gezonde voeding


logo.jpg (7231 bytes)

Terug naar het hoofdmenu

Google

Nieuws okt 2005


Groter sterfterisico bij depressie na hartinfarct

Hartpatiënten die na een infarct depressieve klachten hebben, lopen ruim twee keer zo veel risico om te overlijden aan hartaandoeningen dan niet-depressieve hartpatiënten. Depressie na een infarct komt bij 17 procent van de hartpatiënten voor. Met name patiënten van wie de pompkracht van het hart na de infarct is afgenomen, hebben een grotere kans op een depressieve stoornis. Die is ernstiger naarmate de pompfunctie van het hart slechter is. Dat blijkt uit onderzoek van Joost van Melle van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Hij promoveert op 19 oktober aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Veel hartpatiënten hebben na hun hartinfarct last van depressieve klachten. Van Melle onderzocht of er een verband is tussen depressies na een infarct en het ontstaan van nieuwe hartklachten binnen twee jaar na het infarct. Uit zijn analyses blijkt dat het sterfterisico voor depressieve hartpatiënten ruim twee keer zo groot is.

Jonge patiënten
Dit was aanleiding voor een nieuwe studie, die werd gefinancierd door de Nederlandse Hartstichting. Van Melle benaderde een groep van 2177 hartpatiënten, afkomstig uit tien ziekenhuizen in Nederland. Hiervan bleek 17 procent depressieve stoornissen te hebben in het eerste jaar na hun infarct. De stoornissen bleken vooral voor te komen bij patiënten die al op jonge leeftijd een hartinfarct kregen en bij patiënten bij wie de pompfunctie van het hart sterk was afgenomen. Hier bleek ook dat de ernst van de depressieve klachten afhangt van de mate waarin de pompfunctie van het hart is verslechterd.

Voorbijgaande reactie
In zijn onderzoek ging Van Melle vervolgens na of het mogelijk is om met antidepressiva de prognoses van deze depressieve hartpatiënten te verbeteren. Van de mensen met depressieve stoornissen kreeg een deel een antidepressieve behandeling. Van Melle vergeleek hun met een groep die dit niet kreeg. Uit het onderzoek bleek dat behandeling van de depressie niet leidde tot een betere prognose van de hartklachten van de behandelde groep. Maar ook bleek dat bij circa 70 procent van de mensen die geen antidepressieve behandeling kregen, de depressie binnen 18 maanden na het infarct verdween. Het is dus mogelijk dat veel van de depressies na een hartinfarct een voorbijgaande reactie zijn op een levensbedreigende en stressvolle situatie.

Curriculum vitae
Joost van Melle ( Groningen , 1968) deed zijn onderzoek bij de vakgroepen Psychiatrie en Cardiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het onderzoek is gefinancierd door de Nederlandse Hartstichting. Hij promoveert tot doctor in de Medische Wetenschappen bij prof. dr. J. Ormel en prof dr. D.J. van Veldhuisen. De volledige titel van zijn proefschrift is: 'Depression after Myocardial Infarction: Etiological, Prognostic and Therapeutical Aspects'

Groei kankercellen veel eerder detecteerbaar

Kankerpatiënten die behandeld worden met straling of chemo-kuren moeten vaak maanden wachten voordat ze weten of de behandeling aanslaat. Onderzoek aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) kan er in de toekomst toe leiden dat deze wachttijd drastisch verkort kan worden, tot zelfs enkele dagen. Daarnaast kan het onderzoek bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen tegen kanker. Drs. Willem Mulder, promovendus aan de TU/e, heeft een doorbraak bereikt in het vroegtijdig detecteren van tumorgroei en –afname met behulp van Magnetic Resonance Imaging (MRI) technieken.

Op dit moment wordt in ziekenhuizen de werking van kankermedicijnen voor een belangrijk deel afgemeten aan de groei van tumoren die via MRI- of Röntgenopnames wordt bepaald. Vaak is een verandering van de grootte maar lastig op te merken. Artsen doen dat via het opmeten van het oppervlakte van de tumoren op de scans, of via het analyseren van een klein stukje tumorweefsel dat van de patient wordt afgenomen. Pas na enkele maanden kunnen artsen met zekerheid zeggen of tumoren gewoon doorgroeien, zijn gestopt met groeien of zelfs afnemen in grootte.

Contrastmiddel
De techniek van Willem Mulder gaat uit van een geheel ander principe. Hij kan de specifieke cellen zichtbaar maken die de groei van tumoren bepalen. Wat voorheen enkele maanden duurde, kan nu binnen een paar dagen. Die specifieke cellen, endotheelcellen genaamd, bevinden zich in bloedvaten. Omdat groeiende tumoren veel voedingsstoffen nodig hebben, vormen zich rondom de tumor veel nieuwe bloedvaatjes, waarbij de endotheelcellen opeens actief worden. Willem Mulder wist een vloeistof (contrastmiddel) met magnetische eigenschappen te ontwikkelen, dat zich aan de actieve endotheelcellen kan vasthechten. Bij een MRI-scan licht het contrastmiddel sterk op en kan tot op moleculair niveau de groei van de tumor vastgesteld worden.

Medicijnen
Hierdoor kan veel eerder de werking van kankerremmende medicijnen worden bepaald. Dit is van groot belang bij het testen van nieuwe medicijnen. In kortere tijd en tegen geringere kosten kunnen veel meer potentiële medicijnen worden getest, waardoor de ontwikkeling van nieuwe medicijnen drastisch versneld kan worden. Voordat deze vinding direct bij kankerpatiënten kan worden toegepast, kan het echter nog jaren duren, aldus Willem Mulder.

Jonge tumoren
Met eenzelfde techniek zouden in de toekomst ook beginnende kankergezwellen herkend kunnen worden. Op dit moment worden jonge tumoren pas op een later stadium door MRI- of CT-scans herkend. Met een soortgelijke techniek zouden beginnende bloedvaatjes in een veel vroeger stadium kunnen oplichten, waarmee behandeling een stuk eerder en effectiever ingezet zou kunnen worden. Daarnaast kunnen dit type magnetische contrastmiddelen ook worden ingezet bij het behandelen van hartinfarct en beroertes. Mulder ontwikkelde deze techniek bij de onderzoeksgroep van prof. dr. Klaas Nicolay aan de faculteit Biomedische Technologie van de TU/e.


Nieuw antitrombotisch antilichaam kan bloedingsrisico’s bij behandeling van hart- en herseninfarcten verminderen

Alles wijst erop dat er binnen enkele jaren een veilig geneesmiddel op de markt kan komen dat bloedklontering (trombose) tegengaat en dus hart- en herseninfarcten voorkomt. De huidige geneesmiddelen hebben het risico dat er als nevenwerking ongewenste bloedingen kunnen optreden. Maar aan de K.U.Leuven Campus Kortrijk is een antilichaam beschreven dat de voordelen van een antistollingsmiddel biedt zonder de nadelen. In het kader van haar doctoraatsonderzoek heeft Stephanie Staelens alle voorbereidingen getroffen om het antilichaam klinisch bruikbaar te maken bij de mens.

Hoe werkt bloedstolling? In het bloed zit een eiwit, ‘von Willebrand-factor’ of VWF. In de wanden van onze bloedvaten zit een ander eiwit, collageen. Als er een lek in een bloedvat ontstaat, wordt het collageen blootgesteld aan zijn omgeving en bindt het met VWF. Door die verbinding worden de bloedplaatjes in het bloedvat afgeremd. Ze klonteren samen en sluiten de beschadiging af, zodat het bloeden stopt.

Maar hetzelfde kan ook gebeuren als het bloedvat beschadigd is door aderverkalking. Dan gaat de klonter het bloedvat vernauwen of afsluiten. Dat is vaak de oorzaak van, bijvoorbeeld, een hart- of een herseninfarct. Om die klonters op te lossen of om klontervorming te voorkomen, worden bepaalde geneesmiddelen gebruikt, de zogenaamde antitrombotica. Maar die hebben het nadeel dat ze dan soms weer ongewenste bloedingen kunnen veroorzaken, wat een nieuwe levensbedreigende situatie kan veroorzaken.

Het ideale antitromboticum voorkomt dus klontervorming zonder dat het bloedingen veroorzaakt. In het Laboratorium voor Tromboseonderzoek van de K.U.Leuven Campus Kortrijk is enige tijd geleden een antilichaam beschreven dat daarvoor veelbelovend lijkt. Het antilichaam verhindert dat VWF bindt aan collageen en gaat dus klontervorming in vernauwde bloedvaten tegen. Tegelijkertijd blijft het bloedingsrisico laag.

In haar doctoraatsstudie ging Stephanie Staelens op zoek naar een manier om dat antilichaam, 82D6A3, klinisch bruikbaar te maken. Een eerste grote stap was het onderzoek naar de efficiëntie van het antilichaam bij het voorkomen van restenose. Bij patiënten die het risico lopen op een infarct omdat ze vernauwde kransslagaders hebben, worden die kransslagaders vaak ‘opengerekt’ met een ballonnetje (catheterisering) en buisje (stenting). Maar die ingreep beschadigt op zich al het bloedvat, waardoor de bloedplaatjes geactiveerd worden en er dus weer klontervorming optreedt. Er ontstaat ook littekenweefsel. Dat heet restenose en komt bij 10 procent van de behandelde patiënten voor. Staelens ontwikkelde diermodellen om de werking van 82D6A3 tegen trombose en restenose te testen. Hoewel er nog verder onderzoek nodig is, wijzen de eerste resultaten in de goede richting.

Tegelijkertijd werkte Stephanie Staelens aan de ‘vermenselijking’ van het antilichaam. Oorspronkelijk wordt het immers opgewekt in dieren, zodat het menselijk lichaam het wel eens zou kunnen beschouwen als een ongewenste indringer en een reactie opstarten. Het noodzakelijke omzetten en overbrengen van bepaalde aminozuren om 82D6A3 te vermenselijken deed alvast geen afbreuk aan de werking. Ten slotte voerde Staelens het voorbereidende werk uit om een afgeleide van het antilichaam aan te maken dat in de vorm van een pil kan worden toegediend. Dat is nodig om langdurige behandelingen te kunnen opstarten; de huidige manier van toedienen – door een inspuiting – voldoet daarvoor niet.


Moedermelk tegen HIV

Onderzoekers van het AMC en het VU Medisch Centrum hebben een stof in moedermelk gevonden die de overdracht van HIV naar het kind kan voorkomen. Deze factor, Lewis X, voorkomt dat het aidsvirus zich aan bepaalde cellen hecht. 'Het is niet de enige component in moedermelk die HIV weet te stoppen, maar we denken dat het een belangrijke is', stellen Bill Paxton en Marloes Naarding van de afdeling Humane retrovirologie in het AMC. De vondst kan gevolgen hebben voor de ontwikkeling van middelen die HIV-besmetting moeten voorkomen. Een publicatie hierover verschijnt vandaag in de online versie van The Journal of Clinical Investigation en zal begin november in de gedrukte uitgave staan.

Ongeveer een kwart van de zuigelingen die borstvoeding krijgen van hun seropositieve moeder, raakt daardoor besmet met het Humaan Immunodeficiëntie Virus (HIV). Hoe dat in zijn werk gaat, is voor het grootste deel nog een mysterie. Het virus moet immers eerst de slijmvliezen in de mond zien te passeren voordat het de bloedbaan kan bereiken.

Er zijn sterke aanwijzingen dat de dendritische cellen hierbij betrokken zijn. Deze cellen, die zich onder andere in de amandelen, de slokdarm en het maag-darmstelsel bevinden, pakken het aidsvirus beet met behulp van de DC-SIGN receptor en nemen het mee naar de lymfeklieren. Daar kan het de CD4-cellen, belangrijke spelers in het afweersysteem, infecteren.

'Aangezien HIV niet ieder kind besmet via de borstvoeding, moeten er remmende stoffen in de moedermelk aanwezig zijn', legt Naarding uit. 'Wij hebben één van die factoren gevonden.' Samen met groepsleider Paxton en onderzoekers van de afdeling Moleculaire celbiologie en immunologie van de VU toonde zij een stof in moedermelk aan die de binding van HIV aan de DC-SIGN receptor blokkeert. Het gaat om Lewis X, een component die van nature in menselijke moedermelk zit.

De vondst is van belang voor het ontwikkelen van middelen die de overdracht van HIV moeten tegengaan, en dan niet alleen via borstvoeding maar ook via geslachtsgemeenschap. Momenteel zijn er producten op de markt, de zogenaamde microbicides, waarin middelen zitten die de werking van HIV zowel rechtstreeks als indirect blokkeren. 'Je zou ook een stof als Lewis X bij deze cocktail kunnen stoppen', stelt Paxton. Het mooie van DC-SIGN is bovendien dat de receptor nog meer virussen en bacteriën kan oppikken, zoals Mycobacterium, cytomegalovirus en de veroorzakers van hepatitis C, ebola, dengue (knokkelkoorts), en leishmaniasis. Ook deze ziekteverwekkers zouden wellicht met behulp van Lewis X geblokkeerd kunnen worden. Het onderzoek dat tot de

JCI-publicatie leidde, werd gefinancierd door de Elizabeth Glaser Pediatric AIDS Foundation en het Aids Fonds.

Stichting spant rechtszaak aan tegen WAO-herkeuringen

Stichting Collectieve Rechtsvordering (CORV) wil namens iedereen met een WAO-uitkering die herkeurd is of wordt in het kader van het Schattingsbesluit 2004 gaan procederen tegen de Nederlandse Staat en/of het UWV. De inzet van CORV: ongedaan maken van deze herkeuringen.
Door de herkeuringen zullen 150.000 mensen met een WAO-uitkering, de helft van het totaal aantal WAO-ers, er flink in inkomen op achteruit gaan omdat ze minder of helemaal niet meer arbeidsongeschikt worden verklaard. Als CORV de zaak wint, gaat ze voor iedereen die zich bij de stichting heeft aangesloten de inkomensschade verhalen.

CORV stelt dat de herkeuringsoperatie onrechtmatig is. De WAO is namelijk gewoon een verzekering voor werknemers. En bij verzekeringen werkt het zo: mensen sluiten onder heldere voorwaarden een polis af en betalen premie in ruil voor uitbetaling bij schade. Bij de WAO heeft het kabinet de polisvoorwaarden veranderd, terwijl mensen al schade hebben geleden. Het is zoiets als een brandverzekering afsluiten en als het huis eenmaal
brandt te horen krijgen dat de polisvoorwaarden niet meer gelden of nog maar een beetje. De rechtszekerheid van mensen is hier in het geding. Het verlagen of stopzetten van uitkeringen is zelfs in strijd met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Volgens dit verdrag kan een uitkering niet zomaar van iemand worden afgenomen.

Mensen kunnen zelf naar de rechter stappen, maar zo'n zaak is gecompliceerd en duur. Daarom gaat CORV een procedure voeren met alle belanghebbenden samen. Om de kosten van de procedure te spreiden vraagt CORV aan individuele belanghebbenden 30 Euro in het CORV-fonds te storten.

Stichting CORV is in augustus 2005 opgericht en behartigt de belangen van mensen die geschaad zijn door de handelswijze van de overheid, instellingen, bedrijven of andere (rechts)personen. CORV bewandelt daartoe zo nodig de juridische weg en spant namens groepen mensen collectieve procedures aan.
Stichting CORV is opgericht door Jan de Jong, hoofd Bureau Beroepsziekten. Voormalig FNV-voorzitter Lodewijk de Waal, hoogleraar Sociaal Zekerheidsrecht Saskia Klosse, letselschadeadvocaat Wout van Veen en Jan Zwanepol, voorzitter van de Landelijke Vereniging voor Arbeidsongeschikten, zijn lid van de raad van advies.

 

Campagne 'Veilig Voedsel Wijzer'

Het Voedingscentrum start met een nieuwe campagne: Veilig Voedsel. Iedereen die meer over veilig voedsel wil weten kan een gratis informatiepakket aanvragen bij het Voedingscentrum. De 'Veilig Voedsel Wijzer' geeft inzicht in de veiligheidsaspecten van ons voedsel, zoals de totstandkoming van normen en de controle daarop. De wijzer geeft de consument antwoord op vragen als: hoe worden veiligheidsnormen met betrekking tot resten van bestrijdingsmiddelen bepaald? en wie controleert of de regels rondom het toevoegen van E-nummers worden nageleefd? Daarnaast staat er op de wijzer wat de consument zelf kan doen om het risico ziek te worden van voedsel te beperken.
De bijbehorende folder 'Opgroeien met veilig en gezond eten' is bedoeld voor ouders met jonge kinderen. Er staat praktische informatie in over onder andere zoetstoffen, tanderosie en babyvoeding.

Warenklachtenlijn
Heeft u vragen, klachten of twijfels over de veiligheid van consumenten producten of signaleert u iets dat de voedselveiligheid in gevaar kan brengen? Dan kunt u 7 dagen per week en 24 uur per dag de Warenklachtenlijn van de VWA bereiken op het gratis telefoonnummer
0800 0488 of via deze website.

Groente en fruit kunnen veel gezonder

De gehaltes gezonde stoffen in groente- en fruitproducten variëren zo sterk dat de mogelijke gezondheidsbeschermende werking van deze producten verre van optimaal is. Modelsimulaties van onderzoekers van Wageningen Universiteit voorspellen een verlaging van het risico op dikkedarmkanker in de orde van 45 procent (2700 gevallen per jaar) als de hele productieketen ervoor kan zorgen dat de gemiddelde gehaltes gezonde stoffen in groente- en fruitproducten een factor drie zouden stijgen. Ook moeten dezelfde producten qua gezondheidsstoffen veel minder sterk variëren dan de meer dan honderdvoudige verschillen die nu gevonden worden.

De gezondheidswinst lijkt realiseerbaar door selectie van groente- en fruitrassen, het optimaliseren van bewerkingsprocessen en goede consumentenvoorlichting, aldus de onderzoekers Matthijs Dekker en Ruud Verkerk van de leerstoelgroep Productontwerpen en kwaliteitskunde van Wageningen Universiteit. Zij presenteren hun onderzoeksgegevens vandaag in Egmond aan Zee tijdens een internationaal congres over het verbeteren van de gezondheidsaspecten van plantaardig voedsel met hun bijdrage: 'Improving the health value of plant foods - phytochemical optimisation'.

De Wageningse onderzoekers analyseerden de gehele productieketen van de grond tot de mond van zowel verse groente en fruit als verwerkte producten zoals sappen en kant-en-klaarmaaltijden. Zij brachten in kaart wat er gebeurt met belangrijke gezondheidsbevorderende stoffen zoals glucosinaten.

Volgens de onderzoekers is de veredeling, de teelt, opslag en verwerking van groente en fruit van oudsher gericht op het maximaliseren van de productie, het minimaliseren van verliezen door bederf en het behouden van een aantrekkelijk uiterlijk van de groente en fruit voor de consument. Groente en fruit bevatten echter belangrijke componenten voor de gezondheid van de mens. Voor vitamines en mineralen is dit al lang bekend, maar de laatste jaren wordt van steeds meer plantaardige stoffen zoals flavonoïden, carotenoïden en glucosinolaten duidelijk dat die een belangrijke beschermende rol spelen bij allerlei verouderingsziekten, zoals kanker, hart- en vaatziektes. Recent zijn er aanwijzingen bijgekomen voor de vertraging van het proces van dementie.

Talrijke zgn. epidemiologische studies naar een verband tussen de consumptie van groente en fruit, en verouderingsziekten, waarbij telkens gegevens over soms duizenden personen zijn verwerkt, blijken zeer variabel. Er worden wel beschermende effecten gevonden maar die vertonen een grote spreiding en verschillen sterk tussen de studies. De enorme variatie in de gehaltes in de geconsumeerde vorm van groente en fruit zijn mogelijk een verklaring voor de tegenstrijdige uitkomsten van gezondheidsonderzoekers.

Laboratoriumonderzoek naar de werking van de gezondheidsbescherming van diverse componenten uit groente en fruit laat veel duidelijkere effecten zien. Ook uit dierproeven en humane interventiestudies, waarbij bijvoorbeeld werd gekeken naar DNA-schade die aan verouderingsziekten gekoppeld is, geven veel eenduidiger effecten.

Productieproces
Vele stappen en keuzes in de productieketen bepalen het gehalte aan gezonde stoffen in het uiteindelijke product. De gekozen groente- en fruitrassen, de teeltcondities en na het oogsten de omstandigheden tijdens het bewaren en bewerken, zowel industrieel als in de keuken van de consument. De variatie is niet zichtbaar voor de consument, omdat deze producten niet de gehaltes aan deze stoffen op een etiket hebben staan.

Bron: Landbouwuniversiteit Wageningen

Nederlanders bewegen meer

Nederlanders bewegen meer in hun dagelijks leven, blijkt uit onderzoek van TNO. Voldeed in 2002 nog slechts 52 procent van de volwassenen aan de beweegnorm, nu is dat 60 procent. Staatssecretaris Clémence Ross van het ministerie van VWS is verheugd over de positieve kentering.

Deze ontwikkeling is daar ben ik van overtuigd voor een belangrijk deel het gevolg van het werk dat het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen in onder meer de FLASH!-campagne heeft verzet in samenwerking met vele partijenaldus Ross. De driejarige FLASH!-campagne die NISB sinds 2003 uitvoert, is erop gericht mensen te verleiden meer te bewegen in hun dagelijkse leven. De aanpak om naast massamediale aandacht voor bewegen ook te werken aan lokale verankering blijkt succesvol, beaamt de staatssecretaris.

Uit het TNO-rapport Bewegen in Nederland 2000-2004 blijkt dat de bewegingswinst niet bij alle groepen wordt geboekt. Vooral jongeren bewegen veel te weinig. Dat verklaart ook waarom steeds meer jongeren met overgewicht kampen. Jongeren moeten een inhaalslag maken aldus Ross tijdens een toespraak bij de opening van het nieuwe kantoor van NISB in
Bennekom. 

Verheugend is ook volgens Ross dat het aantal inactieve volwassenen, de mensen die nóóit een half uur per dag bewegen de laatste jaren is afgenomen van 9% naar 8%. Een mooi resultaat, maar nog onvoldoende. Vandaar dat het ministerie van VWS de campagne FLASH! voortzet en nieuwe campagnes aankondigt om overgewicht en diabetes te voorkomen. De staatssecretaris heeft haar ambities verwoord in de kabinetsnota Tijd voor Sport Hierin spreekt ze de wens uit dat in 2010 65% van de Nederlanders de beweegnorm haalt. Deze norm houdt in dat een volwassene vijf dagen per week minstens dertig minuten flink beweegt of minstens drie keer per week sport.


Kind erft darmflora van moeder

Keizersnede geeft meer kans op astma, eczeem en diabetes type 1

Ieder mens heeft een eigen darmflora. Deze bacteriecultuur is zo persoonsgebonden dat hij vergelijkbaar is met een vingerafdruk. Een kind erft van de moeder de darmbacteriën waarmee het tijdens de bevalling in aanraking komt. Een keizersnede is voor de ontwikkeling van de darmflora dus niet ideaal.

„Zo’n baby komt in een belabberde omgeving ter wereld”, verzucht prof. dr. L. M. A. Akkermans, gastro-intestinaal fysioloog en werkzaam in het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC Utrecht). „De bevalling heeft plaats op een operatiekamer in een steriele omgeving. Bij een natuurlijke geboorte passeert het kind het vaginale en anale gebied van de moeder. Dan begint bij de baby de natuurlijke kolonisatie van de darm met bacteriën. Kinderen die via een keizersnee worden geboren, missen die aanzet tot een natuurlijke darmflora”, legt Akkermans uit. „Het klinkt een beetje vreemd, maar eigenlijk zou je een kind dat via een keizersnede is geboren in contact moeten brengen met de ontlasting van moeder.

Klik hier voor het volledige artikel


Met voedingssupplementen afweersysteem `oppeppen'

Bron: Landbouwuniversiteit Wageningen

Prof. Harry Wichers: Met voedingssupplementen afweersysteem `oppeppen'

Met wetenschappelijke kennis van het menselijke immuun- of afweersysteem kunnen we voedingsmiddelen of supplementen ontwikkelen met een bewezen gezondheidsbeschermende of -bevorderende werking. Dat is van het allergrootste belang bij de introductie van zulke producten, want onwerkzaamheid, en in het ergste geval consumentenbedrog, zullen consumenten afschrikken en marktintroducties afremmen. Dat stelt prof.dr. Harry Wichers in zijn oratie bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Immuunmodulatie door voedsel op 6 oktober aan Wageningen Universiteit. Zo deed hij zelf onderzoek naar immuunmodulerende verbindingen in exotische schimmels en paddestoelen die een gunstig effect hebben op ons afweersysteem.

In zijn vakgebied richt Wichers zich op de vraag hoe het menselijk afweer- of immunsysteem beter te laten functioneren - of liever: beter in balans te houden - met behulp van voedsel of voedselbestanddelen. In zijn inaugurele rede, `Immuunmodulatie door voedsel. Zwammen wekken weerstand.', zegt hij dat de functionele voedingsmiddelen, met specifieke gezondheidseffecten voor specifieke consumentengroepen, een veelbelovend terrein vormen. Dat geldt voor de producent die daarmee geld kan verdienen, maar ook voor de consument die de kwaliteit van leven wil verbeteren, aldus Wichers. De kennis van ons afweersysteem laat zich heel goed inzetten bij de bestrijding van symptomen van allergie, zoals Wageningen UR dat gestalte geeft in het AllergieConsortium Wageningen.

Fascinerend afweersysteem
Ons immuunsysteem, legt prof Wichers uit, is fascinerend en ontzettend belangrijk. Het speelt een heel centrale rol bij allerlei chronische ziektebeelden en gerichte beïnvloeding, bijvoorbeeld via voedsel, is een veelbelovende benadering die de kwaliteit van leven positief kan beïnvloeden.
Overigens maakt voedsel niet alleen gezond maar vaak ook ziek. Zo is er bij dertig procent van de tumoren een relatie met de kwaliteit van ons voedsel, vooral de onderconsumptie van fruit en groenten en het eten van verkeerde vetten. Ook hart- en vaatziekten hangen daar nauw mee samen.

Ingrijpen
De precieze balans in het afweersysteem luistert nauw, aldus Wichers, die verder uitlegt dat dit systeem heel goed valt te stimuleren of `op te peppen'. Hij toont aan dat het mogelijk is om ziektebeelden te verlichten die samenhangen met een verstoring in de balans in het immuunsysteem. Een goed voorbeeld is allergie, immers ook een onbalans in het immuunsysteem. Wichers beschreef onderzoek naar pinda-allergische muizen die werden bijgevoederd met een immuunmodulerend preparaat dat bereid was uit een aantal eetbare paddestoelen, waardoor de allergische symptomen verdwenen.

Naast het gebruik van verbindingen die van nature voorkomen, is het ook mogelijk, zegt Wichers, om via een technologische benadering de uiteindelijke werking van voedingsmiddelen op ons afweersysteem te beïnvloeden. Als voorbeeld noemt hij ondermeer het gebruik van verwerkingstechnologie als methode om allergenen te inactiveren. Ook wijst hij op het inzetten van genetische modificatie, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van (hypoallergene) appels die weinig of geen allergische reacties veroorzaken.

Maar er zijn ook heel pragmatische benaderingen, legt Harry Wichers uit. Zo kunnen voedselproducerende bedrijven in hun bedrijfsprocessen veel beter rekening houden met het feit dat zij allergene grondstoffen verwerken. Zo kunnen zij bijvoorbeeld grondstoffen- en productenstromen zodanig scheiden dat zij kruisbesmetting voorkomen. Met een goede analyse van hun processen kunnen deze bedrijven zorgen dat hun productielijnen schoon en hun producten veilig zijn.

Harry Wichers (Groningen, 1955) studeerde Biochemie aan de Rijksuniversiteit Groningen. In juni 1985 promoveerde hij daar. Hij is programmaleider Voedsel en Gezondheid aan het onderzoeksinstituut Agrotechnology & Food Innovations van Wageningen UR. Hij is medeoprichter van het Allergie Consortium Wageningen, waarin een groot aantal partijen binnen Wageningen UR samenwerkt op het gebied van preventie van allergie.

 

 

 


 


View My Stats