gezondheidsnieuws - gezonde voeding - het geheim om af te vallen en een betere weerstand te krijgen


logo.jpg (7231 bytes)

Terug naar het hoofdmenu

Google

Rijksoverheid gaat meer biologisch cateren

Zes ministeries hebben intentieverklaringen ondertekend om hun catering 'biologischer' te maken. Deze ministeries willen variërend van 5 tot 20% omzet biologische producten in de bedrijfscatering in 2007. Dit is een eerste concrete stap die volgt uit de beleidsnota 'biologische landbouw' die het kabinet vorig jaar heeft aangenomen. Met de intentieverklaring zeggen de ministeries zich in te zullen spannen om het aandeel biologische producten in hun bedrijfscatering te verhogen. Ieder ministerie heeft een voor haar passend maar wel uitdagend percentage opgenomen in de verklaring. Dat percentage is vooral afhankelijk van de hoeveelheid biologische producten die nu al in het bedrijfsrestaurant worden verkocht. Voor het ministerie van VROM ligt dat nu anders dan bij het ministerie van Financiën. Op een bijeenkomst in Baarn, afgelopen donderdag, werd het voor de aanwezige cateraars, leveranciers en producenten duidelijk op welke doelstellingen bij de overheid zij in kunnen spelen; VROM gaat voor 20%, V&W, Buitenlandse zaken en Economische zaken streven naar 15 %, OCW gaat voor 10% en Financiën voor 5%. LNV streeft naar de volle 100% in 2007.


Westland introduceert nieuwe light kaas met slechts 7% vet

Westland Kaasspecialiteiten B.V., onder meer bekend van Maaslander en Old Amsterdam brengt een nieuwe slankkaas op de markt. Westland X-traLight is een jong belegen light kaas die slechts 7% vet bevat (10+). Naast voorverpakte plakken (de magerste kaas in de markt) is er ook X-traLight smeerkaas in drie varianten: naturel, belegen en een verfrissende nieuwe yoghurt smaak. Westland X-traLight kaas is er speciaal voor mannen en vrouwen die actief letten op de lijn en toch gewoon kaas willen blijven eten omdat ze het lekker en gezond vinden.

Hoe vet is vet?
Door toepassing van een nieuwe bereidingswijze is het Westland gelukt een light kaas op de markt te brengen die perfect past in een calorie-arm eetpatroon. Op veel kaasproducten wordt het vetgehalte met een getal en een plus weergegeven (bijvoorbeeld 20+ en 48+), wat bij veel consumenten verwarring oproept. X-traLight is met 10+ dus de magerste kaas op de markt en de verpakking van X-traLight spreekt duidelijke taal; er staat op dat er slechts 7% vet in de kaas zit. Kortom; ook in periodes wanneer mannen en vrouwen iets extra’s willen doen voor de lijn, zoals bijvoorbeeld na de feestdagen of vlak voor het ’bikini-seizoen’, kan kaas op het menu blijven staan met Westland X-traLight.

Slanke Kaas. Slimme Keus
Westland lanceerde deze maand ook de website www.xtralight.nl. Onder het thema ’Slanke Kaas. Slimme keus’ geeft diëtiste Ingeborg Driessens elke website bezoeker een persoonlijk advies om de juiste balans in gezond leven te vinden. Door middel van de ’balans test’ geeft ze tips over beweging en gezonde afwisseling in het eetpatroon. Op de website is ook gedetailleerde informatie te vinden over de Westland X-traLight producten en diverse acties.


Hoogervorst tekent overeenkomst met WHO

Bron: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) bundelen hun activeiten op het gebied van ziekte als diabetes en kanker, Hiv/Aids en TB en Gezondheidssystemen. Daartoe hebben minister Hoogervorst en dr. Lee Jong-wook, directeur-generaal van de WHO vandaag een overeenkomst getekend in Genève tijdens jaarlijkse de World Health assembly. VWS geeft voor de periode 2005-2008 18 miljoen euro. Volgens Hoogervorst is de WHO een van de best functionerende VN-organisaties en behoort Nederland bij de grotere financiers van de WHO. Hij ziet de samenwerking dan ook als een investering in de wereldgezondheidzorg.


4D-beeldverwerking in de oncologie

Bron: Universiteit van Amsterdam

Prof. dr. M.B. van Herk, bijzonder hoogleraar 4D beeldverwerking in de oncologie: Verwerking van beelden in beweging. Moderne scanners kunnen niet alleen statische driedimensionale (3D) opnames maken van organen en tumoren, maar ook films van de patiënt. Op deze manier wordt een vierde dimensie toegevoegd: de tijd. De onderzoeksgroep van Van Herk ontwikkelde software voor een nieuw soort bestralingstoestel dat werkt met vierdimensionale (4D) afbeeldingen. Dit bestralingstoestel heeft een geïntegreerde CT-scanner, waarmee de plaats en de beweging van de tumor vlak vóór de bestraling kunnen worden vastgesteld. Hierdoor kan men de bestralingsbundel preciezer op de tumor richten en zullen er minder bijwerkingen optreden, zelfs bij zeer agressieve behandelingen. De techniek is door het Nederlands Kanker Instituut (NKI)/Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (AVL) - wereldwijd - als eerste klinisch geïntroduceerd. In zijn oratie legt Van Herk uit hoe de 4D-beelden gebruikt worden om de bestraling van kankerpatiënten te plannen en om de behandeling beter te kunnen volgen en sturen. Daarnaast beschrijft hij andere toepassingen van deze technieken voor weergave en verwerking van beelden in beweging. Zo levert de samenwerking tussen het NKI/AVL en het Academisch Medisch Centrum (AMC) een kruisbestuiving op van technieken uit de radiotherapie en de diagnostiek. Het AMC heeft zeer geavanceerde diagnostische apparatuur in huis, waarbij men 4D-beeldverwerkingtechnieken nu gebruikt voor onderzoek naar de structuur van bloedvaten in het hart, de diagnostiek van prostaatkanker en de analyse van het effect van bestraling of drugsgebruik op de hersenen.


Goed zicht is méér dan alleen scherp zien

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Nieuwe lasertechnieken en chirurgische methoden maken het mogelijk om fouten in de optiek van het oog te corrigeren. Dat levert vaak een veel scherper beeld op. Maar scherper is niet altijd beter, waarschuwt oogarts Ying-Khay Nio. Het wegpoetsen van alle optische afwijkingen kan ten koste gaan van andere eigenschappen die voor een goed zicht belangrijk zijn, zoals scherptediepte. Een bril geeft nog altijd het beste resultaat. Nio promoveert op 1 juni 2005 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Nio deed oogmetingen in het Universitair Medisch Centrum Groningen bij gezonde proefpersonen en bij patiënten die een operatie hadden ondergaan voor staar of bijziendheid. Nieuw is dat hij ook metingen verrichtte aan ogen die níet scherp gesteld zijn, en dus 'uit focus' zijn. Daardoor kan hij als eerste een verband leggen tussen bepaalde optische afwijkingen in het oog en het hebben van scherptediepte na een oogcorrectie.

Afwijkingen zijn functioneel
Het oog vertoont van nature allerlei subtiele optische afwijkingen. Daardoor kan zich geen perfect brandpunt vormen. Dat gebeurt bijvoorbeeld als het brandpunt van de lichtstralen door de rand van het hoornvlies dichterbij ligt dan dat van de lichtstralen door het centrale, bollere deel van het hoornvlies. Dat gaat ten koste van de beeldkwaliteit. Daarom probeert men deze zogeheten aberraties met laserbehandelingen of oogoperaties kwijt te raken. Uit het onderzoek van Nio blijkt echter dat deze optische afwijkingen wel degelijk functioneel zijn.

Risico's
Het volledig weg-opereren of -laseren van aberraties is daarom niet zonder risico's. Het kan leiden tot minder scherptediepte. `Mensen die geen scherptediepte hebben, zien maar op één afstand scherp', zegt Nio. `Alles daar vlak voor of vlak achter is relatief wazig. Dat is erg onhandig in het dagelijks leven.' Bij jonge mensen, die dit verlies nog kunnen corrigeren door de lens aan te passen of te accomoderen, kan dit al tot klachten leiden. Oudere mensen verliezen vaak het vermogen om de lenssterkte te variëren. Voor hen is het verlies van scherptediepte ernstiger en vormt het een handicap.

Onnatuurlijk scherp
Bovendien is het volgens Nio de vraag of het netvlies en de hersenen wel berekend zijn op deze onnatuurlijk scherpe afbeeldingen. Ze hebben zich tijdens de evolutie juist aangepast aan een minder contrastrijke of gedetailleerde afbeelding van de buitenwereld. Een van de mogelijke gevolgen is onderbemonstering (aliasing). Een bekend voorbeeld van dit fenomeen is het schijnbaar achteruitdraaien van wielen op televisie, terwijl de auto of trein juist vooruit rijdt. In dit geval is de televisie niet opgewassen tegen de overvloed aan informatie.

Optimaliseren, niet minimaliseren
Vooralsnog is het niet mogelijk om álle imperfecties uit de oogoptiek te halen en dat is maar goed ook, vindt Nio. `Je moet niet streven naar het minimaliseren van aberraties, maar juist naar het optimaliseren ervan.' Vervolgonderzoek moet aantonen hoe aberraties gebruikt kunnen worden om het zicht als geheel te verbeteren.

Bril nog superieur
Nio vergeleek ook een aantal technieken voor de behandeling van bijziendheid, zoals de bril, harde en zachte contactlenzen, een laserbehandeling en het implanteren van een nieuwe lens. Geen enkele chirurgische techniek bleek het beter te doen dan de aloude bril. `Dat komt ook omdat laser- en operatietechnieken nog niet 100 procent succesvol zijn', zegt Nio.


Behandeling van depressie met antidepressiva én schildklierhormoon leidt tot bijwerkingen

Mensen met een traag werkende schildklier zijn vaker depressief. Vanwege die relatie wordt in de behandeling van depressie soms schildklierhormoon (T3) voorgeschreven. Uit twee gerandomiseerde klinische studies blijkt echter dat het geven van T3 in combinatie met de moderne klasse van antidepressiva (SSRI's) geen effect heeft. Sterker nog: patiënten die ook T3 kregen rapporteerden meer bijwerkingen. Wel bleek er een verband te bestaan met het schildklierstimulerend hormoon TSH: mensen met een hogere TSH-waarde in het bloed reageren beter op SSRI's.

Bron: Universiteit van Amsterdam


Piekerende patiënt heeft slechtere prognose

De wijze waarop patiënten omgaan met klachten aan arm, nek of schouder heeft grote invloed op het herstel. Degenen die veel piekeren over hun klacht of de neiging hebben zich terug te trekken, hebben een slechtere prognose. Dit blijkt uit het onderzoek waarop Sandra Bot op 13 mei 2005 promoveert aan het VU medisch centrum.

Ook patiënten die al lang last hebben van hun klacht voordat ze een huisarts raadplegen of herhaaldelijk dezelfde klacht ondervinden, blijken een slechtere prognose te hebben. Het hebben van meerdere klachten aan het bewegingsapparaat verlaagt de kans op herstel en vermindering van pijn en beperking.

Een huisarts met tweeënhalf duizend patiënten wordt circa 366 keer per jaar geconsulteerd vanwege een klacht aan de arm, nek of schouder. Slechts eenderde van de patiënten rapporteert volledig herstel na 1 jaar. Behalve dat arm- nek- en schouderklachten dus belastend zijn voor zowel de patiënt als de maatschappij (door verlies van arbeidsproductiviteit), vergroten ze ook de werkbelasting van de huisarts.

De informatie uit Bot’s onderzoek helpt de huisarts zijn patiënten beter te informeren over hun prognose. Daarnaast, stelt Bot, zijn patiënten te identificeren met een hoog risico op aanhoudende klachten en voor wie aanvullende diagnostiek of behandeling nodig is.


Ingenieurs helpen diagnose en behandeling van hersentumoren en epilepsie flink vooruit

Doctoraten over signaal- en beeldverwerking leiden tot betere scans en EEG’s

Aan de K.U.Leuven worden drie doctoraten verdedigd die het steeds grotere belang van ingenieurs in de geneeskunde illustreren. Telkens gaat het om verbeterde technieken voor signaalverwerking, beeldverwerking en patroonherkenning, ontwikkeld in het departement Elektrotechniek van de faculteit Ingenieurswetenschappen. De technieken zorgen ervoor dat dokters betere diagnoses kunnen stellen op basis van scannerbeelden, chemische analyses en EEG’s.

Twee doctoraten leidden tot een nauwkeuriger diagnose op basis van magnetische resonantie (MR). MR wordt gebruikt bij onder meer hersentumoren, multiple sclerose, epilepsie en ziekte van Alzheimer. De techniek levert niet alleen beelden van de concrete ziekteprocessen, maar geeft ook inzicht in de onderliggende biochemische processen en kan het effect van medicatie opvolgen.

Siddharth Srivastava verfijnde de toepassing van MRI (magnetic resonance imaging, de zogenoemde scannerbeelden) bij de pre-operatieve evaluatie van moeilijk te behandelen epilepsie. Tegen epileptische aanvallen worden doorgaans geneesmiddelen voorgeschreven, maar soms is er een operatie nodig. Dan haalt de chirurg hersenletsels weg die de epileptische aanvallen veroorzaken. Die letsels moeten vóór de operatie uiteraard heel precies afgebakend worden en zijn soms zo subtiel dat ze niet opmerkt worden bij visuele analyse van de scans. Srivastava ontwikkelde een computertechniek waarmee je op een scan automatisch kleine letsels kunt aantonen die verantwoordelijk kunnen zijn voor deze vorm van epilepsie.


Hoogervorst tekent overeenkomst met China

Minister Hoogervorst heeft vanochtend in Peking een samenwerkingsoverkomst getekend met minister Gao van Volksgezondheid van de Volksrepubliek China. De overeenkomst voorziet in een samenwerking in de preventieve gezondheidszorg gericht op het voorkomen en beheersen van infectieziekten.

Ondanks het verschil in grootte hebben China en Nederland veel gemeen, vooral de hoge bevolkingsdichtheden gekoppeld aan intensieve veehouderij. Minister Hoogervorst zei tegen zijn collega dat hij onder de indruk was van de ontwikkelingen in de Chinese gezondheidszorg.

De samenwerkingsovereenkomst is het resultaat van het werkbezoek in december vorig jaar van de Chinese premier Wen Jiabao aan Nederland. De premier heeft toen aangegeven graag samenwerking te zien tussen Chinese instellingen en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

De overeenkomst beslaat verder uitwisseling van kennis op het gebied van Hiv/Aids en tuberculose, innovatie van geneesmiddelen, eerstelijnszorg en voedselveiligheid.


Angst als vlek in de hersenen

Angst is op hersenscans zichtbaar als een verhoogde activiteit van de amygdala, ook wel de amandelkern genoemd. De reactiviteit van de amygdala wordt onderdrukt door andere hersengebieden, zoals de prefrontale schors. Bij mensen met angststoornissen werkt deze controle vanuit de prefrontale schors echter onvoldoende en is overmatige en irreële angst het gevolg. Promovenda Odile van den Heuvel verdedigt de conclusies van haar hersenscanonderzoek op 12 mei aan het VU medisch centrum te Amsterdam.

Odile van den Heuvel liet tijdens haar experimenten gezonde proefpersonen en patiënten met angststoornissen kijken naar vieze plaatjes of ze gaf hun emotioneel geladen woorden zoals ‘twijfel’ te lezen. De hersenscans van de gezonde proefpersonen lieten een verhoogde activiteit zien van de prefrontale schors. Echter, bij de proefpersonen met angststoornissen was juist een sterk verhoogde activiteit van de amygdala te zien. Van de prefrontale schors is bekend dat deze betrokken is bij allerlei sturende functies. Van den Heuvel concludeert daarom dat de angstklachten worden veroorzaakt door een falen van dit controlecentrum van de hersenen. Daarbij toonde de promovenda aan dat mensen met angstklachten ook slechter presteren bij emotioneel neutrale taken, zoals het oplossen van een denkoefening. Ook hier lieten deze proefpersonen een verstoorde functie zien van de prefrontale schors.

De resultaten van dit onderzoek zijn niet zonder slag of stoot verkregen. In de beginjaren van haar onderzoek leek het er zelfs op dat niet een verlaagde maar een verhoogde activiteit van de prefrontale schors verantwoordelijk was voor de angst. ‘Angst voor vuil is een vlek in het brein’, berichtte De Volkskrant in oktober 2000 naar aanleiding van de eerste resultaten. Later bleek echter dat deze vlek in de prefrontale schors een artefact was, veroorzaakt door beweging van het hoofd als reactie op de vieze plaatjes. Na correctie voor dit bewegen werd de echte vlek gevonden in de amygdala.

Het in beeld brengen van gevoel en gedachte en hun onderlinge interacties, zal op langere termijn bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe behandeltechnieken voor angst.


Sensor slaat alarm bij maagdarmproblemen

Bron: Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

Aan de Universiteit Twente heeft Sebastiaan Herber een sensor ontwikkeld die maagdarm-ischemie, ofwel een slechte doorbloeding van de maag, kan detecteren. Een kenmerk van maagdarm-ischemie is een te hoge concentratie koolzuur in de maag. De sensor meet die concentratie en weet daardoor hoe goed of slecht de maagwand is doorbloed. Onderzoeker Sebastiaan Herber promoveert 13 mei op dit STW-project bij Universiteit Twente.

Hoofdbestanddelen van de sensor zijn een pH-gevoelige polymeer (hydrogel) en een micro-druksensor. Het polymeer bevat een grote hoeveelheid water en krimpt of zwelt met de veranderende pH-waarde mee. Het polymeer is opgesloten tussen een micro-druksensor en een poreus, silicium deksel. In het deksel zit een reservoir met bicarbonaat elektrolyt, afgedekt door een gasdoorlatend membraan.

Het koolzuurgas vloeit vanuit de maag door het gasdoorlatend membraan de elektrolyt in, waar een reactie op gang komt die de pH-waarde verlaagt. Het pH-gevoelige polymeer wil als reactie zwellen. Aangezien het opgesloten is, bouwt het echter een druk op die de druksensor vervolgens meet. Dit proces kan twee kanten op werken: als de koolzuurspanning daalt, verhoogt de pH-waarde waardoor het polymeer krimpt en de druk afneemt.

De sensor is klein (2,9x0,9x0,7 mm3) en past gemakkelijk in een kathetertip. De kathetertip wordt via de neus in de maag gebracht en blijft daar totdat de meting is afgelopen. Herber ontwikkelde deze sensor om maagdarm-ischemie in een vroeg stadium op te sporen. Maagdarm-ischemie kan leiden tot pijn na de maaltijd, pijn na lichamelijke inspanning, diarree, misselijkheid en mogelijk ernstig gewichtsverlies.

Toekomstplannen
Metingen onder labcondities geven tot dusver veelbelovende resultaten. Binnenkort worden in het Medisch Spectrum Twente ziekenhuis nieuwe metingen uitgevoerd: een 24-uurs meting en een inspanningsmeting op een hometrainer. De sensor blijft in beide gevallen enige tijd in de maag en is dus bestand tegen zoutzuur. Voor de metingen ontwikkelt Herber een prototype katheter samen met Sentron Europe BV. Bij succesvolle metingen wil het bedrijf de sensor in productie nemen.

Daarnaast is er interesse in de mogelijkheid van de sensor om de koolzuurspanning in de hersenen van intensive care patiënten te meten. Door dit te meten kan iets gezegd worden over het herstel van de patiënt. Verder kan de sensor aangepast worden zodat er andere stoffen mee gemeten kunnen worden, zoals glucose of specifieke ionen.


Cannabis in de strijd tegen vetzucht

De afdeling Farmacochemie van de VU organiseert het vijftiende Noordwijkerhout-Camerino Symposium Trends in drug research, van zondag 8 tot en met vrijdag 13 mei. Prof. Raphael Mechoulam uit Jeruzalem is een van de sprekers.

Hij ontdekte de zogeheten cannabinoïden (de actieve bestanddelen van cannabis) die ons lichaam zelf maakt en die met cannabinoïde-receptoren reageren. Wetenschappers verwachten dat ze deze stoffen over niet al te lange tijd als geneesmiddel in de vorm van een pil kunnen introduceren, bijvoorbeeld voor de bestrijding van vetzucht.

Ze kunnen namelijk de eetlust doen afnemen. Deze en andere mogelijke toepassingen van cannabisachtige stoffen komen aan bod op het symposium.

In Nederland is het bedrijf Solvay Pharmaceuticals met een synthetisch cannabinoïde in een vergevorderd stadium van onderzoek. Het bedrijf rapporteert daarover op het symposium.

Het symposium is het vijftiende in een reeks die in de jaren zeventig begon. Om de twee jaar wordt een symposium georganiseerd, beurtelings in Italië (Camerino) en Nederland (Noordwijkerhout). Er staan diverse andere actuele thema s op het programma, zoals de vraag op welke manier men in een zo vroeg mogelijk stadium van het onderzoek naar een nieuw geneesmiddel een betrouwbare beslissing kan nemen over de vraag doorgaan of stoppen? .

Bron: Vrije Universiteit Amsterdam


Moleculen van lust zijn niet te koop

Je sprenkelt het op je en de vrouwen vallen voor je als een blok, beweren advertenties voor Androstenone®. De ‘revolutionaire men’s cologne’ bevat ‘wetenschappelijk geconstrueerde feromonen’, die de primitieve hersendelen van vrouwen prikkelen. De feromonen maken oerkrachten los die bij jouw natuurlijke verschijning normaliter blijven sluimeren. Natuurlijk werkt het niet, zegt dr Focko Rommerts. ‘Maar compleet onzinnig is het ook niet.’

Rommerts was dinsdagmiddag te gast op Zodiac en gaf daar zijn lezing over de moleculaire grondslagen van de lust. Wat drijft wezens tot paring? Moleculen, onder andere, zegt de biochemicus, die jarenlang in Utrecht en Erasmus Universiteit onderzoek deed naar testosteron.

‘Zeugen zijn bereid tot paring als ze op het juiste moment in hun cyclus androstenon ruiken’, zegt Rommerts, nadat hij door de zaal is gelopen en de aanwezigen heeft besproeid met androstenon. ‘Maar bij u werkt het minder. Voelt u al iets?’
Het antwoord is ‘neen’, al roepen enkele vrouwen dat ze de lucht ‘uitgesproken walgelijk’ vinden. Toch kan Rommerts onderzoeken laten zien waarin vrouwen zich beter op hun gemak voelen bij mannen, als die een apparaatje op hun lichaam dragen dat androstenon verspreidt.

In de neus bevindt zich een orgaantje dat het hormoon, dat sterk lijkt op testosteron, registreert. ‘Hersenen gaan anders om met geurprikkels dan met wat de andere zintuigen waarnemen’, licht Rommerts toe. ‘De prikkels van alle andere zintuigen worden eerst voorverwerkt door de cortex voor we ze waarnemen. De cortex kan signalen afzwakken of zelfs wegcensureren. Maar geur nemen we direct waar.’

Mannetjesmuizen herkennen andere mannetjes aan hun androstenon. Genmuizen waarbij het androstenonorgaantje niet meer werkt vechten daarom ook niet met andere mannetjesmuizen. ‘Maar ze copuleren er wel mee’, aldus Rommerts. ‘Make love, not war. Het kan dus echt.’

Natuurlijk is lust niet alleen een zaak van androstenon. Neurotransmitters zijn ook belangrijk, zegt Rommerts. ‘Als het gaat om neurotransmitters lijkt het effect van seks op dat van drugs. Drugs als XTC of cocaïne verhogen de concentratie van neurotransmitters als serotonine en dopamine in de hersenen. Die neurotransmitters stimuleren op hun beurt weer de genotcentra in de hersenen, de plaatsen waar we gevoelens van plezier genereren. Andersom remmen neurotransmitters de pijncentra, die het tegenovergestelde doen. Seks doet hetzelfde. Maar dan zonder de bijwerkingen.’

Rommerts betwijfelt of onderzoekers er ooit in zullen slagen om een middel te maken dat doet wat de advertenties voor producten als Androstenone® valselijk beloven. ‘Op moleculair niveau zijn er misschien wel twintig stoffen die voor het ontstaan van lustgevoelens belangrijk zijn’, zegt hij. ‘In een laboratoriumsetting, waar je die twintig stoffen op het juiste moment en op het juiste ogenblik kunt toedienen, ja, daar zou je misschien lust kunnen opwekken. Maar in het echte leven niet.’

[Bron: WK]


Cochleair implantaat voor doven geeft betere muziekkwaliteit

Volledig dove mensen kunnen opnieuw muziek horen en melodieën herkennen dankzij een nieuwe techniek voor cochleaire implantaten. De techniek geeft de patiënten een veel beter gevoel voor toonhoogte. Daardoor kunnen ze ook beter sprekers herkennen of intonatie horen. Speciaal voor doven uit Azië kan dat heel belangrijk zijn, omdat in Aziatische talen de toonhoogte heel belangrijk is. De techniek werd ontwikkeld door Johan Laneau in het kader van zijn doctoraatsonderzoek.

Elk jaar worden er in Vlaanderen zo’n 30 kinderen geboren met een ernstig gehoorverlies in beide oren. Ook op latere leeftijd verliezen mensen soms hun gehoor door ziekte, ongeval of ouderdom. Doofheid kan nog niet genezen worden. Daarom werd in de jaren tachtig en negentig het cochleair implantaat ontwikkeld. Dat is een hoorapparaat dat doven opnieuw laat horen en communiceren.

Een cochleair implantaat wordt chirurgisch in het binnenoor van de patiënt ingebracht en stimuleert daar rechtstreeks de gehoorzenuw met elektrische pulsen. De reactie van de gehoorzenuw op de elektrische pulsen wekt een bepaald geluid op bij de patiënten. Met dit apparaat kan een ernstig slechthorende opnieuw of voor de eerste keer horen. Maar er zijn een paar nadelen. Hoewel spraak vrij duidelijk kan klinken in een stille omgeving, klinkt muziek erg slecht met een cochleair implantaat.

Johan Laneau onderzocht daarom eerst hoe patiënten met een cochleair implantaat toonhoogte ervaren, of met andere woorden: welke fundamentele mechanismen een rol spelen als patiënten met een cochleair implantaat toonhoogte bepalen. Die informatie werd in de tweede fase gebruikt voor het ontwerpen van een nieuwe techniek die het gevoel voor toonhoogte verbetert.

Elk cochleair implantaat berekent welke elektrische pulsen het cochleair implantaat moet uitsturen naar gelang van het signaal dat wordt opgenomen door het microfoontje. Met de nieuwe techniek zijn de berekende elektrische pulsen geoptimaliseerd om de toonhoogte zo correct mogelijk door te geven. Uit testen met proefpersonen bleek dat het gevoel voor toonhoogte tot driemaal beter was. Een gevolg was dat dankzij deze nieuwe techniek de proefpersonen meer melodieën konden herkennen.

Op die manier kunnen dove mensen met hun cochleair implantaat weer naar muziek luisteren. Hoewel dankzij de techniek de geluidskwaliteit sterk verbeterd is, is ze wel nog niet te vergelijken met de kwaliteit die horenden waarnemen. Daarom moet de techniek verder geëvalueerd worden voor hij op grote schaal gebruikt kan worden.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Johan Laneau van de K.U.Leuven op het telefoonnummer 016-33 24 16. Laneau verdedigt zijn doctoraat ‘Als doven naar muziek luisteren. Toonhoogtewaarneming met een cochleair implantaat’ op 2 mei. Het onderzoek gebeurde in samenwerking met de afdeling Experimentele Oto-Rino-Laryngologie (Neurowetenchappen, Geneeskunde) en de afdeling Signalen, Identificatie, Systeemtheorie en Automatisatie (ESAT, Ingenieurswetenschappen).


Ontbijt dat je kanker kan geven

Ontbijten is belangrijk, dat weten we allang. Ik heb reeds geschreven dat we moeten oppassen voor ontbijt met hoge gehaltes suiker, want het is slecht voor onze kinderen en slecht voor onszelf. Maar dat je ook kanker kunt krijgen van je ontbijtgranen was ook voor mij nieuw. Dit bericht komt van de Stockholm Universiteit waar men ontdekte dat er kankerverwekkende stoffen zitten in veel ontbijt samenstellingen. Er blijkt acrylamide vrij te komen bij het koken van bepaalde
bewerkte voedingsmiddelen. Acrylamide wordt gebruikt bij het chemisch behandelen van rioolwater en drinkwater. Dit blijkt ook voor te komen in voeding zoals chips, frietjes, brood, rijst en graansoorten die bij het ontbijt gebruikt worden.

De Britse Inspectie vond dat bijvoorbeeld Kellog's Rice Crispies en de beroemde chips van Pringles een heel hoge concentratie acrylamide vertoonden. Bij ratten veroorzaakt deze stof o.a. baarmoeder- en borstkanker en leidt tot genetische
afwijkingen in het DNA. Het is dus gezonder om de goede koolhydraten te krijgen van vers fruit, groenten, eieren enbiologisch brood en graansoorten. Hoe minder bewerkt hoe beter. Hierna vind je de bronnen van onderzoek:

1. Swedish Scientists Find Cancer Agent in Staple Foods;
Reuters News: April 23, 2002.
2. Mercola, Joseph Dr.; Does Acrylamide in Common Cooked Foods
Cause Cancer?; www.mercola.com
3. New Tests Confirm Acrylamide in American Foods, Center for
Science in the Public Interest; June 25 2002
4. Robert Uhlig; World Alert Over Cancer Chemical in Cooked
Food; Telegraph.Co.UK, 5/18/2002

[Bron: Nieuwsbrief Roy Martina Mei 2005]

Aanvullende informatie:

Onderzoek van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) bevestigt de aanwezigheid van acrylamide in diverse Nederlandse voedingsmiddelen. De VWA trof de hoogste gehaltes acrylamide aan in chips, zoutjes, pepernoten en ontbijtkoek. In patat werd acrylamide in mindere mate aangetroffen. In kleinere hoeveelheden komt acrylamide voor in kruidnootjes, brood, beschuit, cornflakes, crackers, donker roggebrood, toast en koffie. Dit beeld komt overeen met de bevindingen in omliggende landen. In overleg met de industrie probeert de VWA de vorming van acrylamide in voedingsmiddelen zoveel mogelijk te beperken. Uit voedselconsumptiecijfers blijkt dat verhitte aardappelproducten, zoals chips en frites, de belangrijkste bronnen van acrylamide zijn voor de consument.


Gentherapie tegen reuma

De komende twee jaar werkt het AMC samen met het Dubai Bone & Joint Center aan een nieuw medicijn tegen reumatoïde artritis. Dankzij een Arabische investering kan het bedrijf Arthrogen b.v., een spin off van het AMC, zich de komende tijd richten op de verdere ontwikkeling van gentherapie tegen diverse vormen van reuma.

Gentherapie lijkt goede perspectieven te bieden voor de behandeling van reuma. Deze benadering heeft als belangrijk voordeel dat het geneesmiddel zijn effect specifiek uitoefent waar het nodig is: op de plaats van de ontsteking. De standaardtherapie bestaat uit geneesmiddelen die het gehele lichaam bereiken, wat aanleiding kan geven tot bijwerkingen zoals een verhoogde kans op infecties. Bij gentherapie daarentegen, probeert men met een speciaal, kreupel gemaakt boodschappervirus – een zogenaamde vector – therapeutische genen uitsluitend op die plekken te krijgen waar ze nodig zijn. De betreffende genen coderen voor eiwitten die de ontsteking remmen, waaronder zogenaamde TNF-alpha blokkers.

Samen met het Franse onderzoeksinstituut INSERM toonde de afdeling Klinische immunologie en reumatologie van het AMC de afgelopen jaren aan dat de vector AAV5 (adeno associated virus serotype 5) hiervoor geschikt is. De vector wordt geproduceerd door een ander aan het AMC gelieerd bedrijf, AMT (Amsterdam Molecular Therapeutics).

Het Dubai Bone & Joint Center, een privé-kliniek in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), is gespecialiseerd in aandoeningen van het bewegingsapparaat. De kliniek investeert de komende jaren enkele miljoenen euro’s in Arthrogen.

In Nederland lijden naar schatting circa 150.000 mensen aan reumatoïde artritis. Dat aantal zal nog verder groeien door de vergrijzing.


Cellulaire geneeskunde: het enige wetenschappelijke alternatief voor de falende chemotherapie

In oktober 2004 maakte het Duitse tijdschrift ‘Der Spiegel’ het falen bekend van 50 jaar kankerbehandelingen door de farmaceutische industrie. Onder de kop ‘Gifkuur zonder nut’ werden de statistieken van een halve eeuw samengevat. Miljoenen mensen vernamen dat de slachtoffers van chemotherapie door dit celgif geen dag langer leven!

De afgelopen jaren, en parallel aan dit dramatische feit, is er een wetenschappelijk gefundeerd alternatief gekomen, dat reeds door duizenden mensen wordt gebruikt: cellulaire geneeskunde; een werkzame, natuurlijke geneeswijze zonder bijwerkingen.

De grondslag voor het succes van cellulaire geneeskunde in de strijd tegen kanker is het inzicht dat alle soorten kanker zich via hetzelfde mechanisme uitbreiden. Kankercellen produceren enzymen (een soort biologische messen) waarmee ze zich in het weefsel kunnen uitzaaien (metastaseren). Bepaalde vitaminen en andere cellulaire voedingsstoffen zijn in staat om de productie van deze biologische messen af te remmen en daardoor de uitzaaiing van de kankercellen tegen te houden.

Dit baanbrekende inzicht van de arts en wetenschapper dr. Matthias Rath werd onmiddellijk ondersteund door tweevoudig Nobelprijswinnaar Linus Pauling.

Het valt te voorzien dat kanker dankzij cellulaire geneeskunde spoedig geen doodvonnis meer zal zijn. Daarmee zal de miljarden euro’s omvattende farmaceutische handel in deze ziekte in elkaar storten. Daarom is het geen wonder dat het farmaceutisch kartel en de opinieleiders in de media die ervan afhankelijk zijn, tekeer gaan tegen cellulaire geneeskunde en tegen dr. Rath.

Meer informatie hier


Gen dat Roberts syndroom veroorzaakt gevonden

Een internationaal onderzoeksteam, waarbij ook de oncogenetica groep van het VU medisch centrum, onder leiding van prof dr. Hans Joenje was betrokken, heeft het gen gevonden dat het Roberts syndroom veroorzaakt. Bijzonder, omdat dit gendefect kan leiden tot een ongewoon chromosomen aantal, een verschijnsel dat ook bij kankercellen voorkomt.

Het Roberts syndroom is een ernstige aandoening. Een op de vijf patiënten overlijdt al voor de geboorte, een groot aantal vlak daarna. De sterfte wordt met name veroorzaakt door een defect aan het hart. Ook andere organen zijn vaak slecht ontwikkeld. Verder vertonen patiënten met het Roberts syndroom algehele groeiachterstand, hebben korte of bijna afwezige armen, benen, vingers en tenen, nierafwijkingen, oogafwijkingen, een tweezijdig gespleten lip en verhemelte.

Bij de celdeling van de patiënten met het Roberts syndroom verdeelt het DNA zich niet gelijk over de twee cellen. Dat komt door een defect op de plekken waar het DNA vlak voor de celdeling bij elkaar gehouden wordt. Middels onderzoek binnen een cluster van Colombiaanse patiënten en genetische technieken kon worden vastgesteld dat het zogenoemde ESCO2-gen op chromosoom 8 verantwoordelijk is voor dit defect. Over de functie van dit ESCO2-gen was tot nu toe niets bekend.

Patiënten met het Roberts syndroom hebben van beide ouders een defecte kopie van ESCO2 gekregen. Hierdoor wordt het DNA na verdubbeling niet goed aan elkaar gekoppeld en ontstaan fouten in de celdeling. De ontdekking maakt een definitieve diagnose en prenatale tests of pre-implantatie diagnostiek mogelijk.

Omdat het ESCO2-gen een rol speelt bij de structuur van chromosomen kan het van belang zijn voor het kankeronderzoek. Net als bij cellen van patiënten met het Roberts syndroom verliezen ook kankercellen chromosomen of hebben er juist meer.

De resultaten van het onderzoek worden deze week gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Nature Genetics.

Aanknopingspunten voor effectievere behandeling ziekte van Crohn

Bacteriën spelen een cruciale rol bij het ontstaan van de ziekte van Crohn. De regulerende rol die het immuunsysteem speelt bij het bestrijden van de darmontsteking is bij Crohn-patiënten defect. Dit concludeert gastro-enteroloog in opleiding Frank Hoentjen in zijn onderzoek naar oorzaken en behandeling van de ziekte van Crohn. Hoentjen promoveert vrijdag 29 april a.s. aan het VU medisch centrum op zijn proefschrift dat de titel ' Mechanisms of bacterial-induced experimental colitis' draagt.

De ziekte van Crohn is een chronische darmontsteking die zich meestal opjongere leeftijd presenteert en die niet spontaan geneest. Eén van de oorzaken voor het ontstaan van de ziekte van Crohn zijn darmbacteriën. Hoentjen werkte in zijn onderzoek met muizen en ratten. Deze dieren ontwikkelden door genetische veranderingen spontaan chronische darmontsteking wanneer er niet-pathogene (commensale) bacteriën in hun systeem aanwezig waren. Bij dieren zonder deze niet-pathogene bacteriën bleef een ontsteking uit. Hoentjen toonde aan dat muizen met dikke darmontsteking (colitis) baat hebben bij behandeling met antibiotica. Daarbij liet hij zien dat specifieke antibiotica effectief zijn op verschillende delen van de darmen. Ook werd aangetoond dat Lactobacillus GG, een bacterie met een potentieel beschermende werking (probiotica), darmontsteking kon voorkomen na antibiotische behandeling. Tevens bleek dat bepaalde suikers (prebiotica) de groei van deze beschermende bacteriën kunnen stimuleren en daarmee colitis gedeeltelijk kunnen voorkomen.

Een andere oorzaak voor de ziekte van Crohn is chronische stimulatie van het immuunsysteem. Onder meer is door Hoentjen gekeken naar het proces dat plaats vindt in een dendritische immuuncel op het moment dat deze door bacteriën wordt gestimuleerd. Deze stimulatie kan door de beschermende stof interleukine worden geremd. Dit gebeurt specifiek door de remming van de aanmaak van DNA. Wanneer dit DNA niet wordt geremd kan het een ontstekingsreactie veroorzaken. De bevindingen van promovendus Hoentjen zijn bijzonder relevant voor het ontwikkelen van potentiële therapieën die specifieker kunnen werken en daardoor minder bijwerkingen met zich meebrengen. Het ontwikkelen van effectievere behandelingen is belangrijk voor de kwaliteit van leven van de 35.000 patiënten met chronische darmonstekingen in Nederland.

Bron: VU Amsterdam

Moleculair mikado maakt celdeling mogelijk

Fysici van de Vrije Universiteit zijn erin geslaagd te laten zien hoe Eg5, een sleuteleiwit voor celdeling, het interne celmilieu reorganiseert zodat twee celcentra ontstaan. Dit is nodig voor de accurate verdeling van het erfelijk materiaal tijdens celdeling. Onderzoekers drs. Lukas Kapitein, dr. ir. Erwin Peterman, prof. dr. Christoph Schmidt en collega's bewezen bovendien dat Eg5 kan opereren zonder hulp van andere eiwitten. Het inzicht biedt nieuwe aangrijpingspunten voor therapieën tegen ziekten als kanker en levert een publicatie op in het gezaghebbende tijdschrift Nature van donderdag 5 mei. Het onderzoek is medegefinancierd door NWO.

Van essentieel belang voor de overleving van organismen is dat ze hun cellen vermeerderen en vervangen. Dat gebeurt door celdeling, ook wel mitose genoemd. Een verstoorde celdeling is oorzaak van vele ziekten, waarvan kanker het bekendste voorbeeld is. Een gedetailleerd inzicht is cruciaal om celdeling en gerelateerde ziekten te begrijpen, maar veel belangrijke aspecten zijn nog steeds onduidelijk. Bekend was al wel dat het eiwit Eg5 (een zogeheten motoreiwit) onmisbaar is bij de reorganisatie van de cel voorafgaand aan de splitsing. Ook een stof die remmend werkt op Eg5 is al gevonden. Nu de fysici hebben aangetoond dat dit motoreiwit zelfstandig opereert én hoe, wordt verder onderzoek mogelijk naar toepassing bij ziekten.

Tijdens celdeling wordt het genetisch materiaal (DNA) van de cel verdubbeld en vervolgens gelijk verdeeld over twee celhelften; daarna deelt de cel zich definitief. Om dit proces goed te laten verlopen, vindt er in de cel een wonderlijke metamorfose plaats, die wel wat weg heeft van moleculair mikado.

Minuscule buizen die de cel zijn stevigheid geven, de zogeheten microtubuli, zijn vlak voor de celdeling georganiseerd in stervorm: de uiteinden (minpolen) van de buizen komen samen in het celcentrum, het zogeheten centrosoom (zie afbeelding). De losse uiteinden zijn de pluspolen. Aan het begin van mitose splitst het centrosoom zich in twee nieuwe, die zich van elkaar scheiden. Zo ontstaat een organisatie in spoelvorm. Eg5 blijkt essentieel bij de vorming van die spoel.

Bron: Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

Foliumzuur helpt botbreuken voorkomen

Osteoporose (botontkalking) hangt samen met een hoog niveau van het aminozuur homocysteine in het bloed. Een interventiestudie in Japan heeft aangetoond dat door het terugbrengen van het homocysteinegehalte met foliumzuur, het aantal botbreuken afneemt. Onderzoekers van het Erasmus MC publiceerden over dit onderwerp in het maartnummer van the Journal of the American Medical Association (JAMA).

Osteoporose komt vooral voor bij ouderen en leidt tot een verhoogde kans op botbreuken. Mensen met deze aandoening kunnen al een fractuur oplopen door een simpele val in de douche. Osteoporose vormt een groot gezondheidsprobleem, als gevolg waarvan oudere mensen last hebben van pijn, in het ziekenhuis verblijven en beperkt worden in bewegingsvrijheid en kwaliteit van leven. De kosten als gevolg van osteoporose bedragen jaarlijks naar schatting enkele honderden miljoenen euro's in Nederland, en drie miljard euro in Europa.

Over de oorzaken van osteoporose is nog weinig bekend. Bekende risicofactoren zijn een hoge leeftijd, een lage botmassa en een hoog valrisico. De relatie met een hoog homocysteine niveau werd door de Rotterdamse onderzoekers reeds in mei 2004 aangetoond op basis van het ERGO-onderzoek. Het ERGO-onderzoek is een grootschalig prospectief bevolkingsonderzoek onder 8000 bewoners van 55 jaar en ouder uit de Rotterdamse wijk Ommoord. Samen met onderzoekers van de Amsterdamse LASA studie ontdekten zij dat mensen met een hoog homocysteine niveau in het bloed ongeveer een twee keer zo hoog risico hebben op het krijgen van een botbreuk. Dit risico was onafhankelijk van al bekende risicofactoren en betekende dat een hoog homocysteine niveau een nieuwe voorspellende factor is voor het krijgen van een botbreuk.

Uit de Japanse interventiestudie Sato et al is nu gebleken dat foliumzuur een positieve uitwerking heeft op het reduceren van het homocysteine niveau. Er zijn meer studies nodig om dit te bevestigen, maar als deze resultaten stand houden dan zijn een foliumzuurrijk dieet of het toedienen van foliumzuur in pilvorm goedkope manieren om botbreuken te voorkomen.


Hepatitis C nu ook te genezen ondanks ongunstige kenmerken bij de patiënt

Behandeling van Hepatitis C kan succesvol worden afgerond ondanks ongunstige kenmerken bij de patiënt. Dit stelt Jan Maarten Vrolijk in zijn proefschrift Response in hepatitis C virus non responders, waarop hij donderdag 4 mei a.s. promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Hepatitis C komt wereldwijd voor bij naar schatting 150 -170 miljoen mensen. 60.000 van hen wonen in Nederland. Chronische hepatitis C-infectie leidt bij 20% van de besmette personen op de lange termijn tot levercirrose. Sinds bijna 20 jaar wordt de behandeling van hepatitis C gebruik gemaakt van op interferon gestoelde therapie. De kans op genezing is de afgelopen jaren gestegen van minder dan 10% tot 80% bij geselecteerde patiënten.

Echter bij mensen met ongunstige kenmerken liggen de kansen op blijvende virale response aanzienlijk lager. Belangrijke ongunstige kenmerken zijn infectie met genotype 1 of 4, het al hebben van cirrose van de lever of in het verleden niet gereageerd hebben op antivirale behandeling (de zogenaamde non-responders). Bij patiënten met een of een combinatie van dergelijke criteria ligt de kans om goed te reageren op de standaardbehandeling aanzienlijk lager, tussen 10 en 40%.Vrolijk onderzocht op welke wijze en onder welke omstandigheden voor deze groep toch genezing mogelijk is.

De belangrijkste conclusie van het proefschrift is dat bij patiënten met ongunstige kenmerken met behulp van intensieve therapie de behandeling toch nog succesvol kan worden afgerond. Deze vindt echter uitsluitend plaats onder juiste omstandigheden bij een combinatie van factoren zoals afdoende hoge serum interferonspiegels en een adequate gastheerantivirale immuun response. Beiden werden gedefinieerd en voor bepaling van het laatste werd een nieuwe techniek ontwikkeld die het mogelijk maakt om op een weinig invasieve wijze de afweer in de lever te meten.

[Bron: Erasmus universiteit]


Specifiek visoliesupplement effectief bij ADHD

De eerste wetenschappelijke publicatie over de Durham studie is vandaag verschenen, meer uitgebreide resultaten zullen binnenkort volgen. Dit onderzoek bevestigt de werking van een natuurlijk, hoog-EPA visoliesupplement bij problemen als ADHD. Het in de studie gebruikte supplement - Eye Q - kenmerkt zich door de specifieke ratio EPA:DHA (omega-3 vetzuren).

In Nederland is de diagnose ADHD bij 3 tot 5% van alle kinderen gesteld. Gedrags- en leerproblemen bij kinderen vormen een grote belasting voor de ouders, de school, maar meer nog voor het kind zelf. Medicatie, therapieën en dieet zijn veel gebruikte opties om de kinderen rustiger te krijgen en beter geconcentreerd. Al geruime tijd is bekend dat visolie iets lijkt te doen voor kinderen met klachten als ADHD, dyslexie en dyspraxie. Tot op heden is dat echter onvoldoende aangetoond door de aanbieders van visolie. Dat verandert zeer binnenkort.

In een publicatie in het wetenschappelijke tijdschrift "Pediatrics" van 3 mei 2005 worden de eerste resultaten gerapporteerd van een grote studie die gedaan is met een specifiek vetzuursupplement. Aan de "Durham" studie hebben 110 kinderen van verschillende basisscholen in het (Engelse) Durham district deelgenomen en het is gefinancierd door het Durham School District en "The Dyslexia Research Trust". De geselecteerde kinderen hadden coördinatiestoornissen (dyspraxie of DCD), vaak in combinatie met ADHD en/of dyslexie. In deze studie is het effect van een natuurlijk (hoog-EPA) visoliesupplement onderzocht op gedrags- en leerproblemen. De gedragsproblemen zoals impulsiviteit en hyperactiviteit waren na drie maanden gebruik aanmerkelijk verbeterd door het gebruik van een specifiek visoliesupplement.

Opzet "Durham" studie
Dat visoliesupplementen effectief kunnen zijn bij kinderen met ADHD, concentratie problemen en hyperactiviteit blijkt uit individuele cases, kleine studies en andere aanwijzingen in de wetenschappelijke literatuur zoals een mogelijk vetzuurtekort. Natuurlijke visolie bevat twee vetzuren, te weten omega-3 DHA en omega-3 EPA. Twee recente studies uit 2001 en 2004 tonen aan dat alleen DHA geen invloed heeft op ADHD.

In de Durham studie hebben wetenschappers onderzoek gedaan naar het effect van natuurlijke visolie met een hoog EPA gehalte. Ruim honderd kinderen met gedrags- en leerproblemen zoals ADHD en dyslexie hebben deelgenomen. Bij aanvang van de studie zijn de kinderen uitgebreid psychologisch onderzocht. Er is onder andere gekeken naar de mate van hyperactiviteit, concentratievermogen, lezen en leren. De helft van de kinderen is gestart met een placebo (nepmiddel) de andere helft met Eye Q, een natuurlijk, hoog-EPA visoliesupplement. Na drie maanden is de placebogroep ook gestart met het visoliesupplement. Na drie en zes maanden (einde studie) zijn alle kinderen weer onderzocht. Zowel de onderzoekers, de ouders als de leraren wisten in de eerste drie maanden niet welk kind het nepmiddel gebruikte en welk kind de visolie.

Conclusie
Het resultaat van behandeling met bijvoorbeeld Ritalin is gemiddeld 0.75 op de Conner's ADHD-index (een psychologische scorelijst van gedragsproblemen). De
Durham-studie toont resultaten met een specifiek visoliesupplement (Eye Q), die voor een deel van de kinderen extra hulp kan bieden bij het leren en concentreren. De resultaten van deze visolie gaf een Conner's ADHD-index van 0.67. Voor veel kinderen kan deze visolie dan ook een natuurlijk ondersteuning bieden. Binnenkort worden meer gedetailleerde resultaten in een wetenschappelijke publicatie verwacht!

Eye Q is een vrij verkrijgbaar voedingssupplement op basis van zuivere visolie - uit sardines en ansjovis - en biologische teunisbloemolie.


Aandacht voor persoonlijke coaching mensen met astma

Beter omgaan met astma en daarmee de kwaliteit van leven verhogen. Dat zijn de positieve effecten van persoonlijke coaching via de Astma Fonds Advieslijn. Kortom, de dienstverlening werkt. Zo blijkt uit een evaluatie van de dossiers van veertig mensen met astma die het afgelopen jaar gebruik maakten van deze telefonische ondersteuning. Vaak leidde advies en hulpverlening tot de soms noodzakelijke gedragsverandering, zoals meer bewegen en een gezondere leefstijl. Tijdens de Wereld Astmadag die op 3 mei wordt gehouden, zal het Astma Fonds extra aandacht schenken aan persoonlijke dienstverlening en wat deze kan bieden aan mensen met luchtwegklachten.

Het is belangrijk dat mensen met astma meer grip krijgen op hun leven met astma en COPD. Soms kan dat eenvoudig gerealiseerd worden via een eenmalig informatief telefoongesprek met de Astma Fonds Advieslijn. Soms is er extra ondersteuning nodig. Vandaar dat het Astma Fonds in september 2003 gestart is met een pilot persoonlijke coaching. Nu deze dienstverlening succesvol blijkt, wil het Astma Fonds deze actiever gaan aanbieden. Persoonlijke coaching houdt in dat volwassen mensen met astma, COPD en andere luchtwegaandoeningen telefonische ondersteuning krijgen bij het beter omgaan met hun ziekte, waaronder het bevorderen van een gezonde leefstijl. Aan de hand van een systematische aanpak (health counseling) en meerdere gesprekken worden mensen persoonlijk begeleid bij het tot stand brengen van een gedragsverandering. Bijvoorbeeld meer bewegen, het vermijden van prikkels en het omgaan met medicijnen. Dit alles om uiteindelijk klachten te verminderen en daarmee de kwaliteit van leven te verhogen.

Astmacontrole
Uit een recent onderzoek van TNS NIPO onder 530 mensen met astma blijkt dat bij 54% astma enigszins tot sterk hun leven beïnvloedt. En dat, terwijl in eerste instantie 84% zegt hun astma onder controle te hebben. Daarnaast maakt 69% zich wel eens zorgen over hun ziekte. De paradox is dat mensen het gevoel hebben astma onder controle te hebben, maar na doorvragen wijst de praktijk vaak anders uit. De invloed van astma op het dagelijks leven blijkt vaak groter dan gedacht. Mensen met astma ondervinden vooral last bij zwaar lichamelijk werk en met sporten. Vooral ouderen ondervinden redelijk veel beperkingen en ook gevoelens van onrust door hun astma. Op basis van het onderzoek kan vastgesteld worden dat onder controle hebben en klachtenvrij zijn totaal verschillend worden opgevat. Op internet zijn verschillende testen te vinden waarmee mensen met astma hun aandoening beter onder controle kunnen krijgen. Zo staat op www.astmafonds.nl een uitgebreide test waarmee bepaald kan worden waar aandacht aan geschonken moet worden, zoals omgaan met medicijnen, werk of opleiding.

De Astma Fonds Advieslijn is bereikbaar van maandag tot en met vrijdag van 10.00 tot 14.00 uur. Tel. (0900) 227 25 96 (10ct pm). E-mailen kan 24 uur per dag: advieslijn@astmafonds.nl (o.v.v. telefoonnummer).


'Zorg voor een gezond leven' rapport PVDA

De PvdA zet zich blijvend in voor verbeteringen in de zorg. Onder leiding van Steven de Waal heeft de projectgroep Zorg het rapport 'Zorg voor een gezond leven' geschreven. Hierin worden aanbevelingen gedaan voor de inrichting van een nieuw zorgstelstel. Daarbij moet behoud van solidariteit, meer eigen verantwoordelijkheid, een grotere rol voor de gemeenten, meer rechten voor patiënten en terughoudendheid met marktwerking het uitgangspunt zijn. Deze plannen worden, na discussie in de PvdA, in december 2005 aan het congres voorgelegd.

De PvdA geeft prioriteit aan preventie in de zorg. De sociaal-economische verschillen in de zorg willen we aanpakken. Wij doen dat door:

a) Burgers bewuster te maken van leefstijl en ongezond leven van een individuele naar een maatschappelijke kwestie op te tillen door:

  • een verbod of ontmoediging van ongezonde waar in school- en bedrijfskantine en sportgelegenheden in te stellen (‘uit het zicht’- beleid);
  • convenanten met de voedselindustrie tot vermindering van de ongezondheid van bepaald voedsel, zoals snacks e.d.;
  • een beleid te voeren waardoor sportgelegenheden niet te afhankelijk zijn van inkomsten uit ongezonde waar;
  • invoering van een reeks maatregelen zoals bij tabak: waarschuwingen en vermindering van de verleiding stimuleren van zichtbare laagdrempelige sportfaciliteiten (trap-, basket- en tennisveldjes), vooral in achterstandswijken;
  • terug naar de verplichte zwem- en gymlessen op school;
  • onderzoek te doen naar vormen van beprijzen van voedsel;
  • stimulering van vroegdiagnostiek en zelfhulp, ook door dokters en verpleging;
  • signalering van ongezond gedrag: vroegtijdiger, professioneler;
  • vergroting van zelfredzaamheid en daarmee betrokkenheid van burgers (gesteund door patiëntenverenigingen) bij hun eigen gezondheid.

b) Professionals in opleiding en nascholing veel meer aandacht laten geven aan preventie en de zelfredzaamheid van burgers te versterken.

c) De overheid op verschillende niveaus weer een regierol op het gebied van preventie te geven: gemeenten regisseren, in het bijzonder met de GGD, preventieve activiteiten van huisartsen, wijkzusters, thuiszorgers, en monitoren zaken waar de leefomgeving de gezondheid beïnvloedt vooral ook inzake kwetsbare wijken en kwetsbare doelgroepen; juist ook als overheidsdienst kan hier beter met de gevoeligheden voor privacy worden omgegaan; als organisatorische maatregelen nodig zijn, zoals de invoeging van consultatiebureaus in de GGD, dan mag dit niet langer een taboe zijn. Preventie moet dwars door verkokering heen gaan. Die bredere blik op preventie wordt van alle partijen gevraagd, ook buiten de klassieke
zorgsector, zoals scholen en woningcorporaties. Op rijksniveau kijkt het ministerie van VWS over de eigen schutting en toetst beleid van andere departementen op de gevolgen voor volksgezondheid. Een nader onderzoek naar de beste fiscale maatregelen rond gezond voedsel en bewegen.

d) Verzekeraars actiever te maken voor preventie door: de vorming van een preventiefonds: 1 % van het zorgverzekeringbudget wordt geoormerkt voor preventieve maatregelen. Verzekeraars moeten verantwoording afleggen over de
besteding van dit budget. monitoren en publiekelijke rapportage en waardering (preventie prijs) van preventieactiviteiten.

e) Resultaatsverplichtingen afspreken; monitoren en toetsing; GGD-en met elkaar vergelijken en de beste voorbeelden belonen.

Klik hier voor het volledige rapport


Rechtszaak over geheimhouding gif in voedsel

Minister Veerman van Landbouw moet voor de rechter uitleggen waarom hij meetgegevens over landbouwgif in groenten en fruit geheim houdt. Milieudefensie, Stichting Natuur en Milieu en Goede Waar & Co stappen naar de rechter om openbaarmaking af te dwingen, nu minister Veerman weigert deze gegevens vrij te geven.

Een jaar geleden hebben de natuur-, milieu- en consumentenorganisaties samen met zevenduizend consumenten gevraagd om openbaarmaking van gegevens over resten van landbouwgif in groenten en fruit. Zij deden dit op basis van de Wet Openbaarheid van Bestuur. Minister Veerman heeft hun verzoek onlangs afgewezen. De organisaties hebben nu beroep ingesteld bij de rechtbank tegen zijn besluit. Zo willen zij alsnog openbaarheid afdwingen.

De overheid test regelmatig groenten en fruit op resten bestrijdingsmiddelen. Uit deze metingen blijkt dat in gemiddeld één op de zes monsters de wettelijke normen worden overschreden. Bij welke supermarkt of handelaar deze overtredingen worden geconstateerd en wanneer dit gebeurd is echter geheim. Landbouwgif is slecht voor het milieu en kan schadelijk uitpakken voor de gezondheid. Deze gegevens horen niet in de doofpot te verdwijnen. Consumenten hebben het recht te weten wat ze eten.

Als belangrijkste grond voor zijn afwijzing voerde de minister aan dat het ¢niet in het belang van de sector is om bekend te maken welke bedrijven de wettelijke normen overtreden. Volgens de organisaties is dit onjuist. Het merendeel van de boeren, tuinders en handel houdt zich aan de wet en heeft er geen belang bij dat knoeiers anoniem blijven. Knoeiers beschadigen immers het imago van de hele sector. Het openbaar maken van de gegevens stelt tuinders, handelaren en supermarkten in staat zich positief te onderscheiden. Extra inspanningen om het gebruik van bestrijdingsmiddelen te minimaliseren worden op deze manier beloond.

Bovendien moet de overheid niet alleen het belang van de sector verdedigen, maar ook het bredere belang van milieu en gezondheid. In Engeland en Zweden is de gespecificeerde informatie over resten van landbouwgif in voedsel wél openbaar. Groenten en fruit bevatten mede daardoor in die landen minder bestrijdingsmiddelen.

Kijk op www.weetwatjeeet.nl


Noord-Europeanen leven gezonder, maar korter

Presentatie SHARE-onderzoek in Brussel

Senioren in Noord-Europa zijn gezonder en rijker dan hun leeftijdsgenoten in Zuid-Europa. Toch leven de Zuid-Europeanen langer. Dit is één van de conclusies van het Survey of Health, Ageing and Retirement in Europe (SHARE), waaraan ook de Tilburgse hoogleraren Arthur van Soest en Arie Kapteyn en het Tilburgse CentERdata hebben bijgedragen.

De eerste resultaten worden donderdagmiddag 28 april gepresenteerd. Europa heeft het hoogste aandeel ouderen van alle continenten en dit aandeel stijgt nog steeds. SHARE is een groot onderzoeksproject naar gezondheid, veroudering en pensioenen in Europa. In elf landen, waaronder Nederland, zijn enquêtes gehouden onder in totaal 22.000 mensen van vijftig jaar en ouder. Je kunt duidelijke Noord-Zuid verschillen zien in gezondheid en inkomen. Ouderen zijn financieel en qua gezondheid beter af in het noorden, maar dat vertaalt zich niet in een daarmee overeenstemmend sterftecijfer, aldus Professor Axel Börsch-Supan, directeur van het Mannheim Institute for the Economics of Aging en coördinator van het project.
De eerste resultaten van SHARE worden op 28 april gepresenteerd in Brussel, tegelijkertijd verschijnt het boek Health, Ageing, and Retirement in Europe. De SHARE-data (toegankelijk via www.share-project.org) leveren een wetenschappelijke infrastructuur, waardoor onderzoekers landen en regios in Europa kunnen vergelijken. Dit maakt het gemakkelijker te begrijpen hoe cultuur, geschiedenis, en politiek van invloed zijn op het leven van Europeanen van boven de vijftig.

Conclusies
Gezondheid: Uit SHARE blijkt dat een goede opleiding je fit houdt: in alle elf landen bestaat een sterke relatie tussen gezondheid en sociaal-economische status. Mensen met een lagere opleiding hebben bijvoorbeeld 50% meer kans op ernstig overgewicht. Een goede opleiding helpt bovendien om cognitieve achteruitgang en depressiviteit te voorkomen.

Werk: Prepensioen is populair in Europa, waardoor er in Oostenrijk, Italië, en Frankrijk, maar ook Nederland, veel gezonde mensen niet aan het arbeidsproces deelnemen. Het gebruik van arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen tussen 50 en 64 jaar varieert enorm: van 15% in Denemarken tot 3% in Griekenland. SHARE toont voor het eerst aan dat de grote verschillen niet kunnen worden toegeschreven aan verschillen in gezondheid.

Familie: Vooral in Zuid-Europa helpt familie elkaar bijvoorbeeld door op de kleinkinderen te passen. Ongeveer een derde van de 65-plussers in Zuid-Europa geeft aan dat zij dagelijks anderen helpen. Hier besteden zij gemiddeld 4,6 uur per dag aan. Een frappant verschil is dat in het noorden ouders hun kinderen financieel steunen, in het zuiden zijn het de kinderen die voor de ouders zorgen.

Inkomen: Hoewel armoede in Europa nog steeds voorkomt is deze armoede vooral in het zuiden beperkt wanneer ook de waarde van het eigen huis wordt meegerekend. Het in de buurt wonen van de kinderen blijft een belangrijk kanaal voor sociale solidariteit die in belangrijke mate de armoede verlicht, niet alléén in het zuiden maar bijvoorbeeld ook in Duitsland. In alle elf landen is minder ongelijkheid in consumptie tussen gezinnen dan in inkomens, en de inkomensongelijkheid is op haar beurt lager dan de vermogensongelijkheid. Opvallend is dat in de noordelijke landen de uitgaven aan voeding veel lager liggen.

Tilburg, Rotterdam
CentERdata, gehuisvest op de campus van de Universiteit van Tilburg, heeft het programmeren van de enquêtes in de verschillende talen voor haar rekening genomen. Hiervoor is een generiek concept ontwikkeld waardoor vergelijkbaarheid is geoptimaliseerd. Tevens verzorgt CentERdata de dataverwerking en -disseminatie. SHARE-coördinator voor Nederland is Arthur van Soest, hoogleraar Econometrie aan de Universiteit van Tilburg. De Erasmus Universiteit Rotterdam is betrokken bij SHARE via de werkgroep Fysieke gezondheid onder leiding van professor Johan Mackenbach van het Erasmus MC.

Bron: Universiteit Tilburg


Onderzoekers NKI-AVL zetten stap op weg naar immuuntherapie

Onderzoeker Jacques Neefjes van het Nederlands Kanker Instituut – Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) heeft met zijn team een nieuwe stap gezet op weg naar een succesvolle immuuntherapie tegen kanker. Een artikel hierover verschijnt 3 maart in het gezaghebbend blad Nature.

Met hun onderzoek, dat gefinancierd wordt door het KWF Kankerbestrijding hebben Neefjes en zijn team een nieuw inzicht gegeven in de werking van het immuunsysteem. Om het afweersysteem te activeren zodat kankercellen vernietigd kunnen worden, moeten verschillende cellen uit het lichaam met elkaar kunnen communiceren, zo is uit eerder onderzoek al gebleken. Neefjes en zijn team hebben nu inzicht gegeven hoe deze communicatie tussen cellen en het afweersysteem kan plaats vinden. Dit gebeurt door zogenoemde gap junctions. Dit zijn kleine kanaaltjes die cellen met elkaar verbinden. Deze gap junctions laten cellen op verschillende niveaus met elkaar communiceren. Neefjes en zijn collega’s , in samenwerking met het LUMC Leiden, tonen aan dat op deze manier ook immunologische informatie wordt doorgegeven. Ook aan cellen van het afweersysteem waardoor dit geactiveerd kan worden.

Informatie overdracht
Bij een virusgeïnfecteerde cel wordt uiteindelijk een klein stukje van dit virus aan het afweersysteem getoond. Een goed werkend afweersysteem ‘ziet’ dat dit stukje afkomstig is van een virus en geeft zogenoemde killercellen opdracht de cel met de indringer te doden. Deze killercellen zijn echter niet in grote getale aanwezig. Daarom moeten ze na een infectie in aantal toenemen. Een identiek systeem moet bij immuuntherapie voor kanker gaan werken. Dit kan echter alleen als het afweersysteem de juiste informatie krijgt. Hierin hebben, zo blijkt nu, gap junctions een belangrijke functie. Bij veel kankercellen blijken deze kanaaltjes geremd te zijn. “Het zou kunnen dat de afweercellen daardoor niet geactiveerd worden waardoor het afweersysteem geblokkeerd raakt”. Volgens Neefjes zou dat dus kunnen betekenen dat de tumorcellen onvoldoende worden herkend door het afweersysteem.

Met deze wetenschap kunnen onderzoekers nu zoeken naar nieuwe methoden om het afweersysteem tegen kankercellen te activeren. Vervolgonderzoek zal zich daarom concentreren op de mogelijkheden om dit nieuwe inzicht te vertalen naar een succesvolle immuuntherapie tegen kanker.

[Bron: Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis]


Functie van kankergenen ontdekt

NKI-AVL-promovendus Sebastian Nijman heeft tijdens zijn promotie-onderzoek nieuwe genen ontdekt die betrokken zijn bij het ontstaan van kanker. De resultaten van zijn onderzoek hebben aanleiding gegeven tot een nieuwe behandeling van patiënten met een erfelijke vorm van kanker, cylindromatose. Het onderzoek werd mede-gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Sebastian Nijman promoveert op 27 april aan de Universiteit Utrecht

Patiënten met de zeer zeldzame erfelijke aandoening cylindromatose krijgen vele goedaardige tumoren op de huid. De tumoren komen voornamelijk voor op het hoofd en kunnen daar ernstige misvormingen veroorzaken.

Bij mensen met deze ziekte is het eiwit CYLD gemuteerd. NKI-AVL-onderzoeker Sebastian Nijman ontdekte samen met zijn collega’s het moleculaire mechanisme dat ten grondslag ligt aan cylindromatose. Hij gebruikte hiervoor genetische screens. Uit het onderzoek van Nijman blijkt dat het CYLD-eiwit een belangrijke rol speelt in de NF-kappaB-signaleringsroute. Dit is een cellulair communicatiesysteem. Deze signaleringsroute is overactief als het CYLD-eiwit is gemuteerd. Hierdoor wordt de groei van cellen gestimuleerd en ontstaan tumoren.

Een belangrijke implicatie van dit onderzoek is dat remming van de NF-kappB-route in cylindromatosis patiënten een adequate behandeling zou kunnen zijn. Een welbekende remmer van deze route is aspirine en een klinisch onderzoek naar de effectiviteit van aspirinezalf in de behandeling van cylindromatose wordt op dit moment in het NKI-AvL uitgevoerd.

Fanconi-anemie
De promovendus hield zich tevens bezig met een andere vorm van erfelijke kanker, Fanconi-anemie. Mensen met deze ziekte krijgen op jonge leeftijd al vele zeer kwaadaardige tumoren. De ziekte ontstaat als het reparatiesysteem van de cel twee aan elkaar gekoppelde DNA-strengen niet meer uit elkaar kan halen.

Een eiwit dat verantwoordelijk is voor de reparatie van deze DNA-schade is FANCD2. Dit eiwit wordt aan een tweede eiwit, ubiquitine, gekoppeld, wanneer de cel merkt dat er DNA-schade is ontstaan. Nijman identificeerde een derde eiwit, USP1, dat het FANCD2 weer loskoppelt van het ubiquitine. USP1 speelt zo een rol in de reparatie van DNA-schade en mogelijk in het ontstaan van kanker.


Vegetarische voeding niet schadelijk voor kinderen

Naar aanleiding van een recente Amerikaanse studie dook in diverse media zeer negatieve berichtgeving op over het vegetarisch grootbrengen van kinderen. Over de studie vallen echter ernstige vragen te stellen, en bovendien weten we uit talrijke wetenschappelijke onderzoeken dat een vegetarisch of veganistisch voedingspatroon gezond en geschikt kan zijn voor alle leeftijdsgroepen.

Wetenschapsjournalistiek is geen eenvoudig klus, zeker niet als het een zo complex en snel evoluerend domein als voeding betreft. Daarom even een aantal feiten in hun context. De studie in kwestie, geleid door de Amerikaanse Dr. Lindsay Allen, onderzocht 555 ondervoede Keniaanse kinderen, opgedeeld in vier groepen (1). Drie groepen kregen van de onderzoekers respectievelijk vlees, melk en plantaardige oliën als aanvulling op hun voedingspatroon, terwijl één groep geen aanvulling kreeg. De voeding van de kinderen die onderzocht werden, bestond hoofdzakelijk uit maïs en bonen. Een dergelijk voedingspatroon voldoet uiteraard niet aan de noden van een kind. Mocht het de bedoeling van deze studie geweest zijn te verifiëren of een vegetarisch voedingspatroon geschikt is voor kinderen, dan hadden de onderzoekers hen een volwaardig vegetarisch alternatief aangeboden in de plaats van een supplementatie met alleen melk of plantaardige oliën.

Prof. Em. Marcel Hebbelinck (VUB), bestuurder van EVA vzw: “De resultaten van dit onderzoek zijn dus niet van toepassing op vegetarische en veganistische kinderen in de westerse wereld. Wanneer hun ouders tenminste enige notie hebben van gezonde voeding, krijgen zij fruit, groenten, peulvruchten, volle granen en noten, en vaak ook “moderne” vleesvervangers. Ongetwijfeld had de gezondheidstoestand van de Keniaanse kinderen ook met een dergelijke combinatie van plantaardige voeding verbeterd kunnen worden.“

Talloze internationale studies over de groei, ontwikkeling en gezondheid van kinderen tonen aan dat een vegetarisch én veganistisch voedingspatroon geschikt en gezond kan zijn voor kinderen. Zo werden in een Amerikaanse studie van eind de jaren tachtig ruim 400 veganistische kinderen tien jaar gevolgd. Hun groei en ontwikkeling bleken normaal (2). In eigen land kwam een onderzoek aan de VUB over vegetarische kinderen tot dezelfde conclusie (3). Het onderzoek werd trouwens geleid door Prof. Hebbelinck, zelf levenslang vegetariër in een familie die vierde-generatie-vegetariërs telt.

Niet alleen kan een vegetarische of veganistisch voedingspatroon voorzien in alle voedingsbehoeften: het kan ook het risico verlagen op een aantal chronische aandoeningen op latere leeftijd, zoals kanker, hart- en vaatziekten, suikerziekte en overgewicht en zwaarlijvigheid. Dat stelt onder meer ook de American Dietetic Association, de grootste organisatie van voedingskundigen ter wereld, in haar standpuntbepaling over vegetarische voeding (4). Dit standpunt werd overgenomen door de Vlaamse Vereniging van Voedingskundigen en Diëtisten. Vlees bevat trouwens géén essentiële voedingsstoffen die niet uit plantaardige voeding kunnen worden gehaald.

Bezorgde ouders kunnen wetenschappelijk onderbouwde informatie over het vegetarisch grootbrengen van kinderen vinden op www.vegetarisme.be, de website van EVA (Ethisch Vegetarisch Alternatief) vzw

Contact:
EVA vzw, Tobias Leenaert
Tel en fax: 09/329.68.51
Gsm 0494/64.69.38
E-mail: info@vegetarisme.be
Adres: St.-Pietersnieuwstraat 130, 9000 Gent

Referenties:

(1) http://www.nutrition.org/cgi/reprint/133/11/3965S.pdf
(2) http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve
&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=2771551

(3) http://www.ajcn.org/cgi/content/full/70/3/579S?ck=nck
(4) http://www.eatright.org/Member/PolicyInitiatives/index_21026.cfm


Vloeibaar frituurvet nog lang niet bij alle snackbars in gebruik

De VWA heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van frituurvet bij snackbars en cafetaria's. Uit dat onderzoek blijkt dat tweederde van de ondernemers nog steeds frituurt in (ongezond) vast vet. Op basis van laboratoriumonderzoek kon worden vastgesteld dat één vijfde van de bedrijven, die zeggen dat ze frituren in "gezond" vloeibaar vet, desondanks vast vet gebruiken. Vast en vloeibaar vet
Vetten bestaan voor het grootste deel uit vetzuren. Vet met veel verzadigde vetzuren en transvetzuren is ongezond, het verhoogt het cholesterolgehalte in het bloed. Vast frituurvet bevat veel van deze vetzuren en verhoogt daarmee de kans op het ontstaan van hart- en vaatziekten. Vloeibaar vet bevat in vergelijking met vast vet relatief meer onverzadigde vetzuren. Onverzadigde vetzuren worden ook wel de "goede"soort genoemd omdat deze juist de kans op het ontstaan van hart- en vaatziekten verlagen en daarom gezonder zijn. Het streven van de Minister van VWS is dat de voeding van meer Nederlanders voldoet aan de normen voor verzadigd en transvet. Het Voorlichtingsbureau Margarine, Vetten en Oliën en Koninklijk Horeca Nederland voeren hiervoor de campagne "Verantwoord frituren".

Naast deze campagne zijn er ook (aparte) acties die worden doorgevoerd door bijvoorbeeld frituurvetproducenten. Door middel van een poster, folder of certificaat in het bedrijf kunnen deelnemende cafetaria's en snackbars klanten laten zien dat zij frituren in vloeibaar vet. Uit het onderzoek van de VWA blijkt echter dat één vijfde van deze ondernemers toch vast frituurvet gebruiken. De VWA gaat dit jaar opnieuw controleren. Het gebruik van vast frituurvet, terwijl er kenbaar wordt gemaakt naar de klant dat er "gezond" wordt gefrituurd in vloeibaar frituurvet, wordt door de VWA gezien als misleiding van de consument en zal daarvoor maatregelen gaan nemen. In het onderzoek is ook de temperatuur van het in gebruik zijnde vet gemeten.

Bij een lagere temperatuur (175°C) dan voorgeschreven in de Hygiënecode voor de horeca (maximaal 185°C) wordt de vorming van acrylamide beperkt. Te veel acrylamide kan schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Ruim de helft van de bezochte ondernemers frituurt in een temperatuur boven de 175 graden. De VWA zal het Bedrijfschap Horeca verzoeken de adviestemperatuur in de Hygiënecode te verlagen.


Hormoonsuppletietherapie en het risico op baarmoederslijmvlieskanker

Het College ter beoordeling van geneesmiddelen is geïnformeerd over een publicatie die vandaag in de Lancet is verschenen. De publicatie rapporteert over het risico van kanker van het baarmoederslijmvlies bij gebruik van verschillende soorten van hormoonbehandeling na de menopauze (hormoonsuppletietherapie). Het betreft nieuwe resultaten van een al beschreven groot Britse onderzoek (Million Women Study).

In het onderzoek is het risico van het gebruik van hormoonsuppletietherapie (HST) bestaande uit uitsluitend een oestrogeen, oestrogeen gecombineerd met progestageen en het hormoon tibolon (de werkzame stof van Livial) vergeleken ten opzichte van geen gebruik. De resultaten tonen dat het risico van baarmoederslijmvlieskanker is verhoogd bij gebruik van alleen een oestrogeen en bij gebruik van tibolon. Dit verhoogde risico hangt samen met de duur van gebruik: het risico wordt groter naarmate het middel langer wordt gebruikt.. Bij gebruik van oestrogenen in combinatie met een progestageen is het risico niet verhoogd.

Dat het gebruik van alleen een oestrogeen kan leiden tot een verhoogd risico van baarmoederslijmvlieskanker was reeds bekend uit vele eerder gepubliceerde onderzoeken. Daarom dienen vrouwen met een baarmoeder een oestrogeenbehandeling te combineren met een progestageen. Dat deze combinatie het verhoogde risico doet verdwijnen, wordt ook door de resultaten van dit onderzoek bevestigd. Dat een behandeling met tibolon leidt tot een verhoogd risico van baarmoederslijmvlieskanker, is een nieuwe bevinding. Livial is in Nederland alleen geregistreerd voor de behandeling van vrouwen met overgangsklachten. Deze nieuwe bevindingen zijn een reden tot zorg en het College zal na bestudering van het artikel op korte termijn nadere informatie geven over de zonodig te nemen maatregelen. Zij zal dit doen in overleg met de geneesmiddelenautoriteiten van de andere EU lidstaten waar Livial geregistreerd is.

In de productinformatie en bijsluiter van Livial wordt al melding gemaakt van vermoedens van abnormale groei van het baarmoederslijmvlies of een kwaadaardig gezwel van het baarmoederslijmvlies bij vrouwen die Livial gebruiken, maar er was tot op heden is geen verband aangetoond met de behandeling van Livial. De fabrikant van Livial, Organon, heeft in 2002 een groot onderzoek gestart waarin mogelijke bijwerkingen op het baarmoederslijmvlies ten gevolge van Livial gebruik nader onderzocht worden. De resultaten van dat onderzoek komen eind 2005 beschikbaar.

Gebruiksters en artsen worden gewezen op het advies in de huidige productinformatie van alle HST producten dat de behandeling zo kort mogelijk dient te worden gehouden bij een zo laag mogelijke dosering. Bij langdurig gebruik dient periodiek, op zijn minst jaarlijks, een zorgvuldige afweging van de voor- en nadelen van hormoonsuppletietherapie gemaakt moet worden om te bepalen of de behandeling moet worden voortgezet.


Sterfte door hart- en vaatziekten in veel gevallen te voorkomen

Recent wereldwijd baanbrekend onderzoek wijst uit dat 90 procent van de hartinfarcten wordt veroorzaakt door negen risicofactoren. Tot nu toe werd dit percentage geraamd op 50 procent. In vervolg op deze zogenaamde Interheart-studie (The Lancet, 11 september 2004) start in Nederland onder de naam 'Morgengezondweerop.nl' het grootste landelijke onderzoek sinds tien jaar naar het risico dat vijftig-plussers lopen op hart- en vaatziekten. Doel van het onderzoek is meer te weten te komen over de nog onbekende risicofactoren, naast de nu bekende veroorzakers. Het onderzoek is een initiatief van een aantal onderzoeksgroepen van academische ziekenhuizen in samenwerking met Harvard en de Stichting Risicoanalyse Hart- en Vaatziekten.

'Eén op de drie Nederlanders sterft aan de gevolgen van hart- en vaatziekten. Met de Interheart-studie is ongeveer 90 procent van de risico's in kaart gebracht. Wij richten ons in ons onderzoek op die nog onbekende 10 procent veroorzakers van hart- en vaatziekten', aldus prof.dr. J.J.P. Kastelein, projectleider van het onderzoek, voorzitter van de Wetenschappelijke Adviesraad van de Stichting Risicoanalyse Hart- en Vaatziekten en hoogleraar Vasculaire Geneeskunde aan het AMC in Amsterdam. 'Daarom gaan we bij ongeveer 75.000 mensen van boven de vijftig een risicoanalyse doen. Het is een onderzoek dat op deze schaal in de afgelopen tien jaar niet eerder heeft plaatsgevonden. Wanneer de resultaten van het onderzoek bekend zijn, zijn we beter in staat de epidemie van hart- en vaatziekten te bestrijden.'

De negen risicofactoren die uit de Interheart-studie naar voren komen zijn: hoge bloeddruk, roken, diabetes, buikvet, stress, overmatig alcoholgebruik, onvoldoende dagelijkse consumptie van groenten en fruit, onvoldoende dagelijkse lichaamsbeweging en teveel slecht cholesterol. Het onderzoek Morgengezondweerop.nl richt zich op de nog onbekende risicofactoren op hart- en vaatziekten.

Morgengezondweerop.nl
In een grote massamediale campagne worden vijftig-plussers opgeroepen om via een speciale website www.morgengezondweerop.nl een korte enquête in te vullen. Voor mensen die geen internetaansluiting hebben, is een speciaal telefoonnummer opengesteld (0900 - HARTVAAT / 0900 - 427 88 228) waar ze een enquêteformulier kunnen opvragen. Daarnaast zijn meer dan driehonderdduizend enquêteformulieren toegevoegd in het blad Plus Magazine. Ook worden ze landelijk verspreid via diverse openbare gelegenheden. Aan de hand van de enquêteresultaten worden mensen geselecteerd om mee te doen aan het onderzoek.

Onderzoek
Mensen die zijn geselecteerd voor het onderzoek, worden uitgenodigd om in een speciaal hiervoor ingerichte onderzoekscaravan in ongeveer tien minuten hun lengte, gewicht en bloeddruk te laten meten. Ook wordt wat bloed afgenomen om onder meer cholesterol en bloedsuiker te meten. De uitvoering van het onderzoek is gedelegeerd aan het onderzoekscentrum Epidemiologie Rotterdam en loopt tot en met november 2005. Het onderzoek naar het risico op hart- en vaatziekten wordt uitgevoerd met instemming van de Nederlandse Hartstichting, het Diabetesfonds en verschillende patiëntenverenigingen. Het onderzoek zal resulteren klinisch wetenschappelijk vervolgonderzoek.

Risicobeleving vijftig-plussers
Bijna tachtig procent van de vijftig-plussers vindt dat een gezonde levensstijl belangrijker wordt na het passeren van de vijftig, aldus luidt één van de conclusies van een onderzoek naar de risicobeleving ten aanzien van hart- en vaatziekten onder vijftig-plussers, dat in opdracht van de Stichting Risicoanalyse Hart- en Vaatziekten is gedaan. Men weet de risicofactoren op hart- en vaatziekten vrij goed te benoemen. Ofschoon de meeste vijftig-plussers in hun omgeving te maken hebben (gehad) met hart- en vaatziekten. Wanneer men in de omgeving te maken heeft (gehad) met hart- en vaatziekten draagt dit er vaak toe bij dat men meer op de eigen levensstijl gaat letten. Toch geeft slechts een minderheid van de vijftigplussers, die persoonlijk zijn getroffen door een hart- of vaatziekte, aan dat zij hun levensstijl rigoreus hebben gewijzigd. Dus ondanks ondanks het feit dat men door persoonlijke ervaringen wordt geconfronteerd met de ernst van hart- of vaatziekten, wil dit niet zeggen dat dit een directe impact heeft op de levensstijl. Met name rokers worden hier minder door beïnvloed.


Werknemers met suikerziekte niet extra vermoeid

Werknemers met suikerziekte zijn niet automatisch extra moe door de combinatie van werk en ziekte. Dit concludeert NWO-promovendus Iris Weijman. Werknemers met diabetes met meerdere chronische aandoeningen en mensen die last hebben van hun ziekte, lopen wel meer risico. Weijman promoveert op 1 maart aan de Universiteit Utrecht.

Uit Weijman's onderzoek blijkt dat werknemers met diabetes niet automatisch vermoeider zijn dan andere werknemers. Bij mensen met diabetes raakt de energiebalans gemakkelijk verstoord, waardoor zij vaker vermoeid zijn. Door de dubbele belasting van ziekte en werk verwachtten onderzoekers dat de kans op vermoeidheidsklachten extra groot zou zijn bij deze groep werknemers. Weijman toont aan dat deze aanname niet correct is.

Mensen met diabetes zijn waardevolle werknemers wanneer zij kunnen functioneren in een voor hen goede omgeving, zo suggereert de promovendus. Met de resultaten van het onderzoek kan de begeleiding van werknemers met diabetes door professionals uit de zorg en de beroepssfeer, zoals bedrijfsartsen en reïntegratiebureau's, worden verbeterd.

Mensen met diabetes met meerdere chronische aandoeningen lopen wel een groter risico op vermoeidheid door de combinatie van ziekte en werk. Ook patiënten die veel hinder door symptomen van de ziekte ervaren zijn vaker moe, evenals diegenen die het uitvoeren van belangrijke zelfmanagementactiviteiten als een belasting ervaren. Het verlagen van de werkdruk en vooral de steun van collega's en leidinggevende zijn erg belangrijk om de last op werknemers die veel klachten van de ziekte ervaren te verlichten.

Een belangrijk aspect bij diabetes is het uitvoeren van zelfmanagementactiviteiten, zoals het spuiten van insuline, rekening houden met voedingsrichtlijnen en controleren van de bloedsuikerspiegel. Weijman laat zien dat mensen die het uitvoeren van deze activiteiten niet lastig vinden, zich gezonder voelen. De mate waarin men zichzelf in staat acht deze taken uit te voeren, is deels bepalend voor de ervaren last.

Weijman ontdekte ook dat vermoeide werknemers met diabetes een andere visie hebben op hun ziekte en hun werksituatie. Zij vinden flexibiliteit in het werk eerder vervelend, terwijl mensen met weinig vermoeidheidsklachten flexibiliteit juist prettig vinden. Werknemers met weinig klachten kunnen door die flexibiliteit de ziekte en het werk waarschijnlijk beter combineren.

NWO-programma Psychische Vermoeidheid in de Arbeidssituatie (PVA).


Depressie, een wereldwijd probleem

Wereldwijd gaan zo'n 150 miljoen mensen gebukt onder depressie. De Wereldgezondheids-organisatie voorspelt zelfs dat depressie in 2020 op de eerste plaats van het lijstje van volksziekten staat. Desondanks wordt de ziekte door de maatschappij sterk onderschat. Het nieuwe cahier van de stichting Bio-Wetenschappen en Maatschappij (BWM) laat zien wat depressie precies is, hoe behandelaars de aandoening tijdig kunnen herkennen en hoe ze depressie kunnen behandelen.

Waarom depressie zo sterk oprukt, is nog een raadsel. Het is wel bekend dat de ziekte ontstaat door een combinatie van samenhangende oorzaken. Factoren als erfelijkheid, lichamelijke constitutie, ontwikkeling, persoonlijkheid en stress dragen ieder hun steentje bij.

Als volksgezondheidsprobleem wordt de ernst van depressie onvoldoende erkend. Het is een chronische aandoening waarbij goede en minder goede perioden elkaar afwisselen. De ziekte keert ook vaak terug. Depressie is inmiddels een van de meest voorkomende oorzaken van arbeidsongeschiktheid. De economische schade die het veroorzaakt, is dan ook enorm. Het bestrijden van de ziekte is dan ook niet alleen vanuit een menselijk oogpunt, maar ook ecomisch gezien, van groot belang.

Cahier
Het cahier 'Depressie' kwam tot stand in samenwerking met het Nederlandsch Natuur- en Geneeskundig Congres (NNGC). In zeven hoofdstukken komen de volgende artikelen aan bod:
* Ernstig, maar allerminst hopeloos. Vormen en gevolgen van depressie door Herman van Praag

* Als depressie je de baas wordt. Wat een depressie is en hoe het ontstaat door Jan Swinkels

* Zwarte gal en glazen billen. De lange weg van melancholie naar moderne depressie door Andy Lameijn

* De wereldwijde depressie. Epidemiologie van psychiatrische ziekten door Aartjan Beekman

* Het evolutionaire nut van depressie. Chemie en genetica in de strijd tegen geestelijk ongemak door Witte Hoogendijk en Rianne Lindhout

* Niet-biologische behandelingen door Aart Schene
* Een hek om de put. De mogelijkheden van preventie door Pim Cuijpers


Oorzaak zwangerschapsvergiftiging vastgesteld

Onderzoekers van de afdeling klinische chemie van het VU medisch centrum hebben de oorzaak van zwangerschapsvergiftiging ontdekt. Zij hebben het verantwoordelijke gen geïsoleerd en het daarbij horende biologisch proces vastgesteld. Het resultaat opent de weg naar effectieve behandeling van preeclampsie en het HELLP syndroom. De bevindingen worden deze week in de on-line versie van Nature Genetics gepubliceerd. Binnenkort volgt publicatie in de geprinte versie.

Preeclampsie komt voor bij vijf tot tien procent van de zwangere vrouwen. Het kan leiden tot hoge bloeddruk, nierafwijkingen met eiwituitscheiding, vochtophoping, tintelende vingers, misselijkheid en wazig zien. Het ongeboren kind krijgt te weinig voedingsstoffen en kan dus groeiachterstand oplopen. Dit kan leiden tot complicaties rond de geboorte of zelfs overlijden.

Hoewel de moeder de kenmerkende symptomen vertoont, ontstaat preeclampsie in de placenta. Bepaalde cellen van dit weefsel, trofoblast genoemd, maken in de vroege zwangerschap een verbinding met de bloedtoevoerende vaten van de moeder. Deze verbinding is essentieel voor het groeiende kind. Door een defect in de trofoblastcellen is deze vaatverbinding bij vrouwen met preeclampsie niet optimaal. De toevoer van voedingstoffen naar het kind schiet tekort.

De VUmc onderzoekers vonden bij preeclampsie een erfelijk defect in een gen dat dit proces in de placenta regelt. Het gen behoort tot een nieuw ontdekte klasse DNA bindende eiwitten. Verder was het opvallend dat in de placenta alleen de erfelijke informatie die de moeder doorgeeft aan het kind van belang is voor het ontstaan van de afwijking, terwijl de vader en de moeder hier normaal beiden de helft van de erfelijk informatie doorgeven. De vaststelling van de VUmc onderzoekers heeft wereldwijde consequenties. De gerelateerde genen en gengebieden zijn ook in verband gebracht met preeclampsie bij vrouwen in andere landen.


 

Terug naar het hoofdmenu



 

 

Thema sites
Glycemische index
Plaatsnaam
Romantiek
Spijsvertering
Vindplaats
Winkelen
Zoekgids

 


View My Stats