Rijksoverheid gaat meer
biologisch cateren
Zes ministeries hebben intentieverklaringen ondertekend om hun catering 'biologischer' te
maken. Deze ministeries willen variërend van 5 tot 20% omzet biologische producten in de
bedrijfscatering in 2007. Dit is een eerste concrete stap die volgt uit de beleidsnota
'biologische landbouw' die het kabinet vorig jaar heeft aangenomen. Met de
intentieverklaring zeggen de ministeries zich in te zullen spannen om het aandeel
biologische producten in hun bedrijfscatering te verhogen. Ieder ministerie heeft een voor
haar passend maar wel uitdagend percentage opgenomen in de verklaring. Dat percentage is
vooral afhankelijk van de hoeveelheid biologische producten die nu al in het
bedrijfsrestaurant worden verkocht. Voor het ministerie van VROM ligt dat nu anders dan
bij het ministerie van Financiën. Op een bijeenkomst in Baarn, afgelopen donderdag, werd
het voor de aanwezige cateraars, leveranciers en producenten duidelijk op welke
doelstellingen bij de overheid zij in kunnen spelen; VROM gaat voor 20%, V&W,
Buitenlandse zaken en Economische zaken streven naar 15 %, OCW gaat voor 10% en Financiën
voor 5%. LNV streeft naar de volle 100% in 2007.
Westland introduceert nieuwe
light kaas met slechts 7% vet
Westland Kaasspecialiteiten B.V., onder meer bekend van Maaslander en Old Amsterdam brengt
een nieuwe slankkaas op de markt. Westland X-traLight is een jong belegen light kaas die
slechts 7% vet bevat (10+). Naast voorverpakte plakken (de magerste kaas in de markt) is
er ook X-traLight smeerkaas in drie varianten: naturel, belegen en een verfrissende nieuwe
yoghurt smaak. Westland X-traLight kaas is er speciaal voor mannen en vrouwen die actief
letten op de lijn en toch gewoon kaas willen blijven eten omdat ze het lekker en gezond
vinden.
Hoe vet is vet?
Door toepassing van een nieuwe bereidingswijze is het Westland gelukt een light kaas op de
markt te brengen die perfect past in een calorie-arm eetpatroon. Op veel kaasproducten
wordt het vetgehalte met een getal en een plus weergegeven (bijvoorbeeld 20+ en 48+), wat
bij veel consumenten verwarring oproept. X-traLight is met 10+ dus de magerste kaas op de
markt en de verpakking van X-traLight spreekt duidelijke taal; er staat op dat er slechts
7% vet in de kaas zit. Kortom; ook in periodes wanneer mannen en vrouwen iets extras
willen doen voor de lijn, zoals bijvoorbeeld na de feestdagen of vlak voor het
bikini-seizoen, kan kaas op het menu blijven staan met Westland X-traLight.
Slanke Kaas. Slimme Keus
Westland lanceerde deze maand ook de website www.xtralight.nl. Onder het thema
Slanke Kaas. Slimme keus geeft diëtiste Ingeborg Driessens elke website
bezoeker een persoonlijk advies om de juiste balans in gezond leven te vinden. Door middel
van de balans test geeft ze tips over beweging en gezonde afwisseling in het
eetpatroon. Op de website is ook gedetailleerde informatie te vinden over de Westland
X-traLight producten en diverse acties.
Hoogervorst tekent overeenkomst
met WHO
Bron: Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport
Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Wereldgezondheidsorganisatie
(WHO) bundelen hun activeiten op het gebied van ziekte als diabetes en kanker, Hiv/Aids en
TB en Gezondheidssystemen. Daartoe hebben minister Hoogervorst en dr. Lee Jong-wook,
directeur-generaal van de WHO vandaag een overeenkomst getekend in Genève tijdens
jaarlijkse de World Health assembly. VWS geeft voor de periode 2005-2008 18 miljoen euro.
Volgens Hoogervorst is de WHO een van de best functionerende VN-organisaties en behoort
Nederland bij de grotere financiers van de WHO. Hij ziet de samenwerking dan ook als een
investering in de wereldgezondheidzorg.
4D-beeldverwerking in de
oncologie
Bron: Universiteit van Amsterdam
Prof. dr. M.B. van Herk, bijzonder
hoogleraar 4D beeldverwerking in de oncologie: Verwerking van beelden in beweging. Moderne
scanners kunnen niet alleen statische driedimensionale (3D) opnames maken van organen en
tumoren, maar ook films van de patiënt. Op deze manier wordt een vierde dimensie
toegevoegd: de tijd. De onderzoeksgroep van Van Herk ontwikkelde software voor een nieuw
soort bestralingstoestel dat werkt met vierdimensionale (4D) afbeeldingen. Dit
bestralingstoestel heeft een geïntegreerde CT-scanner, waarmee de plaats en de beweging
van de tumor vlak vóór de bestraling kunnen worden vastgesteld. Hierdoor kan men de
bestralingsbundel preciezer op de tumor richten en zullen er minder bijwerkingen optreden,
zelfs bij zeer agressieve behandelingen. De techniek is door het Nederlands Kanker
Instituut (NKI)/Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (AVL) - wereldwijd - als eerste klinisch
geïntroduceerd. In zijn oratie legt Van Herk uit hoe de 4D-beelden gebruikt worden om de
bestraling van kankerpatiënten te plannen en om de behandeling beter te kunnen volgen en
sturen. Daarnaast beschrijft hij andere toepassingen van deze technieken voor weergave en
verwerking van beelden in beweging. Zo levert de samenwerking tussen het NKI/AVL en het
Academisch Medisch Centrum (AMC) een kruisbestuiving op van technieken uit de
radiotherapie en de diagnostiek. Het AMC heeft zeer geavanceerde diagnostische apparatuur
in huis, waarbij men 4D-beeldverwerkingtechnieken nu gebruikt voor onderzoek naar de
structuur van bloedvaten in het hart, de diagnostiek van prostaatkanker en de analyse van
het effect van bestraling of drugsgebruik op de hersenen.
Goed zicht is méér dan alleen
scherp zien
Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Nieuwe lasertechnieken en chirurgische
methoden maken het mogelijk om fouten in de optiek van het oog te corrigeren. Dat levert
vaak een veel scherper beeld op. Maar scherper is niet altijd beter, waarschuwt oogarts
Ying-Khay Nio. Het wegpoetsen van alle optische afwijkingen kan ten koste gaan van andere
eigenschappen die voor een goed zicht belangrijk zijn, zoals scherptediepte. Een bril
geeft nog altijd het beste resultaat. Nio promoveert op 1 juni 2005 aan de
Rijksuniversiteit Groningen.
Nio deed oogmetingen in het Universitair
Medisch Centrum Groningen bij gezonde proefpersonen en bij patiënten die een operatie
hadden ondergaan voor staar of bijziendheid. Nieuw is dat hij ook metingen verrichtte aan
ogen die níet scherp gesteld zijn, en dus 'uit focus' zijn. Daardoor kan hij als eerste
een verband leggen tussen bepaalde optische afwijkingen in het oog en het hebben van
scherptediepte na een oogcorrectie.
Afwijkingen zijn functioneel
Het oog vertoont van nature allerlei subtiele optische afwijkingen. Daardoor kan zich geen
perfect brandpunt vormen. Dat gebeurt bijvoorbeeld als het brandpunt van de lichtstralen
door de rand van het hoornvlies dichterbij ligt dan dat van de lichtstralen door het
centrale, bollere deel van het hoornvlies. Dat gaat ten koste van de beeldkwaliteit.
Daarom probeert men deze zogeheten aberraties met laserbehandelingen of oogoperaties kwijt
te raken. Uit het onderzoek van Nio blijkt echter dat deze optische afwijkingen wel
degelijk functioneel zijn.
Risico's
Het volledig weg-opereren of -laseren van aberraties is daarom niet zonder risico's. Het
kan leiden tot minder scherptediepte. `Mensen die geen scherptediepte hebben, zien maar op
één afstand scherp', zegt Nio. `Alles daar vlak voor of vlak achter is relatief wazig.
Dat is erg onhandig in het dagelijks leven.' Bij jonge mensen, die dit verlies nog kunnen
corrigeren door de lens aan te passen of te accomoderen, kan dit al tot klachten leiden.
Oudere mensen verliezen vaak het vermogen om de lenssterkte te variëren. Voor hen is het
verlies van scherptediepte ernstiger en vormt het een handicap.
Onnatuurlijk scherp
Bovendien is het volgens Nio de vraag of het netvlies en de hersenen wel berekend zijn op
deze onnatuurlijk scherpe afbeeldingen. Ze hebben zich tijdens de evolutie juist aangepast
aan een minder contrastrijke of gedetailleerde afbeelding van de buitenwereld. Een van de
mogelijke gevolgen is onderbemonstering (aliasing). Een bekend voorbeeld van dit fenomeen
is het schijnbaar achteruitdraaien van wielen op televisie, terwijl de auto of trein juist
vooruit rijdt. In dit geval is de televisie niet opgewassen tegen de overvloed aan
informatie.
Optimaliseren, niet minimaliseren
Vooralsnog is het niet mogelijk om álle imperfecties uit de oogoptiek te halen en dat is
maar goed ook, vindt Nio. `Je moet niet streven naar het minimaliseren van aberraties,
maar juist naar het optimaliseren ervan.' Vervolgonderzoek moet aantonen hoe aberraties
gebruikt kunnen worden om het zicht als geheel te verbeteren.
Bril nog superieur
Nio vergeleek ook een aantal technieken voor de behandeling van bijziendheid, zoals de
bril, harde en zachte contactlenzen, een laserbehandeling en het implanteren van een
nieuwe lens. Geen enkele chirurgische techniek bleek het beter te doen dan de aloude bril.
`Dat komt ook omdat laser- en operatietechnieken nog niet 100 procent succesvol zijn',
zegt Nio.
Behandeling van depressie met
antidepressiva én schildklierhormoon leidt tot bijwerkingen
Mensen met een traag werkende schildklier
zijn vaker depressief. Vanwege die relatie wordt in de behandeling van depressie soms
schildklierhormoon (T3) voorgeschreven. Uit twee gerandomiseerde klinische studies blijkt
echter dat het geven van T3 in combinatie met de moderne klasse van antidepressiva
(SSRI's) geen effect heeft. Sterker nog: patiënten die ook T3 kregen rapporteerden meer
bijwerkingen. Wel bleek er een verband te bestaan met het schildklierstimulerend hormoon
TSH: mensen met een hogere TSH-waarde in het bloed reageren beter op SSRI's.
Bron: Universiteit van Amsterdam
Piekerende patiënt heeft
slechtere prognose
De wijze waarop patiënten omgaan met
klachten aan arm, nek of schouder heeft grote invloed op het herstel. Degenen die veel
piekeren over hun klacht of de neiging hebben zich terug te trekken, hebben een slechtere
prognose. Dit blijkt uit het onderzoek waarop Sandra Bot op 13 mei 2005 promoveert aan het
VU medisch centrum.
Ook patiënten die al lang last hebben
van hun klacht voordat ze een huisarts raadplegen of herhaaldelijk dezelfde klacht
ondervinden, blijken een slechtere prognose te hebben. Het hebben van meerdere klachten
aan het bewegingsapparaat verlaagt de kans op herstel en vermindering van pijn en
beperking.
Een huisarts met tweeënhalf duizend
patiënten wordt circa 366 keer per jaar geconsulteerd vanwege een klacht aan de arm, nek
of schouder. Slechts eenderde van de patiënten rapporteert volledig herstel na 1 jaar.
Behalve dat arm- nek- en schouderklachten dus belastend zijn voor zowel de patiënt als de
maatschappij (door verlies van arbeidsproductiviteit), vergroten ze ook de werkbelasting
van de huisarts.
De informatie uit Bots onderzoek
helpt de huisarts zijn patiënten beter te informeren over hun prognose. Daarnaast, stelt
Bot, zijn patiënten te identificeren met een hoog risico op aanhoudende klachten en voor
wie aanvullende diagnostiek of behandeling nodig is.
Ingenieurs helpen diagnose en
behandeling van hersentumoren en epilepsie flink vooruit
Doctoraten over signaal- en
beeldverwerking leiden tot betere scans en EEGs
Aan de K.U.Leuven worden drie doctoraten
verdedigd die het steeds grotere belang van ingenieurs in de geneeskunde illustreren.
Telkens gaat het om verbeterde technieken voor signaalverwerking, beeldverwerking en
patroonherkenning, ontwikkeld in het departement Elektrotechniek van de faculteit
Ingenieurswetenschappen. De technieken zorgen ervoor dat dokters betere diagnoses kunnen
stellen op basis van scannerbeelden, chemische analyses en EEGs.
Twee doctoraten leidden tot een
nauwkeuriger diagnose op basis van magnetische resonantie (MR). MR wordt gebruikt bij
onder meer hersentumoren, multiple sclerose, epilepsie en ziekte van Alzheimer. De
techniek levert niet alleen beelden van de concrete ziekteprocessen, maar geeft ook
inzicht in de onderliggende biochemische processen en kan het effect van medicatie
opvolgen.
Siddharth Srivastava verfijnde de
toepassing van MRI (magnetic resonance imaging, de zogenoemde scannerbeelden) bij de
pre-operatieve evaluatie van moeilijk te behandelen epilepsie. Tegen epileptische
aanvallen worden doorgaans geneesmiddelen voorgeschreven, maar soms is er een operatie
nodig. Dan haalt de chirurg hersenletsels weg die de epileptische aanvallen veroorzaken.
Die letsels moeten vóór de operatie uiteraard heel precies afgebakend worden en zijn
soms zo subtiel dat ze niet opmerkt worden bij visuele analyse van de scans. Srivastava
ontwikkelde een computertechniek waarmee je op een scan automatisch kleine letsels kunt
aantonen die verantwoordelijk kunnen zijn voor deze vorm van epilepsie.
Hoogervorst tekent overeenkomst
met China
Minister Hoogervorst heeft vanochtend in
Peking een samenwerkingsoverkomst getekend met minister Gao van Volksgezondheid van de
Volksrepubliek China. De overeenkomst voorziet in een samenwerking in de preventieve
gezondheidszorg gericht op het voorkomen en beheersen van infectieziekten.
Ondanks het verschil in grootte hebben
China en Nederland veel gemeen, vooral de hoge bevolkingsdichtheden gekoppeld aan
intensieve veehouderij. Minister Hoogervorst zei tegen zijn collega dat hij onder de
indruk was van de ontwikkelingen in de Chinese gezondheidszorg.
De samenwerkingsovereenkomst is het
resultaat van het werkbezoek in december vorig jaar van de Chinese premier Wen Jiabao aan
Nederland. De premier heeft toen aangegeven graag samenwerking te zien tussen Chinese
instellingen en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
De overeenkomst beslaat verder
uitwisseling van kennis op het gebied van Hiv/Aids en tuberculose, innovatie van
geneesmiddelen, eerstelijnszorg en voedselveiligheid.
Angst als vlek in de hersenen
Angst is op hersenscans zichtbaar als een
verhoogde activiteit van de amygdala, ook wel de amandelkern genoemd. De reactiviteit van
de amygdala wordt onderdrukt door andere hersengebieden, zoals de prefrontale schors. Bij
mensen met angststoornissen werkt deze controle vanuit de prefrontale schors echter
onvoldoende en is overmatige en irreële angst het gevolg. Promovenda Odile van den Heuvel
verdedigt de conclusies van haar hersenscanonderzoek op 12 mei aan het VU medisch centrum
te Amsterdam.
Odile van den Heuvel liet tijdens haar
experimenten gezonde proefpersonen en patiënten met angststoornissen kijken naar vieze
plaatjes of ze gaf hun emotioneel geladen woorden zoals twijfel te lezen. De
hersenscans van de gezonde proefpersonen lieten een verhoogde activiteit zien van de
prefrontale schors. Echter, bij de proefpersonen met angststoornissen was juist een sterk
verhoogde activiteit van de amygdala te zien. Van de prefrontale schors is bekend dat deze
betrokken is bij allerlei sturende functies. Van den Heuvel concludeert daarom dat de
angstklachten worden veroorzaakt door een falen van dit controlecentrum van de hersenen.
Daarbij toonde de promovenda aan dat mensen met angstklachten ook slechter presteren bij
emotioneel neutrale taken, zoals het oplossen van een denkoefening. Ook hier lieten deze
proefpersonen een verstoorde functie zien van de prefrontale schors.
De resultaten van dit onderzoek zijn niet
zonder slag of stoot verkregen. In de beginjaren van haar onderzoek leek het er zelfs op
dat niet een verlaagde maar een verhoogde activiteit van de prefrontale schors
verantwoordelijk was voor de angst. Angst voor vuil is een vlek in het brein,
berichtte De Volkskrant in oktober 2000 naar aanleiding van de eerste resultaten. Later
bleek echter dat deze vlek in de prefrontale schors een artefact was, veroorzaakt door
beweging van het hoofd als reactie op de vieze plaatjes. Na correctie voor dit bewegen
werd de echte vlek gevonden in de amygdala.
Het in beeld brengen van gevoel en
gedachte en hun onderlinge interacties, zal op langere termijn bijdragen aan de
ontwikkeling van nieuwe behandeltechnieken voor angst.
Sensor slaat alarm bij
maagdarmproblemen
Bron: Nederlandse Organisatie voor
Wetenschappelijk Onderzoek
Aan de Universiteit Twente heeft Sebastiaan Herber een sensor ontwikkeld die
maagdarm-ischemie, ofwel een slechte doorbloeding van de maag, kan detecteren. Een kenmerk
van maagdarm-ischemie is een te hoge concentratie koolzuur in de maag. De sensor meet die
concentratie en weet daardoor hoe goed of slecht de maagwand is doorbloed. Onderzoeker
Sebastiaan Herber promoveert 13 mei op dit STW-project bij Universiteit Twente.
Hoofdbestanddelen van de sensor zijn een
pH-gevoelige polymeer (hydrogel) en een micro-druksensor. Het polymeer bevat een grote
hoeveelheid water en krimpt of zwelt met de veranderende pH-waarde mee. Het polymeer is
opgesloten tussen een micro-druksensor en een poreus, silicium deksel. In het deksel zit
een reservoir met bicarbonaat elektrolyt, afgedekt door een gasdoorlatend membraan.
Het koolzuurgas vloeit vanuit de maag
door het gasdoorlatend membraan de elektrolyt in, waar een reactie op gang komt die de
pH-waarde verlaagt. Het pH-gevoelige polymeer wil als reactie zwellen. Aangezien het
opgesloten is, bouwt het echter een druk op die de druksensor vervolgens meet. Dit proces
kan twee kanten op werken: als de koolzuurspanning daalt, verhoogt de pH-waarde waardoor
het polymeer krimpt en de druk afneemt.
De sensor is klein (2,9x0,9x0,7 mm3) en
past gemakkelijk in een kathetertip. De kathetertip wordt via de neus in de maag gebracht
en blijft daar totdat de meting is afgelopen. Herber ontwikkelde deze sensor om
maagdarm-ischemie in een vroeg stadium op te sporen. Maagdarm-ischemie kan leiden tot pijn
na de maaltijd, pijn na lichamelijke inspanning, diarree, misselijkheid en mogelijk
ernstig gewichtsverlies.
Toekomstplannen
Metingen onder labcondities geven tot dusver veelbelovende resultaten. Binnenkort worden
in het Medisch Spectrum Twente ziekenhuis nieuwe metingen uitgevoerd: een 24-uurs meting
en een inspanningsmeting op een hometrainer. De sensor blijft in beide gevallen enige tijd
in de maag en is dus bestand tegen zoutzuur. Voor de metingen ontwikkelt Herber een
prototype katheter samen met Sentron Europe BV. Bij succesvolle metingen wil het bedrijf
de sensor in productie nemen.
Daarnaast is er interesse in de
mogelijkheid van de sensor om de koolzuurspanning in de hersenen van intensive care
patiënten te meten. Door dit te meten kan iets gezegd worden over het herstel van de
patiënt. Verder kan de sensor aangepast worden zodat er andere stoffen mee gemeten kunnen
worden, zoals glucose of specifieke ionen.
Cannabis in de strijd tegen
vetzucht
De afdeling Farmacochemie van de VU
organiseert het vijftiende Noordwijkerhout-Camerino Symposium Trends in drug research, van
zondag 8 tot en met vrijdag 13 mei. Prof. Raphael Mechoulam uit Jeruzalem is een van de
sprekers.
Hij ontdekte de zogeheten cannabinoïden
(de actieve bestanddelen van cannabis) die ons lichaam zelf maakt en die met
cannabinoïde-receptoren reageren. Wetenschappers verwachten dat ze deze stoffen over niet
al te lange tijd als geneesmiddel in de vorm van een pil kunnen introduceren, bijvoorbeeld
voor de bestrijding van vetzucht.
Ze kunnen namelijk de eetlust doen
afnemen. Deze en andere mogelijke toepassingen van cannabisachtige stoffen komen aan bod
op het symposium.
In Nederland is het bedrijf Solvay
Pharmaceuticals met een synthetisch cannabinoïde in een vergevorderd stadium van
onderzoek. Het bedrijf rapporteert daarover op het symposium.
Het symposium is het vijftiende in een
reeks die in de jaren zeventig begon. Om de twee jaar wordt een symposium georganiseerd,
beurtelings in Italië (Camerino) en Nederland (Noordwijkerhout). Er staan diverse andere
actuele thema s op het programma, zoals de vraag op welke manier men in een zo vroeg
mogelijk stadium van het onderzoek naar een nieuw geneesmiddel een betrouwbare beslissing
kan nemen over de vraag doorgaan of stoppen? .
Bron: Vrije Universiteit Amsterdam
Moleculen van lust zijn niet te
koop
Je sprenkelt het op je en de vrouwen
vallen voor je als een blok, beweren advertenties voor Androstenone®. De
revolutionaire mens cologne bevat wetenschappelijk geconstrueerde
feromonen, die de primitieve hersendelen van vrouwen prikkelen. De feromonen maken
oerkrachten los die bij jouw natuurlijke verschijning normaliter blijven sluimeren.
Natuurlijk werkt het niet, zegt dr Focko Rommerts. Maar compleet onzinnig is het ook
niet.
Rommerts was dinsdagmiddag te gast op
Zodiac en gaf daar zijn lezing over de moleculaire grondslagen van de lust. Wat drijft
wezens tot paring? Moleculen, onder andere, zegt de biochemicus, die jarenlang in Utrecht
en Erasmus Universiteit onderzoek deed naar testosteron.
Zeugen zijn bereid tot paring als
ze op het juiste moment in hun cyclus androstenon ruiken, zegt Rommerts, nadat hij
door de zaal is gelopen en de aanwezigen heeft besproeid met androstenon. Maar bij u
werkt het minder. Voelt u al iets?
Het antwoord is neen, al roepen enkele vrouwen dat ze de lucht
uitgesproken walgelijk vinden. Toch kan Rommerts onderzoeken laten zien waarin
vrouwen zich beter op hun gemak voelen bij mannen, als die een apparaatje op hun lichaam
dragen dat androstenon verspreidt.
In de neus bevindt zich een orgaantje dat
het hormoon, dat sterk lijkt op testosteron, registreert. Hersenen gaan anders om
met geurprikkels dan met wat de andere zintuigen waarnemen, licht Rommerts toe.
De prikkels van alle andere zintuigen worden eerst voorverwerkt door de cortex voor
we ze waarnemen. De cortex kan signalen afzwakken of zelfs wegcensureren. Maar geur nemen
we direct waar.
Mannetjesmuizen herkennen andere
mannetjes aan hun androstenon. Genmuizen waarbij het androstenonorgaantje niet meer werkt
vechten daarom ook niet met andere mannetjesmuizen. Maar ze copuleren er wel
mee, aldus Rommerts. Make love, not war. Het kan dus echt.
Natuurlijk is lust niet alleen een zaak
van androstenon. Neurotransmitters zijn ook belangrijk, zegt Rommerts. Als het gaat
om neurotransmitters lijkt het effect van seks op dat van drugs. Drugs als XTC of cocaïne
verhogen de concentratie van neurotransmitters als serotonine en dopamine in de hersenen.
Die neurotransmitters stimuleren op hun beurt weer de genotcentra in de hersenen, de
plaatsen waar we gevoelens van plezier genereren. Andersom remmen neurotransmitters de
pijncentra, die het tegenovergestelde doen. Seks doet hetzelfde. Maar dan zonder de
bijwerkingen.
Rommerts betwijfelt of onderzoekers er
ooit in zullen slagen om een middel te maken dat doet wat de advertenties voor producten
als Androstenone® valselijk beloven. Op moleculair niveau zijn er misschien wel
twintig stoffen die voor het ontstaan van lustgevoelens belangrijk zijn, zegt hij.
In een laboratoriumsetting, waar je die twintig stoffen op het juiste moment en op
het juiste ogenblik kunt toedienen, ja, daar zou je misschien lust kunnen opwekken. Maar
in het echte leven niet.
[Bron:
WK]
Cochleair implantaat voor doven
geeft betere muziekkwaliteit
Volledig dove mensen kunnen opnieuw
muziek horen en melodieën herkennen dankzij een nieuwe techniek voor cochleaire
implantaten. De techniek geeft de patiënten een veel beter gevoel voor toonhoogte.
Daardoor kunnen ze ook beter sprekers herkennen of intonatie horen. Speciaal voor doven
uit Azië kan dat heel belangrijk zijn, omdat in Aziatische talen de toonhoogte heel
belangrijk is. De techniek werd ontwikkeld door Johan Laneau in het kader van zijn
doctoraatsonderzoek.
Elk jaar worden er in Vlaanderen
zon 30 kinderen geboren met een ernstig gehoorverlies in beide oren. Ook op latere
leeftijd verliezen mensen soms hun gehoor door ziekte, ongeval of ouderdom. Doofheid kan
nog niet genezen worden. Daarom werd in de jaren tachtig en negentig het cochleair
implantaat ontwikkeld. Dat is een hoorapparaat dat doven opnieuw laat horen en
communiceren.
Een cochleair implantaat wordt
chirurgisch in het binnenoor van de patiënt ingebracht en stimuleert daar rechtstreeks de
gehoorzenuw met elektrische pulsen. De reactie van de gehoorzenuw op de elektrische pulsen
wekt een bepaald geluid op bij de patiënten. Met dit apparaat kan een ernstig
slechthorende opnieuw of voor de eerste keer horen. Maar er zijn een paar nadelen. Hoewel
spraak vrij duidelijk kan klinken in een stille omgeving, klinkt muziek erg slecht met een
cochleair implantaat.
Johan Laneau onderzocht daarom eerst hoe
patiënten met een cochleair implantaat toonhoogte ervaren, of met andere woorden: welke
fundamentele mechanismen een rol spelen als patiënten met een cochleair implantaat
toonhoogte bepalen. Die informatie werd in de tweede fase gebruikt voor het ontwerpen van
een nieuwe techniek die het gevoel voor toonhoogte verbetert.
Elk cochleair implantaat berekent welke
elektrische pulsen het cochleair implantaat moet uitsturen naar gelang van het signaal dat
wordt opgenomen door het microfoontje. Met de nieuwe techniek zijn de berekende
elektrische pulsen geoptimaliseerd om de toonhoogte zo correct mogelijk door te geven. Uit
testen met proefpersonen bleek dat het gevoel voor toonhoogte tot driemaal beter was. Een
gevolg was dat dankzij deze nieuwe techniek de proefpersonen meer melodieën konden
herkennen.
Op die manier kunnen dove mensen met hun
cochleair implantaat weer naar muziek luisteren. Hoewel dankzij de techniek de
geluidskwaliteit sterk verbeterd is, is ze wel nog niet te vergelijken met de kwaliteit
die horenden waarnemen. Daarom moet de techniek verder geëvalueerd worden voor hij op
grote schaal gebruikt kan worden.
Voor meer informatie kunt u contact
opnemen met Johan Laneau van
de K.U.Leuven op het telefoonnummer 016-33 24 16. Laneau verdedigt zijn doctoraat
Als doven naar muziek luisteren. Toonhoogtewaarneming met een cochleair
implantaat op 2 mei. Het onderzoek gebeurde in samenwerking met de afdeling
Experimentele Oto-Rino-Laryngologie (Neurowetenchappen, Geneeskunde) en de afdeling
Signalen, Identificatie, Systeemtheorie en Automatisatie (ESAT, Ingenieurswetenschappen).
Ontbijt dat je kanker kan geven
Ontbijten is belangrijk, dat weten we
allang. Ik heb reeds geschreven dat we moeten oppassen voor ontbijt met hoge gehaltes
suiker, want het is slecht voor onze kinderen en slecht voor onszelf. Maar dat je ook
kanker kunt krijgen van je ontbijtgranen was ook voor mij nieuw. Dit bericht komt van de
Stockholm Universiteit waar men ontdekte dat er kankerverwekkende stoffen zitten in veel
ontbijt samenstellingen. Er blijkt acrylamide vrij te komen bij het koken van bepaalde
bewerkte voedingsmiddelen. Acrylamide wordt gebruikt bij het chemisch behandelen van
rioolwater en drinkwater. Dit blijkt ook voor te komen in voeding zoals chips, frietjes,
brood, rijst en graansoorten die bij het ontbijt gebruikt worden.
De Britse Inspectie vond dat bijvoorbeeld Kellog's Rice Crispies en de beroemde chips van
Pringles een heel hoge concentratie acrylamide vertoonden. Bij ratten veroorzaakt deze
stof o.a. baarmoeder- en borstkanker en leidt tot genetische
afwijkingen in het DNA. Het is dus gezonder om de goede koolhydraten te krijgen van vers
fruit, groenten, eieren enbiologisch brood en graansoorten. Hoe minder bewerkt hoe beter.
Hierna vind je de bronnen van onderzoek:
1. Swedish Scientists Find Cancer Agent
in Staple Foods;
Reuters News: April 23, 2002.
2. Mercola, Joseph Dr.; Does Acrylamide in Common Cooked Foods
Cause Cancer?; www.mercola.com
3. New Tests Confirm Acrylamide in American Foods, Center for
Science in the Public Interest; June 25 2002
4. Robert Uhlig; World Alert Over Cancer Chemical in Cooked
Food; Telegraph.Co.UK, 5/18/2002
[Bron: Nieuwsbrief Roy Martina Mei 2005]
Aanvullende informatie:
Onderzoek van de Voedsel en Waren
Autoriteit (VWA) bevestigt de aanwezigheid van acrylamide in diverse Nederlandse
voedingsmiddelen. De VWA trof de hoogste gehaltes acrylamide aan in chips, zoutjes,
pepernoten en ontbijtkoek. In patat werd acrylamide in mindere mate aangetroffen. In
kleinere hoeveelheden komt acrylamide voor in kruidnootjes, brood, beschuit, cornflakes,
crackers, donker roggebrood, toast en koffie. Dit beeld komt overeen met de bevindingen in
omliggende landen. In overleg met de industrie probeert de VWA de vorming van acrylamide
in voedingsmiddelen zoveel mogelijk te beperken. Uit voedselconsumptiecijfers blijkt dat
verhitte aardappelproducten, zoals chips en frites, de belangrijkste bronnen van
acrylamide zijn voor de consument.
Gentherapie tegen reuma
De komende twee jaar werkt het AMC samen
met het Dubai Bone & Joint Center aan een nieuw medicijn tegen reumatoïde artritis.
Dankzij een Arabische investering kan het bedrijf Arthrogen b.v., een spin off van het
AMC, zich de komende tijd richten op de verdere ontwikkeling van gentherapie tegen diverse
vormen van reuma.
Gentherapie lijkt goede perspectieven te
bieden voor de behandeling van reuma. Deze benadering heeft als belangrijk voordeel dat
het geneesmiddel zijn effect specifiek uitoefent waar het nodig is: op de plaats van de
ontsteking. De standaardtherapie bestaat uit geneesmiddelen die het gehele lichaam
bereiken, wat aanleiding kan geven tot bijwerkingen zoals een verhoogde kans op infecties.
Bij gentherapie daarentegen, probeert men met een speciaal, kreupel gemaakt
boodschappervirus een zogenaamde vector therapeutische genen uitsluitend op
die plekken te krijgen waar ze nodig zijn. De betreffende genen coderen voor eiwitten die
de ontsteking remmen, waaronder zogenaamde TNF-alpha blokkers.
Samen met het Franse onderzoeksinstituut
INSERM toonde de afdeling Klinische immunologie en reumatologie van het AMC de afgelopen
jaren aan dat de vector AAV5 (adeno associated virus serotype 5) hiervoor geschikt is. De
vector wordt geproduceerd door een ander aan het AMC gelieerd bedrijf, AMT (Amsterdam
Molecular Therapeutics).
Het Dubai Bone & Joint Center, een
privé-kliniek in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), is gespecialiseerd in aandoeningen
van het bewegingsapparaat. De kliniek investeert de komende jaren enkele miljoenen
euros in Arthrogen.
In Nederland lijden naar schatting circa
150.000 mensen aan reumatoïde artritis. Dat aantal zal nog verder groeien door de
vergrijzing.
Cellulaire geneeskunde: het enige
wetenschappelijke alternatief voor de falende chemotherapie
In oktober 2004 maakte het Duitse
tijdschrift Der Spiegel het falen bekend van 50 jaar kankerbehandelingen door
de farmaceutische industrie. Onder de kop Gifkuur zonder nut werden de
statistieken van een halve eeuw samengevat. Miljoenen mensen vernamen dat de slachtoffers
van chemotherapie door dit celgif geen dag langer leven!
De afgelopen jaren, en parallel aan dit
dramatische feit, is er een wetenschappelijk gefundeerd alternatief gekomen, dat reeds
door duizenden mensen wordt gebruikt: cellulaire geneeskunde; een werkzame, natuurlijke
geneeswijze zonder bijwerkingen.
De grondslag voor het succes van
cellulaire geneeskunde in de strijd tegen kanker is het inzicht dat alle soorten kanker
zich via hetzelfde mechanisme uitbreiden. Kankercellen produceren enzymen (een soort
biologische messen) waarmee ze zich in het weefsel kunnen uitzaaien (metastaseren).
Bepaalde vitaminen en andere cellulaire voedingsstoffen zijn in staat om de productie van
deze biologische messen af te remmen en daardoor de uitzaaiing van de kankercellen tegen
te houden.
Dit baanbrekende inzicht van de arts en
wetenschapper dr. Matthias Rath werd onmiddellijk ondersteund door tweevoudig
Nobelprijswinnaar Linus Pauling.
Het valt te voorzien dat kanker dankzij
cellulaire geneeskunde spoedig geen doodvonnis meer zal zijn. Daarmee zal de miljarden
euros omvattende farmaceutische handel in deze ziekte in elkaar storten. Daarom is
het geen wonder dat het farmaceutisch kartel en de opinieleiders in de media die ervan
afhankelijk zijn, tekeer gaan tegen cellulaire geneeskunde en tegen dr. Rath.
Meer informatie hier
Gen dat Roberts syndroom
veroorzaakt gevonden
Een internationaal onderzoeksteam,
waarbij ook de oncogenetica groep van het VU medisch centrum, onder leiding van prof dr.
Hans Joenje was betrokken, heeft het gen gevonden dat het Roberts syndroom veroorzaakt.
Bijzonder, omdat dit gendefect kan leiden tot een ongewoon chromosomen aantal, een
verschijnsel dat ook bij kankercellen voorkomt.
Het Roberts syndroom is een ernstige
aandoening. Een op de vijf patiënten overlijdt al voor de geboorte, een groot aantal vlak
daarna. De sterfte wordt met name veroorzaakt door een defect aan het hart. Ook andere
organen zijn vaak slecht ontwikkeld. Verder vertonen patiënten met het Roberts syndroom
algehele groeiachterstand, hebben korte of bijna afwezige armen, benen, vingers en tenen,
nierafwijkingen, oogafwijkingen, een tweezijdig gespleten lip en verhemelte.
Bij de celdeling van de patiënten met
het Roberts syndroom verdeelt het DNA zich niet gelijk over de twee cellen. Dat komt door
een defect op de plekken waar het DNA vlak voor de celdeling bij elkaar gehouden wordt.
Middels onderzoek binnen een cluster van Colombiaanse patiënten en genetische technieken
kon worden vastgesteld dat het zogenoemde ESCO2-gen op chromosoom 8 verantwoordelijk is
voor dit defect. Over de functie van dit ESCO2-gen was tot nu toe niets bekend.
Patiënten met het Roberts syndroom
hebben van beide ouders een defecte kopie van ESCO2 gekregen. Hierdoor wordt het DNA na
verdubbeling niet goed aan elkaar gekoppeld en ontstaan fouten in de celdeling. De
ontdekking maakt een definitieve diagnose en prenatale tests of pre-implantatie
diagnostiek mogelijk.
Omdat het ESCO2-gen een rol speelt bij de
structuur van chromosomen kan het van belang zijn voor het kankeronderzoek. Net als bij
cellen van patiënten met het Roberts syndroom verliezen ook kankercellen chromosomen of
hebben er juist meer.
De resultaten van het onderzoek worden
deze week gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Nature Genetics.
Aanknopingspunten voor
effectievere behandeling ziekte van Crohn
Bacteriën spelen een cruciale rol bij
het ontstaan van de ziekte van Crohn. De regulerende rol die het immuunsysteem speelt bij
het bestrijden van de darmontsteking is bij Crohn-patiënten defect. Dit concludeert
gastro-enteroloog in opleiding Frank Hoentjen in zijn onderzoek naar oorzaken en
behandeling van de ziekte van Crohn. Hoentjen promoveert vrijdag 29 april a.s. aan het VU
medisch centrum op zijn proefschrift dat de titel ' Mechanisms of bacterial-induced
experimental colitis' draagt.
De ziekte van Crohn is een chronische
darmontsteking die zich meestal opjongere leeftijd presenteert en die niet spontaan
geneest. Eén van de oorzaken voor het ontstaan van de ziekte van Crohn zijn
darmbacteriën. Hoentjen werkte in zijn onderzoek met muizen en ratten. Deze dieren
ontwikkelden door genetische veranderingen spontaan chronische darmontsteking wanneer er
niet-pathogene (commensale) bacteriën in hun systeem aanwezig waren. Bij dieren zonder
deze niet-pathogene bacteriën bleef een ontsteking uit. Hoentjen toonde aan dat muizen
met dikke darmontsteking (colitis) baat hebben bij behandeling met antibiotica. Daarbij
liet hij zien dat specifieke antibiotica effectief zijn op verschillende delen van de
darmen. Ook werd aangetoond dat Lactobacillus GG, een bacterie met een potentieel
beschermende werking (probiotica), darmontsteking kon voorkomen na antibiotische
behandeling. Tevens bleek dat bepaalde suikers (prebiotica) de groei van deze beschermende
bacteriën kunnen stimuleren en daarmee colitis gedeeltelijk kunnen voorkomen.
Een andere oorzaak voor de ziekte van
Crohn is chronische stimulatie van het immuunsysteem. Onder meer is door Hoentjen gekeken
naar het proces dat plaats vindt in een dendritische immuuncel op het moment dat deze door
bacteriën wordt gestimuleerd. Deze stimulatie kan door de beschermende stof interleukine
worden geremd. Dit gebeurt specifiek door de remming van de aanmaak van DNA. Wanneer dit
DNA niet wordt geremd kan het een ontstekingsreactie veroorzaken. De bevindingen van
promovendus Hoentjen zijn bijzonder relevant voor het ontwikkelen van potentiële
therapieën die specifieker kunnen werken en daardoor minder bijwerkingen met zich
meebrengen. Het ontwikkelen van effectievere behandelingen is belangrijk voor de kwaliteit
van leven van de 35.000 patiënten met chronische darmonstekingen in Nederland.
Bron: VU Amsterdam
Moleculair mikado maakt celdeling
mogelijk
Fysici van de Vrije Universiteit zijn
erin geslaagd te laten zien hoe Eg5, een sleuteleiwit voor celdeling, het interne
celmilieu reorganiseert zodat twee celcentra ontstaan. Dit is nodig voor de accurate
verdeling van het erfelijk materiaal tijdens celdeling. Onderzoekers drs. Lukas Kapitein,
dr. ir. Erwin Peterman, prof. dr. Christoph Schmidt en collega's bewezen bovendien dat Eg5
kan opereren zonder hulp van andere eiwitten. Het inzicht biedt nieuwe aangrijpingspunten
voor therapieën tegen ziekten als kanker en levert een publicatie op in het gezaghebbende
tijdschrift Nature van donderdag 5 mei. Het onderzoek is medegefinancierd door NWO.
Van essentieel belang voor de overleving
van organismen is dat ze hun cellen vermeerderen en vervangen. Dat gebeurt door celdeling,
ook wel mitose genoemd. Een verstoorde celdeling is oorzaak van vele ziekten, waarvan
kanker het bekendste voorbeeld is. Een gedetailleerd inzicht is cruciaal om celdeling en
gerelateerde ziekten te begrijpen, maar veel belangrijke aspecten zijn nog steeds
onduidelijk. Bekend was al wel dat het eiwit Eg5 (een zogeheten motoreiwit) onmisbaar is
bij de reorganisatie van de cel voorafgaand aan de splitsing. Ook een stof die remmend
werkt op Eg5 is al gevonden. Nu de fysici hebben aangetoond dat dit motoreiwit zelfstandig
opereert én hoe, wordt verder onderzoek mogelijk naar toepassing bij ziekten.
Tijdens celdeling wordt het genetisch
materiaal (DNA) van de cel verdubbeld en vervolgens gelijk verdeeld over twee celhelften;
daarna deelt de cel zich definitief. Om dit proces goed te laten verlopen, vindt er in de
cel een wonderlijke metamorfose plaats, die wel wat weg heeft van moleculair mikado.
Minuscule buizen die de cel zijn
stevigheid geven, de zogeheten microtubuli, zijn vlak voor de celdeling georganiseerd in
stervorm: de uiteinden (minpolen) van de buizen komen samen in het celcentrum, het
zogeheten centrosoom (zie afbeelding). De losse uiteinden zijn de pluspolen. Aan het begin
van mitose splitst het centrosoom zich in twee nieuwe, die zich van elkaar scheiden. Zo
ontstaat een organisatie in spoelvorm. Eg5 blijkt essentieel bij de vorming van die spoel.
Bron: Nederlandse Organisatie voor
Wetenschappelijk Onderzoek
Foliumzuur helpt botbreuken
voorkomen
Osteoporose (botontkalking) hangt samen
met een hoog niveau van het aminozuur homocysteine in het bloed. Een interventiestudie in
Japan heeft aangetoond dat door het terugbrengen van het homocysteinegehalte met
foliumzuur, het aantal botbreuken afneemt. Onderzoekers van het Erasmus MC publiceerden
over dit onderwerp in het maartnummer van the Journal of the American Medical Association
(JAMA).
Osteoporose komt vooral voor bij ouderen
en leidt tot een verhoogde kans op botbreuken. Mensen met deze aandoening kunnen al een
fractuur oplopen door een simpele val in de douche. Osteoporose vormt een groot
gezondheidsprobleem, als gevolg waarvan oudere mensen last hebben van pijn, in het
ziekenhuis verblijven en beperkt worden in bewegingsvrijheid en kwaliteit van leven. De
kosten als gevolg van osteoporose bedragen jaarlijks naar schatting enkele honderden
miljoenen euro's in Nederland, en drie miljard euro in Europa.
Over de oorzaken van osteoporose is nog
weinig bekend. Bekende risicofactoren zijn een hoge leeftijd, een lage botmassa en een
hoog valrisico. De relatie met een hoog homocysteine niveau werd door de Rotterdamse
onderzoekers reeds in mei 2004 aangetoond op basis van het ERGO-onderzoek. Het
ERGO-onderzoek is een grootschalig prospectief bevolkingsonderzoek onder 8000 bewoners van
55 jaar en ouder uit de Rotterdamse wijk Ommoord. Samen met onderzoekers van de
Amsterdamse LASA studie ontdekten zij dat mensen met een hoog homocysteine niveau in het
bloed ongeveer een twee keer zo hoog risico hebben op het krijgen van een botbreuk. Dit
risico was onafhankelijk van al bekende risicofactoren en betekende dat een hoog
homocysteine niveau een nieuwe voorspellende factor is voor het krijgen van een botbreuk.
Uit de Japanse interventiestudie Sato et
al is nu gebleken dat foliumzuur een positieve uitwerking heeft op het reduceren van het
homocysteine niveau. Er zijn meer studies nodig om dit te bevestigen, maar als deze
resultaten stand houden dan zijn een foliumzuurrijk dieet of het toedienen van foliumzuur
in pilvorm goedkope manieren om botbreuken te voorkomen.
Hepatitis C nu ook te genezen
ondanks ongunstige kenmerken bij de patiënt
Behandeling van Hepatitis C kan succesvol
worden afgerond ondanks ongunstige kenmerken bij de patiënt. Dit stelt Jan Maarten
Vrolijk in zijn proefschrift Response in hepatitis C virus non responders, waarop hij
donderdag 4 mei a.s. promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Hepatitis C komt wereldwijd voor bij naar
schatting 150 -170 miljoen mensen. 60.000 van hen wonen in Nederland. Chronische hepatitis
C-infectie leidt bij 20% van de besmette personen op de lange termijn tot levercirrose.
Sinds bijna 20 jaar wordt de behandeling van hepatitis C gebruik gemaakt van op interferon
gestoelde therapie. De kans op genezing is de afgelopen jaren gestegen van minder dan 10%
tot 80% bij geselecteerde patiënten.
Echter bij mensen met ongunstige
kenmerken liggen de kansen op blijvende virale response aanzienlijk lager. Belangrijke
ongunstige kenmerken zijn infectie met genotype 1 of 4, het al hebben van cirrose van de
lever of in het verleden niet gereageerd hebben op antivirale behandeling (de zogenaamde
non-responders). Bij patiënten met een of een combinatie van dergelijke criteria ligt de
kans om goed te reageren op de standaardbehandeling aanzienlijk lager, tussen 10 en
40%.Vrolijk onderzocht op welke wijze en onder welke omstandigheden voor deze groep toch
genezing mogelijk is.
De belangrijkste conclusie van het
proefschrift is dat bij patiënten met ongunstige kenmerken met behulp van intensieve
therapie de behandeling toch nog succesvol kan worden afgerond. Deze vindt echter
uitsluitend plaats onder juiste omstandigheden bij een combinatie van factoren zoals
afdoende hoge serum interferonspiegels en een adequate gastheerantivirale immuun response.
Beiden werden gedefinieerd en voor bepaling van het laatste werd een nieuwe techniek
ontwikkeld die het mogelijk maakt om op een weinig invasieve wijze de afweer in de lever
te meten.
[Bron: Erasmus universiteit]
Specifiek visoliesupplement
effectief bij ADHD
De eerste wetenschappelijke publicatie over de Durham studie is vandaag verschenen, meer
uitgebreide resultaten zullen binnenkort volgen. Dit onderzoek bevestigt de werking van
een natuurlijk, hoog-EPA visoliesupplement bij problemen als ADHD. Het in de studie
gebruikte supplement - Eye Q - kenmerkt zich door de specifieke ratio EPA:DHA (omega-3
vetzuren).
In Nederland is de diagnose ADHD bij 3 tot 5% van alle kinderen gesteld. Gedrags- en
leerproblemen bij kinderen vormen een grote belasting voor de ouders, de school, maar meer
nog voor het kind zelf. Medicatie, therapieën en dieet zijn veel gebruikte opties om de
kinderen rustiger te krijgen en beter geconcentreerd. Al geruime tijd is bekend dat
visolie iets lijkt te doen voor kinderen met klachten als ADHD, dyslexie en dyspraxie. Tot
op heden is dat echter onvoldoende aangetoond door de aanbieders van visolie. Dat
verandert zeer binnenkort.
In een publicatie in het
wetenschappelijke tijdschrift "Pediatrics" van 3 mei 2005 worden de eerste
resultaten gerapporteerd van een grote studie die gedaan is met een specifiek
vetzuursupplement. Aan de "Durham" studie hebben 110 kinderen van verschillende
basisscholen in het (Engelse) Durham district deelgenomen en het is gefinancierd door het
Durham School District en "The Dyslexia Research Trust". De geselecteerde
kinderen hadden coördinatiestoornissen (dyspraxie of DCD), vaak in combinatie met ADHD
en/of dyslexie. In deze studie is het effect van een natuurlijk (hoog-EPA)
visoliesupplement onderzocht op gedrags- en leerproblemen. De gedragsproblemen zoals
impulsiviteit en hyperactiviteit waren na drie maanden gebruik aanmerkelijk verbeterd door
het gebruik van een specifiek visoliesupplement.
Opzet "Durham" studie
Dat visoliesupplementen effectief kunnen zijn bij kinderen met ADHD, concentratie
problemen en hyperactiviteit blijkt uit individuele cases, kleine studies en andere
aanwijzingen in de wetenschappelijke literatuur zoals een mogelijk vetzuurtekort.
Natuurlijke visolie bevat twee vetzuren, te weten omega-3 DHA en omega-3 EPA. Twee recente
studies uit 2001 en 2004 tonen aan dat alleen DHA geen invloed heeft op ADHD.
In de Durham studie hebben wetenschappers
onderzoek gedaan naar het effect van natuurlijke visolie met een hoog EPA gehalte. Ruim
honderd kinderen met gedrags- en leerproblemen zoals ADHD en dyslexie hebben deelgenomen.
Bij aanvang van de studie zijn de kinderen uitgebreid psychologisch onderzocht. Er is
onder andere gekeken naar de mate van hyperactiviteit, concentratievermogen, lezen en
leren. De helft van de kinderen is gestart met een placebo (nepmiddel) de andere helft met
Eye Q, een natuurlijk, hoog-EPA visoliesupplement. Na drie maanden is de placebogroep ook
gestart met het visoliesupplement. Na drie en zes maanden (einde studie) zijn alle
kinderen weer onderzocht. Zowel de onderzoekers, de ouders als de leraren wisten in de
eerste drie maanden niet welk kind het nepmiddel gebruikte en welk kind de visolie.
Conclusie
Het resultaat van behandeling met bijvoorbeeld Ritalin is gemiddeld 0.75 op de Conner's
ADHD-index (een psychologische scorelijst van gedragsproblemen). De
Durham-studie toont resultaten met een specifiek visoliesupplement (Eye Q), die voor een
deel van de kinderen extra hulp kan bieden bij het leren en concentreren. De resultaten
van deze visolie gaf een Conner's ADHD-index van 0.67. Voor veel kinderen kan deze visolie
dan ook een natuurlijk ondersteuning bieden. Binnenkort worden meer gedetailleerde
resultaten in een wetenschappelijke publicatie verwacht!
Eye Q is een vrij verkrijgbaar
voedingssupplement op basis van zuivere visolie - uit sardines en ansjovis - en
biologische teunisbloemolie.
Aandacht voor persoonlijke
coaching mensen met astma
Beter omgaan met astma en daarmee de
kwaliteit van leven verhogen. Dat zijn de positieve effecten van persoonlijke coaching via
de Astma Fonds Advieslijn. Kortom, de dienstverlening werkt. Zo blijkt uit een evaluatie
van de dossiers van veertig mensen met astma die het afgelopen jaar gebruik maakten van
deze telefonische ondersteuning. Vaak leidde advies en hulpverlening tot de soms
noodzakelijke gedragsverandering, zoals meer bewegen en een gezondere leefstijl. Tijdens
de Wereld Astmadag die op 3 mei wordt gehouden, zal het Astma Fonds extra aandacht
schenken aan persoonlijke dienstverlening en wat deze kan bieden aan mensen met
luchtwegklachten.
Het is belangrijk dat mensen met astma
meer grip krijgen op hun leven met astma en COPD. Soms kan dat eenvoudig gerealiseerd
worden via een eenmalig informatief telefoongesprek met de Astma Fonds Advieslijn. Soms is
er extra ondersteuning nodig. Vandaar dat het Astma Fonds in september 2003 gestart is met
een pilot persoonlijke coaching. Nu deze dienstverlening succesvol blijkt, wil het Astma
Fonds deze actiever gaan aanbieden. Persoonlijke coaching houdt in dat volwassen mensen
met astma, COPD en andere luchtwegaandoeningen telefonische ondersteuning krijgen bij het
beter omgaan met hun ziekte, waaronder het bevorderen van een gezonde leefstijl. Aan de
hand van een systematische aanpak (health counseling) en meerdere gesprekken worden mensen
persoonlijk begeleid bij het tot stand brengen van een gedragsverandering. Bijvoorbeeld
meer bewegen, het vermijden van prikkels en het omgaan met medicijnen. Dit alles om
uiteindelijk klachten te verminderen en daarmee de kwaliteit van leven te verhogen.
Astmacontrole
Uit een recent onderzoek van TNS NIPO onder 530 mensen met astma blijkt dat bij
54% astma enigszins tot sterk hun leven beïnvloedt. En dat, terwijl in eerste instantie
84% zegt hun astma onder controle te hebben. Daarnaast maakt 69% zich wel eens zorgen over
hun ziekte. De paradox is dat mensen het gevoel hebben astma onder controle te hebben,
maar na doorvragen wijst de praktijk vaak anders uit. De invloed van astma op het
dagelijks leven blijkt vaak groter dan gedacht. Mensen met astma ondervinden vooral last
bij zwaar lichamelijk werk en met sporten. Vooral ouderen ondervinden redelijk veel
beperkingen en ook gevoelens van onrust door hun astma. Op basis van het onderzoek kan
vastgesteld worden dat onder controle hebben en klachtenvrij zijn totaal verschillend
worden opgevat. Op internet zijn verschillende testen te vinden waarmee mensen met astma
hun aandoening beter onder controle kunnen krijgen. Zo staat op www.astmafonds.nl een
uitgebreide test waarmee bepaald kan worden waar aandacht aan geschonken moet worden,
zoals omgaan met medicijnen, werk of opleiding.
De Astma Fonds Advieslijn is bereikbaar
van maandag tot en met vrijdag van 10.00 tot 14.00 uur. Tel. (0900) 227 25 96 (10ct pm).
E-mailen kan 24 uur per dag: advieslijn@astmafonds.nl (o.v.v. telefoonnummer).
'Zorg voor een gezond leven'
rapport PVDA
De PvdA zet zich blijvend in voor
verbeteringen in de zorg. Onder leiding van Steven de Waal heeft de projectgroep Zorg het
rapport 'Zorg voor een gezond leven' geschreven. Hierin worden aanbevelingen gedaan voor
de inrichting van een nieuw zorgstelstel. Daarbij moet behoud van solidariteit, meer eigen
verantwoordelijkheid, een grotere rol voor de gemeenten, meer rechten voor patiënten en
terughoudendheid met marktwerking het uitgangspunt zijn. Deze plannen worden, na discussie
in de PvdA, in december 2005 aan het congres voorgelegd.
De PvdA geeft prioriteit aan preventie in de zorg. De sociaal-economische verschillen in
de zorg willen we aanpakken. Wij doen dat door:
a) Burgers bewuster te maken van
leefstijl en ongezond leven van een individuele naar een maatschappelijke kwestie op te
tillen door:
- een verbod of ontmoediging van ongezonde
waar in school- en bedrijfskantine en sportgelegenheden in te stellen (uit het
zicht- beleid);
- convenanten met de voedselindustrie tot
vermindering van de ongezondheid van bepaald voedsel, zoals snacks e.d.;
- een beleid te voeren waardoor
sportgelegenheden niet te afhankelijk zijn van inkomsten uit ongezonde waar;
- invoering van een reeks maatregelen zoals
bij tabak: waarschuwingen en vermindering van de verleiding stimuleren van zichtbare
laagdrempelige sportfaciliteiten (trap-, basket- en tennisveldjes), vooral in
achterstandswijken;
- terug naar de verplichte zwem- en
gymlessen op school;
- onderzoek te doen naar vormen van
beprijzen van voedsel;
- stimulering van vroegdiagnostiek en
zelfhulp, ook door dokters en verpleging;
- signalering van ongezond gedrag:
vroegtijdiger, professioneler;
- vergroting van zelfredzaamheid en daarmee
betrokkenheid van burgers (gesteund door patiëntenverenigingen) bij hun eigen gezondheid.
b) Professionals in opleiding en
nascholing veel meer aandacht laten geven aan preventie en de zelfredzaamheid van burgers
te versterken.
c) De overheid op verschillende niveaus
weer een regierol op het gebied van preventie te geven: gemeenten regisseren, in het
bijzonder met de GGD, preventieve activiteiten van huisartsen, wijkzusters, thuiszorgers,
en monitoren zaken waar de leefomgeving de gezondheid beïnvloedt vooral ook inzake
kwetsbare wijken en kwetsbare doelgroepen; juist ook als overheidsdienst kan hier beter
met de gevoeligheden voor privacy worden omgegaan; als organisatorische maatregelen nodig
zijn, zoals de invoeging van consultatiebureaus in de GGD, dan mag dit niet langer een
taboe zijn. Preventie moet dwars door verkokering heen gaan. Die bredere blik op preventie
wordt van alle partijen gevraagd, ook buiten de klassieke
zorgsector, zoals scholen en woningcorporaties. Op rijksniveau kijkt het ministerie van
VWS over de eigen schutting en toetst beleid van andere departementen op de gevolgen voor
volksgezondheid. Een nader onderzoek naar de beste fiscale maatregelen rond gezond voedsel
en bewegen.
d) Verzekeraars actiever te maken voor
preventie door: de vorming van een preventiefonds: 1 % van het zorgverzekeringbudget wordt
geoormerkt voor preventieve maatregelen. Verzekeraars moeten verantwoording afleggen over
de
besteding van dit budget. monitoren en publiekelijke rapportage en waardering (preventie
prijs) van preventieactiviteiten.
e) Resultaatsverplichtingen afspreken;
monitoren en toetsing; GGD-en met elkaar vergelijken en de beste voorbeelden belonen.
Klik hier voor het volledige rapport
Rechtszaak over geheimhouding gif
in voedsel
Minister Veerman van Landbouw moet voor
de rechter uitleggen waarom hij meetgegevens over landbouwgif in groenten en fruit geheim
houdt. Milieudefensie, Stichting Natuur en Milieu en Goede Waar & Co stappen naar de
rechter om openbaarmaking af te dwingen, nu minister Veerman weigert deze gegevens vrij te
geven.
Een jaar geleden hebben de natuur-,
milieu- en consumentenorganisaties samen met zevenduizend consumenten gevraagd om
openbaarmaking van gegevens over resten van landbouwgif in groenten en fruit. Zij deden
dit op basis van de Wet Openbaarheid van Bestuur. Minister Veerman heeft hun verzoek
onlangs afgewezen. De organisaties hebben nu beroep ingesteld bij de rechtbank tegen zijn
besluit. Zo willen zij alsnog openbaarheid afdwingen.
De overheid test regelmatig groenten en
fruit op resten bestrijdingsmiddelen. Uit deze metingen blijkt dat in gemiddeld één op
de zes monsters de wettelijke normen worden overschreden. Bij welke supermarkt of
handelaar deze overtredingen worden geconstateerd en wanneer dit gebeurd is echter geheim.
Landbouwgif is slecht voor het milieu en kan schadelijk uitpakken voor de gezondheid. Deze
gegevens horen niet in de doofpot te verdwijnen. Consumenten hebben het recht te weten wat
ze eten.
Als belangrijkste grond voor zijn
afwijzing voerde de minister aan dat het ¢niet in het belang van de sector is om bekend
te maken welke bedrijven de wettelijke normen overtreden. Volgens de organisaties is dit
onjuist. Het merendeel van de boeren, tuinders en handel houdt zich aan de wet en heeft er
geen belang bij dat knoeiers anoniem blijven. Knoeiers beschadigen immers het imago van de
hele sector. Het openbaar maken van de gegevens stelt tuinders, handelaren en supermarkten
in staat zich positief te onderscheiden. Extra inspanningen om het gebruik van
bestrijdingsmiddelen te minimaliseren worden op deze manier beloond.
Bovendien moet de overheid niet alleen
het belang van de sector verdedigen, maar ook het bredere belang van milieu en gezondheid.
In Engeland en Zweden is de gespecificeerde informatie over resten van landbouwgif in
voedsel wél openbaar. Groenten en fruit bevatten mede daardoor in die landen minder
bestrijdingsmiddelen.
Kijk op www.weetwatjeeet.nl
Noord-Europeanen leven gezonder,
maar korter
Presentatie SHARE-onderzoek in Brussel
Senioren in Noord-Europa zijn gezonder en
rijker dan hun leeftijdsgenoten in Zuid-Europa. Toch leven de Zuid-Europeanen langer. Dit
is één van de conclusies van het Survey of Health, Ageing and Retirement in Europe
(SHARE), waaraan ook de Tilburgse hoogleraren Arthur van Soest en Arie Kapteyn en het
Tilburgse CentERdata hebben bijgedragen.
De eerste resultaten worden
donderdagmiddag 28 april gepresenteerd. Europa heeft het hoogste aandeel ouderen van alle
continenten en dit aandeel stijgt nog steeds. SHARE is een groot onderzoeksproject naar
gezondheid, veroudering en pensioenen in Europa. In elf landen, waaronder Nederland, zijn
enquêtes gehouden onder in totaal 22.000 mensen van vijftig jaar en ouder. Je kunt
duidelijke Noord-Zuid verschillen zien in gezondheid en inkomen. Ouderen zijn financieel
en qua gezondheid beter af in het noorden, maar dat vertaalt zich niet in een daarmee
overeenstemmend sterftecijfer, aldus Professor Axel Börsch-Supan, directeur van het
Mannheim Institute for the Economics of Aging en coördinator van het project.
De eerste resultaten van SHARE worden op 28 april gepresenteerd in Brussel, tegelijkertijd
verschijnt het boek Health, Ageing, and Retirement in Europe. De SHARE-data (toegankelijk
via www.share-project.org) leveren een wetenschappelijke infrastructuur, waardoor
onderzoekers landen en regios in Europa kunnen vergelijken. Dit maakt het gemakkelijker te
begrijpen hoe cultuur, geschiedenis, en politiek van invloed zijn op het leven van
Europeanen van boven de vijftig.
Conclusies
Gezondheid: Uit SHARE blijkt dat een goede opleiding je fit houdt: in alle elf landen
bestaat een sterke relatie tussen gezondheid en sociaal-economische status. Mensen met een
lagere opleiding hebben bijvoorbeeld 50% meer kans op ernstig overgewicht. Een goede
opleiding helpt bovendien om cognitieve achteruitgang en depressiviteit te voorkomen.
Werk: Prepensioen is populair in Europa, waardoor er in Oostenrijk, Italië, en Frankrijk,
maar ook Nederland, veel gezonde mensen niet aan het arbeidsproces deelnemen. Het gebruik
van arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen tussen 50 en 64 jaar varieert enorm: van 15% in
Denemarken tot 3% in Griekenland. SHARE toont voor het eerst aan dat de grote verschillen
niet kunnen worden toegeschreven aan verschillen in gezondheid.
Familie: Vooral in Zuid-Europa helpt familie elkaar bijvoorbeeld door op de kleinkinderen
te passen. Ongeveer een derde van de 65-plussers in Zuid-Europa geeft aan dat zij
dagelijks anderen helpen. Hier besteden zij gemiddeld 4,6 uur per dag aan. Een frappant
verschil is dat in het noorden ouders hun kinderen financieel steunen, in het zuiden zijn
het de kinderen die voor de ouders zorgen.
Inkomen: Hoewel armoede in Europa nog steeds voorkomt is deze armoede vooral in het zuiden
beperkt wanneer ook de waarde van het eigen huis wordt meegerekend. Het in de buurt wonen
van de kinderen blijft een belangrijk kanaal voor sociale solidariteit die in belangrijke
mate de armoede verlicht, niet alléén in het zuiden maar bijvoorbeeld ook in Duitsland.
In alle elf landen is minder ongelijkheid in consumptie tussen gezinnen dan in inkomens,
en de inkomensongelijkheid is op haar beurt lager dan de vermogensongelijkheid. Opvallend
is dat in de noordelijke landen de uitgaven aan voeding veel lager liggen.
Tilburg, Rotterdam
CentERdata, gehuisvest op de campus van de Universiteit van Tilburg, heeft het
programmeren van de enquêtes in de verschillende talen voor haar rekening genomen.
Hiervoor is een generiek concept ontwikkeld waardoor vergelijkbaarheid is geoptimaliseerd.
Tevens verzorgt CentERdata de dataverwerking en -disseminatie. SHARE-coördinator voor
Nederland is Arthur van Soest, hoogleraar Econometrie aan de Universiteit van Tilburg. De
Erasmus Universiteit Rotterdam is betrokken bij SHARE via de werkgroep Fysieke gezondheid
onder leiding van professor Johan Mackenbach van het Erasmus MC.
Bron: Universiteit Tilburg
Onderzoekers NKI-AVL zetten stap
op weg naar immuuntherapie
Onderzoeker Jacques Neefjes van het
Nederlands Kanker Instituut Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL) heeft met
zijn team een nieuwe stap gezet op weg naar een succesvolle immuuntherapie tegen kanker.
Een artikel hierover verschijnt 3 maart in het gezaghebbend blad Nature.
Met hun onderzoek, dat gefinancierd wordt
door het KWF Kankerbestrijding hebben Neefjes en zijn team een nieuw inzicht gegeven in de
werking van het immuunsysteem. Om het afweersysteem te activeren zodat kankercellen
vernietigd kunnen worden, moeten verschillende cellen uit het lichaam met elkaar kunnen
communiceren, zo is uit eerder onderzoek al gebleken. Neefjes en zijn team hebben nu
inzicht gegeven hoe deze communicatie tussen cellen en het afweersysteem kan plaats
vinden. Dit gebeurt door zogenoemde gap junctions. Dit zijn kleine kanaaltjes die cellen
met elkaar verbinden. Deze gap junctions laten cellen op verschillende niveaus met elkaar
communiceren. Neefjes en zijn collegas , in samenwerking met het LUMC Leiden, tonen
aan dat op deze manier ook immunologische informatie wordt doorgegeven. Ook aan cellen van
het afweersysteem waardoor dit geactiveerd kan worden.
Informatie overdracht
Bij een virusgeïnfecteerde cel wordt uiteindelijk een klein stukje van dit virus
aan het afweersysteem getoond. Een goed werkend afweersysteem ziet dat dit
stukje afkomstig is van een virus en geeft zogenoemde killercellen opdracht de cel met de
indringer te doden. Deze killercellen zijn echter niet in grote getale aanwezig. Daarom
moeten ze na een infectie in aantal toenemen. Een identiek systeem moet bij immuuntherapie
voor kanker gaan werken. Dit kan echter alleen als het afweersysteem de juiste informatie
krijgt. Hierin hebben, zo blijkt nu, gap junctions een belangrijke functie. Bij veel
kankercellen blijken deze kanaaltjes geremd te zijn. Het zou kunnen dat de
afweercellen daardoor niet geactiveerd worden waardoor het afweersysteem geblokkeerd
raakt. Volgens Neefjes zou dat dus kunnen betekenen dat de tumorcellen onvoldoende
worden herkend door het afweersysteem.
Met deze wetenschap kunnen onderzoekers
nu zoeken naar nieuwe methoden om het afweersysteem tegen kankercellen te activeren.
Vervolgonderzoek zal zich daarom concentreren op de mogelijkheden om dit nieuwe inzicht te
vertalen naar een succesvolle immuuntherapie tegen kanker.
[Bron: Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis]
Functie van kankergenen ontdekt
NKI-AVL-promovendus Sebastian Nijman
heeft tijdens zijn promotie-onderzoek nieuwe genen ontdekt die betrokken zijn bij het
ontstaan van kanker. De resultaten van zijn onderzoek hebben aanleiding gegeven tot een
nieuwe behandeling van patiënten met een erfelijke vorm van kanker, cylindromatose. Het
onderzoek werd mede-gefinancierd door de Nederlandse
Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Sebastian Nijman promoveert op 27
april aan de Universiteit Utrecht
Patiënten met de zeer zeldzame erfelijke
aandoening cylindromatose krijgen vele goedaardige tumoren op de huid. De tumoren komen
voornamelijk voor op het hoofd en kunnen daar ernstige misvormingen veroorzaken.
Bij mensen met deze ziekte is het eiwit
CYLD gemuteerd. NKI-AVL-onderzoeker Sebastian Nijman ontdekte samen met zijn
collegas het moleculaire mechanisme dat ten grondslag ligt aan cylindromatose. Hij
gebruikte hiervoor genetische screens. Uit het onderzoek van Nijman blijkt dat het
CYLD-eiwit een belangrijke rol speelt in de NF-kappaB-signaleringsroute. Dit is een
cellulair communicatiesysteem. Deze signaleringsroute is overactief als het CYLD-eiwit is
gemuteerd. Hierdoor wordt de groei van cellen gestimuleerd en ontstaan tumoren.
Een belangrijke implicatie van dit
onderzoek is dat remming van de NF-kappB-route in cylindromatosis patiënten een adequate
behandeling zou kunnen zijn. Een welbekende remmer van deze route is aspirine en een
klinisch onderzoek naar de effectiviteit van aspirinezalf in de behandeling van
cylindromatose wordt op dit moment in het NKI-AvL uitgevoerd.
Fanconi-anemie
De promovendus hield zich tevens bezig met een andere vorm van erfelijke kanker,
Fanconi-anemie. Mensen met deze ziekte krijgen op jonge leeftijd al vele zeer kwaadaardige
tumoren. De ziekte ontstaat als het reparatiesysteem van de cel twee aan elkaar gekoppelde
DNA-strengen niet meer uit elkaar kan halen.
Een eiwit dat verantwoordelijk is voor de
reparatie van deze DNA-schade is FANCD2. Dit eiwit wordt aan een tweede eiwit, ubiquitine,
gekoppeld, wanneer de cel merkt dat er DNA-schade is ontstaan. Nijman identificeerde een
derde eiwit, USP1, dat het FANCD2 weer loskoppelt van het ubiquitine. USP1 speelt zo een
rol in de reparatie van DNA-schade en mogelijk in het ontstaan van kanker.
Vegetarische voeding niet
schadelijk voor kinderen
Naar aanleiding van een recente
Amerikaanse studie dook in diverse media zeer negatieve berichtgeving op over het
vegetarisch grootbrengen van kinderen. Over de studie vallen echter ernstige vragen te
stellen, en bovendien weten we uit talrijke wetenschappelijke onderzoeken dat een
vegetarisch of veganistisch voedingspatroon gezond en geschikt kan zijn voor alle
leeftijdsgroepen.
Wetenschapsjournalistiek is geen
eenvoudig klus, zeker niet als het een zo complex en snel evoluerend domein als voeding
betreft. Daarom even een aantal feiten in hun context. De studie in kwestie, geleid door
de Amerikaanse Dr. Lindsay Allen, onderzocht 555 ondervoede Keniaanse kinderen, opgedeeld
in vier groepen (1). Drie groepen kregen van de onderzoekers respectievelijk vlees, melk
en plantaardige oliën als aanvulling op hun voedingspatroon, terwijl één groep geen
aanvulling kreeg. De voeding van de kinderen die onderzocht werden, bestond hoofdzakelijk
uit maïs en bonen. Een dergelijk voedingspatroon voldoet uiteraard niet aan de noden van
een kind. Mocht het de bedoeling van deze studie geweest zijn te verifiëren of een
vegetarisch voedingspatroon geschikt is voor kinderen, dan hadden de onderzoekers hen een
volwaardig vegetarisch alternatief aangeboden in de plaats van een supplementatie met
alleen melk of plantaardige oliën.
Prof. Em. Marcel Hebbelinck (VUB),
bestuurder van EVA vzw: De resultaten van dit onderzoek zijn dus niet van toepassing
op vegetarische en veganistische kinderen in de westerse wereld. Wanneer hun ouders
tenminste enige notie hebben van gezonde voeding, krijgen zij fruit, groenten,
peulvruchten, volle granen en noten, en vaak ook moderne vleesvervangers.
Ongetwijfeld had de gezondheidstoestand van de Keniaanse kinderen ook met een dergelijke
combinatie van plantaardige voeding verbeterd kunnen worden.
Talloze internationale studies over de
groei, ontwikkeling en gezondheid van kinderen tonen aan dat een vegetarisch én
veganistisch voedingspatroon geschikt en gezond kan zijn voor kinderen. Zo werden in een
Amerikaanse studie van eind de jaren tachtig ruim 400 veganistische kinderen tien jaar
gevolgd. Hun groei en ontwikkeling bleken normaal (2). In eigen land kwam een onderzoek
aan de VUB over vegetarische kinderen tot dezelfde conclusie (3). Het onderzoek werd
trouwens geleid door Prof. Hebbelinck, zelf levenslang vegetariër in een familie die
vierde-generatie-vegetariërs telt.
Niet alleen kan een vegetarische of
veganistisch voedingspatroon voorzien in alle voedingsbehoeften: het kan ook het risico
verlagen op een aantal chronische aandoeningen op latere leeftijd, zoals kanker, hart- en
vaatziekten, suikerziekte en overgewicht en zwaarlijvigheid. Dat stelt onder meer ook de
American Dietetic Association, de grootste organisatie van voedingskundigen ter wereld, in
haar standpuntbepaling over vegetarische voeding (4). Dit standpunt werd overgenomen door
de Vlaamse Vereniging van Voedingskundigen en Diëtisten. Vlees bevat trouwens géén
essentiële voedingsstoffen die niet uit plantaardige voeding kunnen worden gehaald.
Bezorgde ouders kunnen wetenschappelijk
onderbouwde informatie over het vegetarisch grootbrengen van kinderen vinden op
www.vegetarisme.be, de website van EVA (Ethisch Vegetarisch Alternatief) vzw
Contact:
EVA vzw, Tobias Leenaert
Tel en fax: 09/329.68.51
Gsm 0494/64.69.38
E-mail: info@vegetarisme.be
Adres: St.-Pietersnieuwstraat 130, 9000 Gent
Referenties:
(1)
http://www.nutrition.org/cgi/reprint/133/11/3965S.pdf
(2) http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve
&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=2771551
(3) http://www.ajcn.org/cgi/content/full/70/3/579S?ck=nck
(4) http://www.eatright.org/Member/PolicyInitiatives/index_21026.cfm
Vloeibaar frituurvet nog lang
niet bij alle snackbars in gebruik
De VWA heeft onderzoek gedaan naar het
gebruik van frituurvet bij snackbars en cafetaria's. Uit dat onderzoek blijkt dat
tweederde van de ondernemers nog steeds frituurt in (ongezond) vast vet. Op basis van
laboratoriumonderzoek kon worden vastgesteld dat één vijfde van de bedrijven, die zeggen
dat ze frituren in "gezond" vloeibaar vet, desondanks vast vet gebruiken. Vast
en vloeibaar vet
Vetten bestaan voor het grootste deel uit vetzuren. Vet met veel verzadigde vetzuren en
transvetzuren is ongezond, het verhoogt het cholesterolgehalte in het bloed. Vast
frituurvet bevat veel van deze vetzuren en verhoogt daarmee de kans op het ontstaan van
hart- en vaatziekten. Vloeibaar vet bevat in vergelijking met vast vet relatief meer
onverzadigde vetzuren. Onverzadigde vetzuren worden ook wel de "goede"soort
genoemd omdat deze juist de kans op het ontstaan van hart- en vaatziekten verlagen en
daarom gezonder zijn. Het streven van de Minister van VWS is dat de voeding van meer
Nederlanders voldoet aan de normen voor verzadigd en transvet. Het Voorlichtingsbureau
Margarine, Vetten en Oliën en Koninklijk Horeca Nederland voeren hiervoor de campagne
"Verantwoord frituren".
Naast deze campagne zijn er ook (aparte)
acties die worden doorgevoerd door bijvoorbeeld frituurvetproducenten. Door middel van een
poster, folder of certificaat in het bedrijf kunnen deelnemende cafetaria's en snackbars
klanten laten zien dat zij frituren in vloeibaar vet. Uit het onderzoek van de VWA blijkt
echter dat één vijfde van deze ondernemers toch vast frituurvet gebruiken. De VWA gaat
dit jaar opnieuw controleren. Het gebruik van vast frituurvet, terwijl er kenbaar wordt
gemaakt naar de klant dat er "gezond" wordt gefrituurd in vloeibaar frituurvet,
wordt door de VWA gezien als misleiding van de consument en zal daarvoor maatregelen gaan
nemen. In het onderzoek is ook de temperatuur van het in gebruik zijnde vet gemeten.
Bij een lagere temperatuur (175°C) dan
voorgeschreven in de Hygiënecode voor de horeca (maximaal 185°C) wordt de vorming van
acrylamide beperkt. Te veel acrylamide kan schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Ruim
de helft van de bezochte ondernemers frituurt in een temperatuur boven de 175 graden. De
VWA zal het Bedrijfschap Horeca verzoeken de adviestemperatuur in de Hygiënecode te
verlagen.
Hormoonsuppletietherapie en het
risico op baarmoederslijmvlieskanker
Het College ter beoordeling van
geneesmiddelen is geïnformeerd over een publicatie die vandaag in de Lancet is
verschenen. De publicatie rapporteert over het risico van kanker van het
baarmoederslijmvlies bij gebruik van verschillende soorten van hormoonbehandeling na de
menopauze (hormoonsuppletietherapie). Het betreft nieuwe resultaten van een al beschreven
groot Britse onderzoek (Million Women Study).
In het onderzoek is het risico van het
gebruik van hormoonsuppletietherapie (HST) bestaande uit uitsluitend een oestrogeen,
oestrogeen gecombineerd met progestageen en het hormoon tibolon (de werkzame stof van
Livial) vergeleken ten opzichte van geen gebruik. De resultaten tonen dat het risico van
baarmoederslijmvlieskanker is verhoogd bij gebruik van alleen een oestrogeen en bij
gebruik van tibolon. Dit verhoogde risico hangt samen met de duur van gebruik: het risico
wordt groter naarmate het middel langer wordt gebruikt.. Bij gebruik van oestrogenen in
combinatie met een progestageen is het risico niet verhoogd.
Dat het gebruik van alleen een oestrogeen
kan leiden tot een verhoogd risico van baarmoederslijmvlieskanker was reeds bekend uit
vele eerder gepubliceerde onderzoeken. Daarom dienen vrouwen met een baarmoeder een
oestrogeenbehandeling te combineren met een progestageen. Dat deze combinatie het
verhoogde risico doet verdwijnen, wordt ook door de resultaten van dit onderzoek
bevestigd. Dat een behandeling met tibolon leidt tot een verhoogd risico van
baarmoederslijmvlieskanker, is een nieuwe bevinding. Livial is in Nederland alleen
geregistreerd voor de behandeling van vrouwen met overgangsklachten. Deze nieuwe
bevindingen zijn een reden tot zorg en het College zal na bestudering van het artikel op
korte termijn nadere informatie geven over de zonodig te nemen maatregelen. Zij zal dit
doen in overleg met de geneesmiddelenautoriteiten van de andere EU lidstaten waar Livial
geregistreerd is.
In de productinformatie en bijsluiter van
Livial wordt al melding gemaakt van vermoedens van abnormale groei van het
baarmoederslijmvlies of een kwaadaardig gezwel van het baarmoederslijmvlies bij vrouwen
die Livial gebruiken, maar er was tot op heden is geen verband aangetoond met de
behandeling van Livial. De fabrikant van Livial, Organon, heeft in 2002 een groot
onderzoek gestart waarin mogelijke bijwerkingen op het baarmoederslijmvlies ten gevolge
van Livial gebruik nader onderzocht worden. De resultaten van dat onderzoek komen eind
2005 beschikbaar.
Gebruiksters en artsen worden gewezen op
het advies in de huidige productinformatie van alle HST producten dat de behandeling zo
kort mogelijk dient te worden gehouden bij een zo laag mogelijke dosering. Bij langdurig
gebruik dient periodiek, op zijn minst jaarlijks, een zorgvuldige afweging van de voor- en
nadelen van hormoonsuppletietherapie gemaakt moet worden om te bepalen of de behandeling
moet worden voortgezet.
Sterfte door hart- en vaatziekten
in veel gevallen te voorkomen
Recent wereldwijd baanbrekend onderzoek
wijst uit dat 90 procent van de hartinfarcten wordt veroorzaakt door negen risicofactoren.
Tot nu toe werd dit percentage geraamd op 50 procent. In vervolg op deze zogenaamde
Interheart-studie (The Lancet, 11 september 2004) start in Nederland onder de naam
'Morgengezondweerop.nl' het grootste landelijke onderzoek sinds tien jaar naar het risico
dat vijftig-plussers lopen op hart- en vaatziekten. Doel van het onderzoek is meer te
weten te komen over de nog onbekende risicofactoren, naast de nu bekende veroorzakers. Het
onderzoek is een initiatief van een aantal onderzoeksgroepen van academische ziekenhuizen
in samenwerking met Harvard en de Stichting Risicoanalyse Hart- en Vaatziekten.
'Eén op de drie Nederlanders sterft aan
de gevolgen van hart- en vaatziekten. Met de Interheart-studie is ongeveer 90 procent van
de risico's in kaart gebracht. Wij richten ons in ons onderzoek op die nog onbekende 10
procent veroorzakers van hart- en vaatziekten', aldus prof.dr. J.J.P. Kastelein,
projectleider van het onderzoek, voorzitter van de Wetenschappelijke Adviesraad van de
Stichting Risicoanalyse Hart- en Vaatziekten en hoogleraar Vasculaire Geneeskunde aan het
AMC in Amsterdam. 'Daarom gaan we bij ongeveer 75.000 mensen van boven de vijftig een
risicoanalyse doen. Het is een onderzoek dat op deze schaal in de afgelopen tien jaar niet
eerder heeft plaatsgevonden. Wanneer de resultaten van het onderzoek bekend zijn, zijn we
beter in staat de epidemie van hart- en vaatziekten te bestrijden.'
De negen risicofactoren die uit de
Interheart-studie naar voren komen zijn: hoge bloeddruk, roken, diabetes, buikvet, stress,
overmatig alcoholgebruik, onvoldoende dagelijkse consumptie van groenten en fruit,
onvoldoende dagelijkse lichaamsbeweging en teveel slecht cholesterol. Het onderzoek
Morgengezondweerop.nl richt zich op de nog onbekende risicofactoren op hart- en
vaatziekten.
Morgengezondweerop.nl
In een grote massamediale campagne worden vijftig-plussers opgeroepen om via een speciale
website www.morgengezondweerop.nl een korte enquête in te vullen. Voor mensen die geen
internetaansluiting hebben, is een speciaal telefoonnummer opengesteld (0900 - HARTVAAT /
0900 - 427 88 228) waar ze een enquêteformulier kunnen opvragen. Daarnaast zijn meer dan
driehonderdduizend enquêteformulieren toegevoegd in het blad Plus Magazine. Ook worden ze
landelijk verspreid via diverse openbare gelegenheden. Aan de hand van de
enquêteresultaten worden mensen geselecteerd om mee te doen aan het onderzoek.
Onderzoek
Mensen die zijn geselecteerd voor het onderzoek, worden uitgenodigd om in een speciaal
hiervoor ingerichte onderzoekscaravan in ongeveer tien minuten hun lengte, gewicht en
bloeddruk te laten meten. Ook wordt wat bloed afgenomen om onder meer cholesterol en
bloedsuiker te meten. De uitvoering van het onderzoek is gedelegeerd aan het
onderzoekscentrum Epidemiologie Rotterdam en loopt tot en met november 2005. Het onderzoek
naar het risico op hart- en vaatziekten wordt uitgevoerd met instemming van de Nederlandse
Hartstichting, het Diabetesfonds en verschillende patiëntenverenigingen. Het onderzoek
zal resulteren klinisch wetenschappelijk vervolgonderzoek.
Risicobeleving vijftig-plussers
Bijna tachtig procent van de vijftig-plussers vindt dat een gezonde levensstijl
belangrijker wordt na het passeren van de vijftig, aldus luidt één van de conclusies van
een onderzoek naar de risicobeleving ten aanzien van hart- en vaatziekten onder
vijftig-plussers, dat in opdracht van de Stichting Risicoanalyse Hart- en Vaatziekten is
gedaan. Men weet de risicofactoren op hart- en vaatziekten vrij goed te benoemen. Ofschoon
de meeste vijftig-plussers in hun omgeving te maken hebben (gehad) met hart- en
vaatziekten. Wanneer men in de omgeving te maken heeft (gehad) met hart- en vaatziekten
draagt dit er vaak toe bij dat men meer op de eigen levensstijl gaat letten. Toch geeft
slechts een minderheid van de vijftigplussers, die persoonlijk zijn getroffen door een
hart- of vaatziekte, aan dat zij hun levensstijl rigoreus hebben gewijzigd. Dus ondanks
ondanks het feit dat men door persoonlijke ervaringen wordt geconfronteerd met de ernst
van hart- of vaatziekten, wil dit niet zeggen dat dit een directe impact heeft op de
levensstijl. Met name rokers worden hier minder door beïnvloed.
Werknemers met suikerziekte niet
extra vermoeid
Werknemers met suikerziekte zijn niet
automatisch extra moe door de combinatie van werk en ziekte. Dit concludeert
NWO-promovendus Iris Weijman. Werknemers met diabetes met meerdere chronische aandoeningen
en mensen die last hebben van hun ziekte, lopen wel meer risico. Weijman promoveert op 1
maart aan de Universiteit Utrecht.
Uit Weijman's onderzoek blijkt dat
werknemers met diabetes niet automatisch vermoeider zijn dan andere werknemers. Bij mensen
met diabetes raakt de energiebalans gemakkelijk verstoord, waardoor zij vaker vermoeid
zijn. Door de dubbele belasting van ziekte en werk verwachtten onderzoekers dat de kans op
vermoeidheidsklachten extra groot zou zijn bij deze groep werknemers. Weijman toont aan
dat deze aanname niet correct is.
Mensen met diabetes zijn waardevolle
werknemers wanneer zij kunnen functioneren in een voor hen goede omgeving, zo suggereert
de promovendus. Met de resultaten van het onderzoek kan de begeleiding van werknemers met
diabetes door professionals uit de zorg en de beroepssfeer, zoals bedrijfsartsen en
reïntegratiebureau's, worden verbeterd.
Mensen met diabetes met meerdere
chronische aandoeningen lopen wel een groter risico op vermoeidheid door de combinatie van
ziekte en werk. Ook patiënten die veel hinder door symptomen van de ziekte ervaren zijn
vaker moe, evenals diegenen die het uitvoeren van belangrijke zelfmanagementactiviteiten
als een belasting ervaren. Het verlagen van de werkdruk en vooral de steun van collega's
en leidinggevende zijn erg belangrijk om de last op werknemers die veel klachten van de
ziekte ervaren te verlichten.
Een belangrijk aspect bij diabetes is het
uitvoeren van zelfmanagementactiviteiten, zoals het spuiten van insuline, rekening houden
met voedingsrichtlijnen en controleren van de bloedsuikerspiegel. Weijman laat zien dat
mensen die het uitvoeren van deze activiteiten niet lastig vinden, zich gezonder voelen.
De mate waarin men zichzelf in staat acht deze taken uit te voeren, is deels bepalend voor
de ervaren last.
Weijman ontdekte ook dat vermoeide
werknemers met diabetes een andere visie hebben op hun ziekte en hun werksituatie. Zij
vinden flexibiliteit in het werk eerder vervelend, terwijl mensen met weinig
vermoeidheidsklachten flexibiliteit juist prettig vinden. Werknemers met weinig klachten
kunnen door die flexibiliteit de ziekte en het werk waarschijnlijk beter combineren.
NWO-programma Psychische Vermoeidheid in
de Arbeidssituatie (PVA).
Depressie, een wereldwijd
probleem
Wereldwijd gaan zo'n 150 miljoen mensen
gebukt onder depressie. De Wereldgezondheids-organisatie voorspelt zelfs dat depressie in
2020 op de eerste plaats van het lijstje van volksziekten staat. Desondanks wordt de
ziekte door de maatschappij sterk onderschat. Het nieuwe cahier van de stichting
Bio-Wetenschappen en Maatschappij (BWM) laat zien wat depressie precies is, hoe
behandelaars de aandoening tijdig kunnen herkennen en hoe ze depressie kunnen behandelen.
Waarom depressie zo sterk oprukt, is nog
een raadsel. Het is wel bekend dat de ziekte ontstaat door een combinatie van
samenhangende oorzaken. Factoren als erfelijkheid, lichamelijke constitutie, ontwikkeling,
persoonlijkheid en stress dragen ieder hun steentje bij.
Als volksgezondheidsprobleem wordt de
ernst van depressie onvoldoende erkend. Het is een chronische aandoening waarbij goede en
minder goede perioden elkaar afwisselen. De ziekte keert ook vaak terug. Depressie is
inmiddels een van de meest voorkomende oorzaken van arbeidsongeschiktheid. De economische
schade die het veroorzaakt, is dan ook enorm. Het bestrijden van de ziekte is dan ook niet
alleen vanuit een menselijk oogpunt, maar ook ecomisch gezien, van groot belang.
Cahier
Het cahier 'Depressie' kwam tot stand in samenwerking met het Nederlandsch Natuur- en
Geneeskundig Congres (NNGC). In zeven hoofdstukken komen de volgende artikelen aan bod:
* Ernstig, maar allerminst hopeloos. Vormen en gevolgen van depressie door Herman van
Praag
* Als depressie je de baas wordt. Wat een
depressie is en hoe het ontstaat door Jan Swinkels
* Zwarte gal en glazen billen. De lange
weg van melancholie naar moderne depressie door Andy Lameijn
* De wereldwijde depressie. Epidemiologie
van psychiatrische ziekten door Aartjan Beekman
* Het evolutionaire nut van depressie.
Chemie en genetica in de strijd tegen geestelijk ongemak door Witte Hoogendijk en Rianne
Lindhout
* Niet-biologische behandelingen door
Aart Schene
* Een hek om de put. De mogelijkheden van preventie door Pim Cuijpers
Oorzaak zwangerschapsvergiftiging
vastgesteld
Onderzoekers van de afdeling klinische
chemie van het VU medisch centrum hebben de oorzaak van zwangerschapsvergiftiging ontdekt.
Zij hebben het verantwoordelijke gen geïsoleerd en het daarbij horende biologisch proces
vastgesteld. Het resultaat opent de weg naar effectieve behandeling van preeclampsie en
het HELLP syndroom. De bevindingen worden deze week in de on-line versie van Nature
Genetics gepubliceerd. Binnenkort volgt publicatie in de geprinte versie.
Preeclampsie komt voor bij vijf tot tien
procent van de zwangere vrouwen. Het kan leiden tot hoge bloeddruk, nierafwijkingen met
eiwituitscheiding, vochtophoping, tintelende vingers, misselijkheid en wazig zien. Het
ongeboren kind krijgt te weinig voedingsstoffen en kan dus groeiachterstand oplopen. Dit
kan leiden tot complicaties rond de geboorte of zelfs overlijden.
Hoewel de moeder de kenmerkende symptomen
vertoont, ontstaat preeclampsie in de placenta. Bepaalde cellen van dit weefsel,
trofoblast genoemd, maken in de vroege zwangerschap een verbinding met de bloedtoevoerende
vaten van de moeder. Deze verbinding is essentieel voor het groeiende kind. Door een
defect in de trofoblastcellen is deze vaatverbinding bij vrouwen met preeclampsie niet
optimaal. De toevoer van voedingstoffen naar het kind schiet tekort.
De VUmc onderzoekers vonden bij
preeclampsie een erfelijk defect in een gen dat dit proces in de placenta regelt. Het gen
behoort tot een nieuw ontdekte klasse DNA bindende eiwitten. Verder was het opvallend dat
in de placenta alleen de erfelijke informatie die de moeder doorgeeft aan het kind van
belang is voor het ontstaan van de afwijking, terwijl de vader en de moeder hier normaal
beiden de helft van de erfelijk informatie doorgeven. De vaststelling van de VUmc
onderzoekers heeft wereldwijde consequenties. De gerelateerde genen en gengebieden zijn
ook in verband gebracht met preeclampsie bij vrouwen in andere landen.
Terug naar het hoofdmenu