie heeft de wetswijziging momenteel in voorbereiding.
Concurrentie elektriciteitsmarkt blijft
beperkt
De markt voor elektriciteit werkt naar het oordeel van de NMa beter dan de gasmarkt. Een
belangrijk aandachtspunt is het beperkte aantal aanbieders dat stroom produceert. De
prijzen zijn daardoor hoger dan wanneer er voldoende concurrentie zou zijn. De
concurrentie kan verbeteren als de Nederlandse elektriciteitsmarkt verder integreert met
de markten van buurlanden. Een van de middelen is het inzetten van zogenaamde
marktkoppeling. De koppeling van de Nederlandse elektriciteitsbeurs APX met die van
België en Frankrijk heeft al laten zien dat de grensoverschrijdende verbindingen
efficiënter worden gebruikt. De marktkoppeling met Duitsland en Noorwegen moet daarom zo
snel mogelijk tot stand komen. Het monitoren van de markten voor gas en elektriciteit is
een wettelijke taak van de NMa. De monitor Energiemarkten 2007 gaat over de
groothandelsmarkten voor gas en elektriciteit. In het vierde kwartaal publiceert de NMa
een rapport over de consumentenmarkten voor gas en elektriciteit.
Zorgverzekeraars Achmea stoppen met
kraamzorgveiling
De zorgverzekeraars van Achmea stoppen per
1 januari 2009 met de inkoop van kraamzorg via de kraamzorgveiling. Zij hebben dit
instrument in 2005 geïntroduceerd om het monopolie van grote kraamzorgcentra te
doorbreken. Door ook kleinere instellingen een kans te geven op de kraamzorgmarkt is de
keuzevrijheid voor de verzekerde vergroot en heeft de kwaliteit en klantgerichtheid in de
kraamzorg een impuls gekregen. Achmea betreurt het om met de veiling te stoppen, maar ziet
zich hiertoe genoodzaakt door het tekort aan kraamverzorgenden. Om een veiling optimaal
werkend te houden, is voldoende zorgaanbod immers een vereiste. Om kwaliteit in de
kraamzorg verder te stimuleren, gaan de Achmea zorgverzekeraars samenwerken met 'preferred
suppliers'. De zorgverzekeraars van Achmea willen kwaliteit en keuzevrijheid voor hun
verzekerden en komen hiertoe via baanbrekende initiatieven, waarbij zoveel mogelijk de
samenwerking met de zorgaanbieder wordt gezocht. Via de kraamzorgveiling - een instrument
dat in 2005 voor de nodige opschudding zorgde - is de marktwerking tussen kraamzorgcentra
op gang gekomen, waarbij ook kleinere aanbieders een rol hebben kunnen spelen. Vóór de
introductie van de kraamzorgveiling in 2005 werden klanten automatisch aan één van de
grotere kraamzorginstellingen toegewezen en viel er voor de verzekerde niets te kiezen.
Voor de zorgverzekeraars van Achmea was niet zichtbaar van welke kraamzorgcentra
verzekerden gebruik maakten en wat hun oordeel over de kwaliteit van deze aanbieders was.
De samenwerking van Achmea met Zorgveiling
B.V., die de kraamzorgveiling heeft uitgevoerd, is er beter inzicht gekomen in de vraag,
het aanbod en de prijs van de kraamzorg. Verzekerden kunnen bij de kraamzorgveiling een
voorkeur voor een kraamcentrum aangeven en krijgen deze van Achmea altijd gehonoreerd.
Kraamzorgcentra kunnen voor de groep verzekerden die geen voorkeur aangeven een prijs
bieden, waartegen ze de kraamzorg willen leveren. De Achmea zorgverzekeraars garanderen
kwaliteit door alleen afspraken te maken met instellingen die aan de basiskwaliteitseisen
van de kraamzorg voldoen en werken via het landelijk indicatieprotocol kraamzorg.
Verzekerden vullen na afloop van de kraamperiode een kwaliteitsenqu(ee)te in over hoe
tevreden zij zijn over de kraamzorg van de betreffende zorgaanbieder. Deze gegevens zijn
beschikbaar voor aanstaande ouders, zodat zij hier een keuze op kunnen baseren. Per 2009
gaat Achmea met het inkoopbeleid voor de kraamzorg een andere koers varen. De verwachting
is dat het veilinginstrument door de tekorten aan kraamverzorgenden de komende jaren niet
meer optimaal kan werken. Om toch kwaliteit te stimuleren, keuzevrijheid te bieden en
voldoende zorg te kunnen garanderen, willen de Achmea zorgverzekeraars dit najaar een
breed aanbod van kraamzorgcentra contracteren. Daarbij gaan zij werken met
prestatiebeloningen en preferred suppliers. Kraamzorgcentra die hebben bewezen goede zorg
te leveren, krijgen een meerjarenovereenkomst aangeboden met hogere tarieven. Preferred
suppliers moeten hiervoor bepaalde certificaten hebben (HKZ/BKE- en WHO-certificaat) en
een goede beoordeling hebben gekregen van hun klanten. De preferred suppliers moeten
bereid zijn om afspraken te maken over zorggarantie. Voor de niet-preferred suppliers
geldt een reguliere overeenkomst van een jaar met lagere tarieven. Afspraken over
zorggarantie met deze aanbieders zijn minder absoluut. De zorgverzekeraars van Achmea
bereiden op dit moment het contracteerbeleid van 2009 voor en verwachten de
kraamzorgaanbieders begin november een contractvoorstel te kunnen doen.
Cultuuromslag noodzakelijk in de
zorg
Ziet de zorg het nog zitten? Managers én
zorgprofessionals zijn ontevreden over hun organisatiecultuur. Dat blijkt uit het
Nationaal Onderzoek Zorgcultuur, uitgevoerd door Kikker Groep onder 1613 artsen,
verpleegkundigen, verzorgenden, managers en raden van bestuur. Dringend nodig is aandacht
voor mensen, marktgerichtheid en meer vernieuwing. De huidige cultuur is intern gericht:
de zorg is druk met de eigen organisatie en het eigen vak. De collegiale 'familiecultuur'
en de beheersmatige 'hiërarchiecultuur' scoren hoog. Dat moet anders, oordeelt de sector.
Marktwerking, veiligheid & verantwoording, personeelstekort en mondige consumenten
vragen juist om externe gerichtheid: anticiperen op markt en concurrentie, op behoeften
van patiënten, bewoners en cliënten, en sturen op resultaten en innovatie. De zorgsector
wil wel meer innovatie en dynamiek, vrijheid en verantwoordelijkheid om professioneel op
je eigen manier te werken. Maar de bijbehorende resultaatgerichte 'marktcultuur', gericht
op productie en klanten, wordt weggestemd in het onderzoek. In plaats daarvan wil de
zorgsector liever meer collegialiteit en aandacht voor de mens.
Werkdruk en fusies belemmeren vernieuwing
en aandacht
- Professionals ervaren leidinggevenden als
te productiegericht.
- Leidinggevenden vinden de cultuur iets
mensgerichter dan uitvoerende professionals.
- Zowel leidinggevenden als uitvoerende
professionals in alle deelsectoren snakken naar vernieuwing en mensgerichtheid.
- Thuiszorg en GGZ lijken het meest
ontevreden, de eerstelijns zorg het meest tevreden. Ziekenhuizen, verpleging &
verzorging, gehandicaptenzorg en overige zorg scoren ertussenin.
- Hoe groter de organisatie, hoe meer
hiërarchie en productie, hoe minder mensgerichtheid. Bij organisaties met meer dan 1000
medewerkers is radicale verandering gewenst. Het lijkt dus van belang om fusies zorgvuldig
te beoordelen.
De gewenste veranderingen zijn groot en
radicaal. Prof Kim Cameron, de hoogleraar achter het Organizational Culture Assessment
Instrument, vindt dat de scores 'nopen tot actie'.
Zakelijk en zorgzaam
Vooral de resultaatgerichte marktcultuur
geaccepteerd krijgen als 'zinvolle zakelijkheid, die bijdraagt aan goede zorg', kan een
uitdaging zijn. De succesvolle zorginstellingen van de komende jaren, zijn organisaties
die deze resultaatgerichtheid en innovatie weten te integreren met zorgzaamheid en
aandacht voor de mens. De zorgsector moet daarom serieus aan de slag met
organisatiecultuur. Vooral innovatief, effectief, inspirerend leiderschap op alle niveaus
is van groot belang. Goede 'people skills' dragen belangrijk bij aan een gezonde
zorgsector. Kikker Groep wil met het onderzoek bijdragen aan zo'n gezonde zorgsector.
Organisatiecultuur blijkt het grootste obstakel: circa 75% van de verandertrajecten faalt
daardoor. Het is tijd voor vernieuwing in de zorg die slaagt: zinvol, zorgzaam en
zakelijk.
Het rapport is gratis te downloaden op www.kikkergroep.nl
Eerste Kamer maant regering tot
respecteren staatsrecht
Het komt te vaak voor dat wetsvoorstellen
die nog niet door de Eerste Kamer zijn behan-deld door de regering worden gepresenteerd
als een voldongen feit. Dit is in strijd met staatsrechtelijke regels en gaat voorbij aan
de functie van de Eerste Kamer als medewetgever. In een brief aan de Minister-President
laakt de Voorzitter van de Eerste Kamer, mevrouw mr. Yvonne E.M.A. Timmerman-Buck het door
de regering vooruitlopen op nog bij de Eer-ste Kamer aanhangige wetgeving en vraagt zij
hem om een reactie.
Risicogroepen depressie doen
nauwelijks beroep op preventieve zorg
Minder dan een half procent van de 1,5
miljoen Nederlanders met beginnende depressieve klachten laat zich hiervoor door een
zorgverlener behandelen. Terwijl met de juiste zorg een volwaardige depressieve stoornis
in veel gevallen is te voorkomen. Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) heeft daarom
vastgesteld welke preventieve zorg bij de behandeling van beginnende depressie tot het
verzekerde basispakket behoort. Dit staat in het rapport 'Preventie van depressie:
verzekerde zorg?' dat het CVZ vandaag aan de minister van VWS aanbiedt. Volgens het CVZ
bedragen de kosten van depressie in Nederland 1,3 miljard per jaar in de
leeftijdsgroep 18 tot 65 jaar. Deze kosten worden deels gemaakt in de gezondheidszorg,
maar hoofdzakelijk in de arbeidsproductieve sfeer. Van de Nederlanders bevolking heeft
ieder jaar ongeveer 10% last van een beginnende -subklinische - depressie. Bij 1,5 miljoen
mensen is sprake van dreigende gezondheidsschade veroorzaakt door depressieve klachten. In
20% van de gevallen ontwikkelen mensen met een subklinische depressie namelijk een
volwaardige depressie. In Nederland krijgen jaarlijks gemiddeld 289.000 mensen een
depressie, terwijl het aantal bestaande gevallen zelfs op 589.000 ligt. Per jaar ontvangen
slechts 4.000 mensen met een subklinische depressie hulp voor hun klachten. Van een
(beginnende) subklinische depressie is sprake als een persoon langer dan twee weken één
kernsymptoom van een depressie heeft - bijvoorbeeld een sterk neerslachtige stemming - en
maximaal drie andere symptomen - bijvoorbeeld een ontregelde slaap, energiegebrek en
gebrek aan eetlust.
Verzekerde zorg
Subklinische depressies kunnen met verschillende vormen van psychologische zorg behandeld
worden. Het CVZ heeft vastgesteld dat de volgende therapieën tot de verzekerde zorg in de
Zorgverzekeringswet behoren:
* Cognitieve gedragstherapie: een mengvorm
van gedragstherapie en behandelingen die ontwikkeld zijn vanuit de cognitieve therapie:
een behandelvorm die gebaseerd is op het idee dat psychische klachten voortkomen uit de
wijze waarop mensen informatie selecteren en verwerken;
* Interpersoonlijke therapie: overwegend toegepast bij stemmings- en angststoornissen en
ontleent zijn kracht aan de sociale interactie tussen cliënt en hulpverlener;
* Problem solving therapy: een tot in detail uitgewerkt gespreksmodel dat
oplossingsvaardigheden van patiënten met depressieve klachten vergroot;
* Psycho-educatie: bevat onderdelen van de hierboven genoemde therapieën. Deze
behandelingen worden ook wel 'minimale interventies' genoemd.
Het CVZ overweegt in een vervolgonderzoek
vast te stellen of het verschuldigd zijn van een eigen bijdrage - van 10,- per
behandeling - de vraag om hulp bij depressieve klachten belemmert. In dit licht kan het
CVZ onderzoeken naar de effecten van de eigen bijdrage voor deze vorm van (eerstelijns-)
psychologische zorg.
Nierfunctiestoornissen na
stamceltransplantatie
Chronische nierziekten kunnen veroorzaakt
worden door een combinatie van factoren, zoals de voorbehandeling met chemotherapie en
totale lichaamsbestraling, nierschadelijke medicijnen en complicaties. Dat blijkt uit
onderzoek van Sabina Kersting dat zij verrichtte bij twee grote groepen van patiënten die
een stamceltransplantatie hadden gekregen in het UMC Utrecht. Chronische nierziekten
ontstaan bij meer dan 20% van de patiënten na een stamceltransplantatie
(beenmergtransplantatie). Vrouwen, oudere patiënten en patiënten met al een lichte
nierfunctiestoornis lopen een verhoogd risico. Het mechanisme dat aan chronische
nierziekten na stamceltransplantatie ten grondslag ligt is niet duidelijk. Daarnaast zag
Kersting dat, hoewel het merendeel van deze patiënten kort na transplantatie acute
nierproblemen kreeg, dit bij de meerderheid maar tijdelijk was. De oorzaak van deze
tijdelijke nierfunctiestoornis is waarschijnlijk het nierschadelijke medicijn cyclosporine
dat alle patiënten na een stamceltransplantatie krijgen. De bevindingen van Kersting zijn
van belang voor de meer dan 10.0000 mensen die jaarlijks wereldwijd een
stamceltransplantatie ontvangen vanwege een bloed- of lymfklierziekte. Behandeling volgens
de richtlijnen, opgesteld door behandelaren van nierziekten, dienen gevolgd te worden in
de hoop dat hiermee voorkomen kan worden dat deze patiënten aan de dialyse komen.
Universiteit Utrecht
Aderverkalking aanpakken via
biobank
In zijn onderzoek bestudeerde Willem
Hellings via de Athero-Express weefselbank patiënten die werden geopereerd aan de
halsslagader. In zes jaar tijd zijn in de weefselbank inmiddels meer dan duizend
patiënten geïncludeerd, waarvan de vaatwand werd geanalyseerd en de patiënten gedurende
drie jaar gevolgd. Hellings en collega's slaagden erin het ontstaan van terugkeer van de
vaatvernauwing na een vaatoperatie aan de halsslagader te voorspellen, op basis van de
samenstelling van de vaatwand. Dit onderzoek werd gepubliceerd in het toonaangevende
vaktijdschrift 'JAMA'. Verder ontdekten Hellings en collega's ook dat de samenstelling van
vaatwand voorspelt welke patiënten in de toekomst een hoge kans hebben op een hartinfarct
of een beroerte. De eerste voorspellende marker die hij in zijn proefschrift laat zien,
OPN, is geassocieerd met een viervoudig verhoogd risico op een hartinfarct of beroerte in
de eerstvolgende drie jaar.
Universiteit Utrecht
Defecten in de opbouw van
mitochondrieel complex I
Voor het dagelijks functioneren van ons
lichaam is veel energie nodig. Deze energie wordt geproduceerd in de vorm van ATP
(adenosinetrifosfaat). Dit gebeurt in de vele 'mini-energiecentrales', de mitochondriën,
die zich in vrijwel elke cel van ons lichaam bevinden. Oxidatieve fosforylering (OXFOS) is
de laatste biochemische stap in het productieproces van ATP. Dit proces wordt uitgevoerd
door vijf eiwitcomplexen die zich in de binnenmembraan van de mitochondriën bevinden.
Defecten van het OXFOS-systeem, zoals complex I-tekort, behoren tot de meest voorkomende
aangeboren stofwisselingsstoornissen. Complex I is de grootste van de vijf eiwitcomplexen.
De vorming van complex I is een gecompliceerd proces van assemblage van 45 individuele
subunits tot één membraangebonden eiwitstructuur. Dit proces wordt waarschijnlijk
gecoördineerd door enkele assemblage-chaperonnes. Rolf Janssen onderzocht hoe mutaties in
verschillende complex I-subunits de integriteit van complex I beïnvloeden. Bovendien
identificeerde hij de eerste humane assemblage-chaperonne van complex I en leverde hij een
functionele karakterisering van een tweede chaperonne, een belangrijke stap in het in
kaart brengen van het complex I-assemblageproces.
UMC St Radboud Nijmegen
Veel Parkinsonpatiënten ruiken
slecht
De ziekte van Parkinson gaat gepaard met
veel karakteristieke bijwerkingen. Zo treedt in een vroeg stadium van de ziekte vaak een
reukstoornis op. Uit onderzoek blijkt dat 75% van de Parkinsonpatiënten moeilijk geuren
kan ruiken en benoemen. Sanne Boesveldt onderzocht diverse aspecten van reuk bij
Parkinsonpatiënten. Zij promoveerde op vrijdag 3 oktober aan VU medisch centrum,
Amsterdam. Boesveldt deed onderzoek bij 400 Parkinsonpatiënten naar diverse functies van
reuk, waaronder identificatie (welke geur is dit?), concentratie (bij welke sterkte ruikt
patiënt de geur nog) en het kunnen onderscheiden en onthouden van geuren. Uit het
onderzoek blijkt dat zeker 65% van de Parkinsonpatiënten niet in staat is om geuren te
identificeren. Verder onderzocht Boesveldt welke combinatie van testen het beste is om de
reukproblemen op te sporen. Dit bleek een combinatie van een identificatietest (welke geur
is dit?) en detectietest (vanaf welke concentratie wordt een geur waargenomen?) te zijn.
Dit is een belangrijke bijdrage voor een vroege diagnose van de ziekte. Boesveldt
benadrukt hiermee hoe belangrijk het is dat mensen zich bewust zijn van hun reukvermogen.
Slechter ruiken kan namelijk een aanwijzing voor Parkinson zijn. Tenslotte bleek uit het
onderzoek dat de hersenactiviteit bij Parkinsonpatiënten anders is als bij gezonde
mensen. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor de verschillen in reukvermogen. Meer
onderzoek is nodig om de precieze oorzaak van de reukverschillen tussen
Parkinsonpatiënten en gezonde mensen op te sporen.
VU medisch centrum Amsterdam
Nieuwe genen ontdekt: 70% meer
risico op jicht
Onderzoekers van het Erasmus MC hebben twee
nieuwe genen voor jicht ontdekt. Personen met de genvarianten blijken tot 70% meer risico
te hebben op het ontstaan van jicht. De vondst is van belang voor het beter begrijpen van
het ontstaan van jicht. De onderzoekers hebben hun resultaten in the Lancet gepubliceerd.
Risico
De onderzoekers vonden dat personen met bepaalde genvarianten een hogere kans hadden op
het ontstaan van jicht. De nieuwe genvarianten, genaamd ABCG2 en SLC17A3, komen vaak voor:
respectievelijk bij één op de tien en één op de twee personen in de bevolking.
Personen met één van deze genvarianten hadden een tot 70% groter risico op jicht. De
onderzoekers deden hun bevindingen op basis van grootschalig onderzoek binnen het
Rotterdamse ERGO-onderzoek en twee grote Amerikaanse onderzoeken, waaraan in totaal meer
dan 25.000 mensen meededen. Het betreft een zogenaamd genoom-breed associatie onderzoek.
Grote teen
Jicht is een pijnlijke ontsteking die ontstaat door afzetting van urinezuurkristallen in
een gewricht, meestal in de grote teen. Het komt voor bij ongeveer 225.000 volwassenen in
Nederland. De nieuwe genen zijn vermoedelijk betrokken bij de uitscheiding van urinezuur
door de nieren. Volgens professor Jacqueline Witteman van het Erasmus MC kan de ontdekking
van deze genen belangrijke consequenties hebben voor het beter begrijpen van het ontstaan
van jicht. Op den duur kan dit leiden tot de ontwikkeling van nieuwe medicatie voor de
behandeling van jicht. Ook kan medicatie in de toekomst wellicht meer selectief wordt
voorgeschreven, zodat patiënten de medicatie krijgen waarop ze het beste reageren.
Effectief
In het genoom-brede associatie onderzoek wordt een groot aantal genetische variaties in
het menselijk genoom (het geheel van alle erfelijke factoren van een persoon) gerelateerd
aan het optreden van ziekten. Het is een effectieve methode om nieuwe genen voor ziekten
te vinden, zoals eerder al het geval was voor andere ziekten, zoals diabetes en
hartziekten.
Internationaal nieuws &
informatie
Zes milieu onderzoekstudies tonen
belangrijke risico's voor de gezondheid door plastic
Plastic World Findings on
Bisphenol A, Phthalates and Flame Retardants urge regulatory action
Exposure to Bisphenol A (BPA), phthalates
and flame retardants (PBDEs) are strongly associated with adverse health effects on humans
and laboratory animals. A special section in the October 2008 issue of Environmental
Research, A Plastic World provides critical new research on environmental
contaminants and adverse reproductive and behavioral effects. Plastic products contain
endocrine disrupting chemicals that can block the production of the male sex
hormone testosterone (phthalates used in PVC plastic), mimic the action of the sex hormone
estrogen (bisphenol A or BPA used in polycarbonate plastic), and interfere with thyroid
hormone (brominated flame retardants or PBDEs used in many types of plastic).
Two articles report very similar changes in
male reproductive organs in rats and humans related to fetal exposure to phthalates. Two
articles show that fetal exposure to BPA or PBDEs disrupts normal development of the brain
and behavior in rats and mice. Two other articles provide data that these chemicals are
massively contaminating the oceans and causing harm to aquatic wildlife. The other studies
integrate new laboratory research with a broader view reflecting exposures to a variety of
chemicals in plastic. These ubiquitous chemicals found in many plastics act independently
and together to adversely affect human, animal and environmental health.
The articles show amongst others the
massive contamination of the Pacific Ocean with plastic, and the amount of contamination
has increased dramatically in recent years; animal brain structure, brain chemistry and
behavioral effects from exposure to BPA and phthalate syndrome in rats
male offspring. For the first time a series of articles will appear together that
identify that billions of kilograms of a number of chemicals used in the manufacture of
different types of plastic can leach out of plastic products and cause harm to the brain
and reproductive system when exposure occurs during fetal life or prior to weaning,
emphasized Dr. Frederick vom Saal, Guest Editor of the Plastic World.
Not only are these studies of
scientific importance, they also contribute to the ongoing US congressional hearings
involving the Food and Drug Administration, remarked Gert-Jan Geraeds, Publisher of
Environmental Research, As such, The Plastic World has a broader
societal impact and raises awareness of increasingly important environmental issues.
Energy Saving lamps : Scientific
opinion on possible aggravation of symptoms for patients with specific diseases
On 23 September 2008, the Scientific
Committee on Emerging and Newly Identified Health Risks (SCENIHR) adopted an opinion on
the possible contribution of certain types of energy-saving lamps to the aggravation of
symptoms of patients with certain diseases. At present, there is a trend in the European
Union of promoting the wide-spread use of energy-saving light bulbs. Compact fluorescent
lamps (CFLs) are currently the main type of energy-saving light bulbs on the market. It
has been claimed that the symptoms of several diseases may be aggravated by the use of
compact fluorescent lamps and SCENIHR has been asked to evaluate the validity of these
claims. To begin with, the SCENIHR did not find suitable specific scientific data on the
relationship between CFLs and symptoms in patients with specific conditions.
Therefore, SCENIHR examined whether the
following three lamp characteristics could act as potential triggers for aggravation of
some disease-related symptoms:
· Flicker[1]
· Electromagnetic fields
· UV and blue light radiation.
Of all these CFLs properties, only UV/blue
light radiation was identified as a potential risk factor in the aggravation of existing
light-sensitive symptoms in some patients with diseases such as chronic actinic dermatitis
and solar urticaria. No evidence was found that would indicate that either EMF or flicker
could be a significant contributor. The Committee drew attention to the fact that under
extreme conditions (i.e. prolonged exposures at distances <20 cm) it has been observed
that some single-envelope CFLs may lead to UV exposures approaching the current workplace
limit set to protect workers from skin and
retinal damage. The SCENIHR notes though that the use of commonly available
double-envelope energy saving bulbs or similar technology would largely or entirely
mitigate the risk for approaching workplace limits on UV emissions in extreme conditions
described above, as well as the risk of aggravating the symptoms of light-sensitive
individuals Due to the lack of relevant data, the number of all light-sensitive patients
in the European Union, who might be at risk from the increased levels of UV/blue light
radiation generated by CFL is difficult to estimate. However, a preliminary rough
estimation of the worst-case scenario yields a number of around 250,000 individuals (0.05%
of the population) in the EU.
For more information on the SCENIHR opinion
please visit the following link:
http://ec.europa.eu/health/ph_risk/committees/04_scenihr/docs/scenihr_o_019.pdf
[1]modulation of light intensity perceived
by the human eye
Ditta
Ontario's road to a law cutting
toxic chemicals gets its first bump
The Ontario government is plugging away on
its plan to bring a measure of order to the way toxic chemicals are used. It should be a
no-brainer when front pages are filled with horror stories about bisphenol A and melamine,
but that's not the way laws are created.
Link
Swedish alternative medicine sector
in danger of fragmentation
Through government disinterest, the Swedish
CAM sector is in danger of being split between a mainstream medical sector that creams off
the more acceptable therapies and a diverse and disorganized alternative sector reluctant
to be held accountable to western medical standards.
Link
The Dark Side of Testosterone
Deficiency
In the online edition of the Journal of
Andrology, Dr. Abdulmaged M. Traish and associates reviewed the evidence linking decreased
plasma levels of testosterone, type 2 diabetes (T2D), and insulin resistance (IR). They
performed a literature search to generate the data in this review, and concluded that
androgen deficiency is linked with T2D, IR, metabolic syndrome (MetS), and increased
visceral fat deposition, which serves as an endocrine organ, producing inflammatory
cytokines that promote endothelial dysfunction and vascular disease. Some of the
interesting supporting data are as follow.
Link
Tissue Proteomics Technology to
Identify Protein Biomarkers of Metastasis
Over 200,000 cases of early-stage breast
cancer present for treatment decisions each year in North America. Proteins make up the
molecular pathways which control cell functions and are the targets of drug action. This
protein-based approach may yield valuable tissue biomarkers of breast cancer metastasis as
well as potential new cancer drug targets.
Link
T-shirts in Sweden contain toxic
chemical
The Swedish Society for Nature Conservation
(SSNC) was revealed that t-shirts sold in Sweden contain nonylphenol ethoxylates, a
chemical substance which can cause birth defects and cancer.
Link
The "Environment" for
Autism Research - Signs of Improvement?
In summary, the "environment" for
this area of research has improved, albeit slowly. Incorporation of specific objectives
targeting environmental risk factors in the IACC Strategic Plan, together with clues
emerging from ongoing studies and an increased recognition of the potential for
identification of preventable risk factors, should help to create a new sense of urgency
to address environmental hypotheses in ASD.
Link
Contaminants in Human Milk -
Weighing the Risks against the Benefits of Breastfeeding
Throughout human history, breastfeeding has
been the primary means of feeding infants. Human milk not only provides nutrients but also
supports the still-developing host defense system of the infant with a number of crucial
immunoregulatory and anti-inflammatory agents. Despite these and other benefits of human
milk, published reports of toxicants such as persistent organic pollutants and metals in
human milk have caused mothers and health professionals to question the safety of
breastfeeding. The research to date indicates that, despite the health risks posed by
these contaminants, breastfeeding nearly always remains the optimal choice for infant
feeding. Mothers in conflict and disaster situations also are advised to continue
breastfeeding rather than use commercial infant formula, because it is easier to meet the
nutritional needs of mothers than those of her nonbreastfed infant.
Link
Perinatal Bacterial Exposure May Be
More Important than Hepatitis for Liver Tumor Development
Helicobacter hepaticus, a bacterium
discovered in 1994 and widespread in many experimental mouse populations, is associated
with a high incidence of liver tumors in aging mice. A new mouse study shows that
perinatal exposure to this pathogen, rather than development of hepatitis itself, may be
the single most important factor in the development of liver tumors caused by H. hepaticus
[EHP 116:13521356; Diwan et al.]. The results support evidence from other studies
that progressive hepatitis and liver tumors in older mice may stem from early-life
exposure.
Link
Closure of Coal-Burning Plants
Could Improve Neurodevelopment
Coal burning, which provides up to 75% of
China's electricity, is the main environmental source of polycyclic aromatic hydrocarbons
(PAHs) in that country. Research in Europe, the United States, and Asia indicates that
prenatal exposure to PAHs increases the risk of reduced fetal growth and adverse
neurodevelopmental effects. Cofirmation for these studies comes in new research in China,
which suggests that reduction of prenatal exposure to PAHs was linked to improved
developmental outcomes in a small group of Chinese children.
Link
Strong Signal for Cell Phone
Effects
The importance of a thinner skull and
differing dielectric properties is confirmed by a study in the 7 June 2008 issue of
Physics in Medicine and Biology showing that a child's brain absorbs up to twice as much
RF as an adult brain. Children today will experience a longer period of exposure because
they start using cell phones at an earlier age, according to Hardell; this might be
important, because cumulative dose seems to have a strong influence on increased risk of
brain tumors. Kheifets adds, however, that "data are lacking on effects of exposures
on brain tumors in children . . . [and] other health effects need to be looked at as
well."
Link
CaseControl Study of Blood
Lead Levels and Attention Deficit Hyperactivity Disorder in Chinese Children
There was a significant difference in BLLs
between ADHD cases and controls. ADHD cases were more likely to have been exposed to lead
during childhood than the non-ADHD control subjects, with adjustment for other known risk
factors [children with BLLs ? 10 µg/dL vs. ? 5 µg/dL ; OR = 6.0 ; 95% confidence
interval (CI) = 4.108.77, p < 0.01 ; 510 µg/dL vs. ? 5 µg/dL, OR = 4.9 ;
95% CI = 3.476.98, p < 0.01]. These results were not modified by age and sex
variables. This was the largest sample size casecontrol study to date to study the
association between BLLs and ADHD in Chinese children. ADHD may be an additional
deleterious outcome of lead exposure during childhood, even when BLLs are < 10 µg/dL.
Link
The Relationship between Prenatal
PCB Exposure and Intelligence (IQ) in 9-Year-Old Children
hese results, in combination with similar
results obtained from a similar study in the Great Lakes conducted 10 years earlier,
indicate that prenatal PCB exposure in the Great Lakes region is associated with lower IQ
in children.
Link
Methylmercury and cognitive
functions in the child
Maternal exposure to methylmercury has been
associated with decrements in cognitive function in the child (Budtz-Jorgensen et al.
2007; Grandjean et al. 1997, 2005; Jedrychowski et al. 2006; Oken et al. 2005). The
developmental effects of maternal inhalation of low levels of metallic mercury vapor
during pregnancy have been explored primarily in animals [reviewed by Counter and Buchanan
(2004)]; however, in a study of women in Tagum, the Philippines, a fish-eating community
using metallic mercury in gold mining/processing, cord blood total mercury was associated
with developmental and language deficits at 2 years of age (Ramirez et al. 2003). A few
studies have shown a relationship between occupational mercury exposure and various
adverse reproductive outcomes using work setting or hair levels to define exposure
(Seidler et al. 1999; Sikorski et al. 1986). Less is known about the relation to birth
outcomes of lower-level, nonoccupational, metallic mercury exposure. A study, using
questionnaires to assess exposure, of pregnant women having mercury dental fillings
replaced during pregnancy showed no reductions in newborn birth weight (Hujoel et al.
2005).
Link
EU - Rapex Weekly Report
RAPEX is the EU rapid alert system for all
dangerous consumer products, with the exception of food, pharmaceutical and medical
devices. It allows for the rapid exchange of information between Member States and the
Commission of measures taken to prevent or restrict the marketing or use of products
posing a serious risk to the health and safety of consumers. Both measures ordered by
national authorities and
measures taken voluntarily by producers and distributors are covered by RAPEX. The report
includes detailed information on the products concerned, the risks, the notifying Member
State, and the measures adopted in
response. Pictures are included where available.
Link
Ditta