Verse vis stinkt niet
De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA)
onderzoekt regelmatig de kwaliteit van vis. De kwaliteit wordt getoetst door het meten van
de hoeveelheid totaal vluchtige stikstofbasen, verantwoordelijk voor de kenmerkende
visgeur die toeneemt naarmate de vis langer bewaard wordt. Bij 27% van de 266 monsters vis
werd een te hoog gehalte gemeten. Het percentage bij voorverpakte vis lag aanzienlijk
hoger (46%) dan bij verse vis (17%) omdat bij verse vis slechte kwaliteit eerder wordt
herkend en uit de handel wordt genomen. Bij voorverpakte vis met een te hoog gehalte
totaal vluchtige stikstofbasen is het product bij een te hoge temperatuur bewaard of is de
te gebruiken tot datum te optimistisch ingeschat. De VWA heeft bij afwijkingen
schriftelijke waarschuwingen en boeterapporten afgegeven.
Stikstofbasen
De hoeveelheid totaal vluchtige stikstofbasen (TVB-N) is een chemische indicator voor
visbederf. Vluchtige stikstofbasen worden verantwoordelijk gehouden voor de onplezierige
visgeur en leveren zo een negatieve bijdrage aan de geur en smaakbeleving van vis en
visfilets. Het gehalte aan TVB-N is laag zolang de vis van goede kwaliteit is en begint te
stijgen als de vis langer bewaard wordt. Voor een aantal vissoorten is een wettelijke norm
vastgelegd. Overschrijding van de norm betekent dat de vis beschouwd moet worden als niet
geschikt voor menselijke consumptie.
Onderzoek
Door het hele land heeft de VWA in totaal 226 monster vis of visfilet genomen in
groothandels supermarkten, viskramen en viswinkels. Van deze monsters waren er 94
voorverpakt en 9 diepgevroren. In geen van de diepgevroren monsters werd de norm
overschreden. Bij voorverpakte vis week 46% van de monsters af van de norm en bij
onverpakte vis was dit percentage 17%. Het lagere percentage bij onverpakte producten kan
verklaard worden doordat producten van slechte kwaliteit makkelijker kunnen worden
vastgesteld en eerder uit de handel genomen kunnen worden.
Maatregelen
Bij 25 (27%) van de voorverpakte monsters en 17 (10%) van de onverpakte monsters heeft de
VWA maatregelen getroffen (schriftelijke waarschuwingen en boeterapporten). De maatregelen
moeten leiden tot het vermelden van een correcte te gebruiken tot datum op de verpakking
en tot goede bewaarcondities in de bedrijven. Consumenten zelf moeten ook letten op een
koele bewaartemperatuur en tijdig consumeren (voor de aangegeven te gebruiken tot datum).
Bron: Voedsel en Waren Autoriteit
Wagenings onderzoek brengt
allergeenvrije appel binnen handbereik
Ongeveer 2% van de West-Europese
bevolking leidt aan appelallergie. Door genetische data te combineren met de resultaten
van huidpriktesten bij allergische patiënten is meer inzicht ontstaan in de betrokkenheid
van specifieke genen bij deze vorm van allergie. Dhr. Zhongshan Gao heeft tijdens zijn
promotieonderzoek bij Wageningen Universiteit genen geïdentificeerd en gelokaliseerd die
betrokken zijn bij allergeniciteit. De veredeling en ontwikkeling van laag allergene
appelrassen is hiermee een stap dichterbij gekomen.
Appel is de meest geteelde fruitsoort in
gematigde streken. De kennis over de genetica van de appel is de laatste jaren in
versnelling geraakt door de ontwikkeling van genetische kaarten en -technieken. Dit heeft
moleculaire merkers opgeleverd waarmee kiemplantjes op resistentie tegen bepaalde
plantenziekten kunnen worden getoetst. De inzet van merkers voor allergie-onderzoek is
nieuw.
Eerder is aangetoond dat appelallergie
wordt veroorzaakt door één of meerdere eiwitten in appel (zogenaamde Mal d1 t/m Mal
d4-eiwitten). Mal d1 is het belangrijkste allergeen in appel. Personen die allergisch zijn
voor het Mal d1 eiwit hebben last van jeuk, tintelingen en zwellingen van lippen, tong en
keel na het eten van een verse appel.
Uit het proefschrift van Gao blijkt dat
de exacte identificatie van de genen die bij allergeniciteit betrokken zijn een grote
uitdaging is, enerzijds omdat er meerdere allergenen samen een rol kunnen spelen en
anderzijds omdat patiënten onderling verschillen in hun gevoeligheid voor deze allergenen
en hun varianten.
Doel van Gao's onderzoek was het opsporen
en karakteriseren van de genen die bepalend zijn voor de aminozuursamenstelling van de
vier belangrijkste allergene eiwitten. Een andere doelstelling van het project was de
ontwikkeling van genetische merkers waarmee in kiemplanten al voorspellingen kunnen worden
gedaan of een appel allergene eiwitten bevat.
Gao vond 26 genen, waarvan er 18
codeerden voor het eiwit Mal d1. Voor patiënten in Noord West Europa wordt Mal d1 als het
belangrijkste allergeen van appel beschouwd. Deze patiënten hebben ook last van
hooikoorts in het voorjaar als reactie op berkenstuifmeel. Uit onderzoek van Gao bleek dat
de Mal d 1 genen op drie chromosomen liggen, waarvan vooral de genen op chromosoom 16 een
duidelijke rol spelen bij de allergeniciteit. Bovendien bleek de hoeveelheid Mal d1 eiwit
minder belangrijk dan de vorm waarin het eiwit voorkomt. Tot nu toe is medisch onderzoek
voornamelijk gericht op de hoeveelheid.
In de toekomst kunnen, mede door de
resultaten van dit proefschrift en gebruikmakend van moderne technologieën, zoals
merkergestuurde veredeling en het verminderen van de activiteit van genen nieuwe
minder-allergene appelrassen op de markt gebracht worden die appelallergische patiënten
in staat stellen een appel te eten zonder daar enige last van te krijgen. De uitkomsten
zijn ook bruikbaar voor genetisch onderzoek in andere fruitsoorten zoals peer en perzik
omdat deze overeenkomstige allergenen bevatten.
Zhongshan Gao hoopt 30 juni met zijn
onderzoek "Localization of candidate allergen genes on the apple (Malus domestica)
genome and their putative allergenicity", te promoveren bij Wageningen Universiteit.
Gao heeft zijn proefschrift gemaakt
binnen het kader van het EU-safe project, een groot Europees interdisciplinair consortium,
en is de eerste gepromoveerde van het Allergie Consortium Wageningen. Vervolgonderzoek
vindt plaats in het EU project ISAFRUIT, waar appelallergie en het maken/selecteren van
hypoallergene rassen een significant onderdeel zal zijn.
Bron: Wageningen Universiteit
Verbeterde diagnostiek
schildklierkanker
Schildklierkanker treft jaarlijks
ongeveer driehonderd mensen in Nederland en de overlevingskans van patiënten is goed,
mits ze tijdig geopereerd worden. Schildklierkanker manifesteert zich als een knobbel in
de hals, maar de meeste knobbels zijn goedaardig. Artsen kunnen de ware aard ervan alleen
met aanvullend onderzoek vaststellen. Hooft onderzocht het rendement van de huidige
diagnostische strategie en vond dat bij 80 procent van de operaties bij patiënten met een
voor kanker verdacht schildkliergezwel achteraf sprake was van een goedaardige aandoening.
Behalve tot onnodige kosten (3.300 euro per patiënt), leidden deze ingrepen bij 5 procent
ook tot blijvend letsel aan stembandzenuwen. Patiënten met schildklierkanker blijven
levenslang onder controle (door de hoge overlevingskans in Nederland nu ongeveer 9000
mensen) om eventuele uitzaaiingen tijdig te kunnen behandelen. Voor diagnose en
behandeling wordt bij de meeste patiënten radioactief jodium gebruikt.
Een diagnostisch probleem treedt op,
wanneer de jodiumscan negatief is. Aangezien positron emissie tomografie (PET) een
gevoelige scantechniek is bij veel kankersoorten, is onderzocht of PET de primaire
diagnostiek van schildklierkanker en de diagnostiek van een recidief zou kunnen
verbeteren. Met een beslismodel dat ondersteund werd door eigen in vitro onderzoek naar de
waarde van moleculaire markers gerelateerd aan PET, bepaalde Hooft wanneer PET zo min
mogelijk gevallen van kanker mist en zoveel mogelijk operaties bij patiënten met een
schildkliertumor voorkomt. Slechts één scenario met PET lijkt kosteneffectief te zijn:
bij patiënten met een negatieve galectine-3 test (een immunohistochemische bepaling). Bij
patiënten verdacht van uitzaaiingen maar waarbij de jodiumscan niets aanwijst, detecteert
PET in ongeveer de helft het recidief.
Bovendien suggereert het onderzoek dat
behandeling hierdoor eerder kan worden gestart, wat een gunstige invloed op de prognose
kan hebben. Aangezien voorbereiding op een jodiumscan nadelig kan zijn voor de kwaliteit
van leven, onderzocht de promovenda aan de hand van specifieke celkenmerken van de
primaire tumor wanneer PET als vervanging voor deze scan zou kunnen optreden. De eerste
resultaten van die aanpak zijn hoopvol.
Vrije Universiteit Amsterdam
Internetgebruik maakt patiënt
mondiger
Internetgebruikende patiënten worden
mondiger. Bijna 90% van hen wil zijn dokter de beste behandeling vragen wanneer men zou
weten welke de beste behandeling is. Tegen de 80% zou kiezen voor de specialist die de
beste behandeling toepast. En als informatie over de beste behandeling gemakkelijk te
vinden zou zijn, bijvoorbeeld via internet dan zou tweederde daar gebruik van maken. Dit
blijkt uit de resultaten van onderzoek dat de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ)
op 23 juni heeft gepubliceerd.
Eenderde van de internetgebruikers zoekt
meerdere keren per jaar naar informatie over gezondheid en/of gezondheidszorg. Dit
betekent dat meer dan 3 miljoen mensen dit doen. Een toenemend aantal mensen zoekt
voorafgaand aan een bezoek aan de dokter naar informatie over hun klachten. Het percentage
dat dit altijd of vaak doet, is verdubbeld van 16% in 2003 naar 33% in 2004. Van degenen
die dit deden, gaan ook steeds meer mensen naar aanleiding van deze informatie met hun
arts in discussie: bijna een kwart van hen stelt deze informatie bij hun arts aan de orde.
Van degenen die een arts hebben bezocht, zoekt iets meer dan een kwart na dit bezoek via
internet naar de informatie waarover met de arts gesproken is.
Maar liefst 71% van de internetgebruikers
wil zijn of haar medische gegevens via het internet kunnen inzien. Uiteraard scoren
chronisch zieken hierop hoger (80%).
Bijna de helft van de internetgebruikers
vindt van zichzelf dat men zich ten opzichte van hun arts mondiger opstelt dan enkele
jaren geleden.
Een groot deel van de internetgebruikers
is kritisch over de zorg. Meer dan 60% meent dat de zorg beter georganiseerd kan zijn.
Bijna 40% vindt dat de aan hen verleende zorg kwalitatief beter kon. Desalniettemin vindt
meer dan eenderde dat de gezondheidszorg in Nederland tot de wereldtop behoort.
Internetgebruikers zijn het niet eens
over de vraag of de zorg als geheel in het afgelopen jaar verbeterd of verslechterd is:
24% vindt dat deze verbeterd is, 28% vindt dat deze verslechterd is. De meerderheid is
overwegend positief over de verbetering van de beschikbare onderzoeks- en
behandelingsmogelijkheden, de mate waarin artsen patiënten informeren, de mogelijkheid om
als patiënt zelf te beslissen, de geboden keuzemogelijkheden en de bejegening. Een
aanzienlijk deel van de internetgebruikers constateert echter ook verslechteringen: in de
wachttijden voor onderzoek of behandeling, in de tijd die de arts voor de patiënt heeft,
in de tijd dat men in de wachtkamer zit, de mogelijkheid om de arts te bereiken, en in de
wijze waarop de zorg georganiseerd is.
Een van de manieren om te stimuleren dat
zorgverleners de beste behandeling gaan toepassen, is als patiënten die beste behandeling
gaan eisen. Een deel van de patiënten is inmiddels mondig genoeg om dat te doen, blijkt
uit het onderzoek. De patiënt moet dan wel informatie hebben over de best practice in
zijn eigen situatie. De grote uitdaging is om deze kennis aan de patiënt over te brengen.
Direct op patiënten gerichte informatie bijvoorbeeld verzorgd door samenwerkende
patiëntenverenigingen en wetenschappelijke verenigingen van specialisten, zou een middel
kunnen zijn.
Géén reden kankerpatiënten
noodzakelijk medicijn te onthouden
Regionale patiëntenverenigingen
(RP/CP's) en zorgverzekeraar Menzis zien geen enkele reden voor ziekenhuizen om
kankerpatiënten hun noodzakelijke behandeling te onthouden. Tóch maken de
patiëntenverenigingen en Menzis zich zorgen dat patiënten in sommige gevallen
noodzakelijke kankerbehandeling wordt onthouden, ondanks de geruststelling van enkele
ziekenhuizen. Uit onderzoek van de Borstkanker Vereniging Nederland blijkt namelijk, dat
ziekenhuizen in de werkgebieden van Geové en Amicon het dure medicijn Herceptin(r) véél
minder vaak voorschrijven dan het landelijk gemiddelde. Daarom worden patiënten
opgeroepen om hun ervaringen te melden.
Begin dit jaar heeft Menzis in een brief
aan alle ziekenhuizen in haar kernwerkgebied gevraagd eventuele financiële problemen rond
behandeling met dure kankermedicijnen kenbaar te maken. De ziekenhuizen die reageerden,
hebben toen aangegeven dat er geen belemmeringen zijn. Ook in antwoord op een
vergelijkbare brief van het RPCP Groningen hebben de ziekenhuizen laten weten dat er
géén financiële problemen zijn voor de behandelingen.
Kankermedicijn wordt nauwelijks
voorgeschreven
De Borstkanker Vereniging Nederland heeft onlangs onderzoek gedaan naar de verkoop van een
nieuw, duur medicijn Herceptin(r). Dit middel wordt gebruikt tegen borstkanker. Uit het
onderzoek blijkt dat dit middel in Nederland relatief veel minder wordt gebruikt dan in
andere Europese landen. Per provincie bekeken, blijkt dit medicijn door ziekenhuizen in
Noord-Oost Nederland nóg minder dan het landelijke gemiddelde te worden gegeven. Dit
ondanks de verzekering van de ziekenhuizen dat geldgebrek geen rol speelt.
Oproep aan borstkankerpatiënten
De vraag is daarom, wat dan wél de reden is. In het onderzoek zijn alleen verkoopcijfers
gebruikt. Als het middel gratis wordt verstrekt als onderdeel van onderzoek, 'telt' dit
niet mee. Ziekenhuizen die onderzoek doen, lijken er zo 'slecht' uit te komen, terwijl ze
wellicht wel volgens de richtlijnen behandelen.
Menzis en de patiëntenverenigingen roepen borstkankerpatiënten op om hun ervaringen
hierover te melden bij de Informatie en Klachtenbureaus Gezondheidszorg (IKG), centraal
telefoonnummer: 0900 243 70 70
Landelijke richtlijn
Herceptin(r) is opgenomen in de landelijke richtlijn voor de behandeling van borstkanker.
Het middel is alleen werkzaam bij bepaalde vormen van borstkanker met voldoende
gevoeligheid voor het middel. Deze 'gevoeligheid' kan in het laboratorium van het
ziekenhuis worden bepaald. Niet ieder ziekenhuis kan die bepaling uitvoeren.
Overleg met ziekenhuizen
Menzis is van mening dat het niet kunnen uitvoeren van dergelijk onderzoek géén
belemmering mág zijn om patiënten een noodzakelijke behandeling te onthouden. Daarom zal
Menzis met de ziekenhuizen overleggen om noodzakelijke zorg voor haar verzekerden blijvend
te garanderen.
Naar aanleiding van de geanonimiseerde meldingen zullen de RPCP's eveneens in overleg gaan
met de ziekenhuizen en waar nodig de zorgverzekeraars in Noord-Oost Nederland.
Gewichtsbeheersing is afstemmen
van energie
Gewichtsbeheersing bestaat uit het
afstemmen van de energie inname op het energiegebruik, waardoor de opslag van extra
energie als vet wordt voorkomen. De experimenten beschreven in dit proefschrift richten
zich op factoren die een rol kunnen spelen bij het voorkómen en de behandeling van
overgewicht en obesitas. Zowel gedragsmatige factoren (eetgedrag en lichamelijke
activiteit) als metabole factoren (verzadiging, energiegebruik, substraat oxidatie,
lichaamssamenstelling en energie efficiency) werden onderzocht. Uit de resultaten werd
geconcludeerd dat voor succesvolle gewichtsbeheersing op lange termijn een verandering in
leefstijl is vereist. Een verhoogde eiwit inname lijkt op dit moment de meest adequate
voedingsinterventie voor succesvolle gewichtsbeheersing.
Bron: Universiteit Maastricht
Glutamine onmisbaar voor herstel
na operatie
Voeding verrijkt met glutamine
ondersteunt in hoge mate de functie van de afweer en is belangrijk bij herstel na een
operatie. Van belang daarbij zijn de wijze waarop glutamine verrijkte voeding wordt
toegediend, intraveneus met een infuus of via de darm, en het soort glutamine, een vrije
glutaminemolecuul of het dipeptide alanyl-glutamine. De nieuwe inzichten in het
proefschrift van Petra Boelens zijn onder meer belangrijk voor het optimaliseren van
sondevoeding voor ernstig zieke patiënten. Glutamine is het substraat voor de
citrullineproductie in de darm en de arginineproductie in de nier. Arginine is het enige
aminozuur waarvan stikstof monoxide (NO) kan worden gemaakt - dit is de belangrijkste
bloedvatverwijder en regulator van de doorbloeding. Gebrek aan arginine bij ernstig zieke
patiënten kan meerdere organen bedreigen aangezien dit leidt tot onvoldoende
bloedtoevoer. Na letsel van het lichaam, door trauma of chirurgie, is een verhoogde
hoeveelheid glutamine nodig. Een tekort aan glutamine leidt tot slechter functioneren van
verschillende orgaansystemen. Zo is glutamine voor de cellen van het immuunsysteem
(afweer), de darm en de lever de belangrijkste energiebron.
'ALS' Chinese dokter Huang
Hongyun komt naar België
Op 11 september 2005 komt de Chinese
chirurg Huang Hongyun naar België.
De ALS Liga heeft zich als doel gesteld om meer duidelijkheid te verstrekken rond de
omstreden Chinese therapie die door Dr. Huang wordt toegepast. Wereldwijd worden
patiënten naar China gelokt waar ze tegen betaling van een enorme som
deze controversiële ingreep ondergaan. Veel patiënten zijn ontevreden over het resultaat
of de (te) lange wachtlijst en willen een helder antwoord op al hun vragen. Overigens zijn
al meerdere ALS patiënten overleden na het ondergaan van deze behandeling, hetgeen voor
grote opschudding zorgt onder deze groep mensen.
Dokter Huang komt de werkwijze van zijn
therapie toelichten. Ook de Belgische professoren en toponderzoekers Wim Robberecht en
Peter Carmeliet komen een stand van zaken geven aangaande het ALS onderzoek. Het beloofd
een boeiend medisch debat te worden waar ALS patiënten en hun omgeving reeds lang naar
uitkijken. Voor de Belgische ALS Liga is dit een primeur, daar dokter Huang zich zelden of
nooit leent tot deelname aan medische debatten en onze professoren meestal verhinderd zijn
door een te drukke agenda.
De komst van deze vooraanstaande artsen
is de kers op taart t.g.v. het 10-jarig bestaan van de ALS Liga, een organisatie die zich
inzet voor alle Belgische ALS patiënten. De Liga organiseert haar jaarlijks
contactweekend van 09 t/m 11 september 2005 in Club Florial te Blankenberge. Voor
gedetailleerde informatie omtrent het medisch debat, contacteer: DANNY +32(0)495/47.64.62
ALS (Amyotrofische Laterale Sclerose)
Ongeneeslijke verlammende zenuwspierziekte
-België telt momenteel 800 à 1000 ALS patiënten
Afgelopen 10 jaar overleden in ons land meer dan 2000 mensen aan deze ongeneeslijke
ziekte.
75% van de patiënten sterft tussen 2 à 5 jaar na diagnose, vaak reeds na 3 jaar.
Op de totale wereldpopulatie betekent dit 384.000 patiënten. Jaarlijks overlijden er
128.000 en worden er evenveel nieuwe ziekmeldingen genoteerd. Procentueel gezien
overlijden meer mensen aan ALS dan aan AIDS.
Ondanks grote inspanningen op wereldniveau, is de oorzaak van deze aandoening nog steeds
onbekend en is er dus ook geen behandeling mogelijk of aangewezen medicatie voorhanden.
Onderzoek naar ALS is bovendien enorm duur en tijdrovend met tot op heden weinig of geen
resultaat.
-Enkele bekende ALS patiënten die aan
deze ziekte zijn overleden :
Mao Tse Toeng, Chinese leider
Dimitri Shostavich, Russisch componist
Charles Mingus, Amerikaans jazzmuzikant
David Niven, acteur
Don Revie, manager Leeds United
Lou Gehrig, Amerikaanse baseball legende (waarnaar de ziekte genoemd wordt in USA)
Roger Dierckx, profvoetballer bij Lierse SK
-ALS is een niet besmettelijke dodelijke zenuw-, spieraandoening. Jaarlijks komen er in
België 2 à 3 nieuwe patiënten per 100.000 inwoners bij.
Het is een progressieve ziekte die door het afsterven van de motorneuronen leidt tot
complete verlamming van de spieren waaronder ook de spraak- en ademhalingsspieren, met
verstikkingsdood tot gevolg.
ALS kan in een willekeurige spiergroep beginnen.
In 1862 gebruikte Charcot Jean-Marie (geb. in Parijs 1825) voor het eerst de naam
'Amyotrofische Laterale Sclerose' om een aantasting van zowel het eerste als het tweede
motorneuron aan te duiden.
In 1874 geeft Charcot de eerste nauwkeurige observatie van het ziektebeeld ALS.
Danny Reviers
Tel. : 0495/47.64.62
0496/46.28.02
E-mail: danny@reviers.be
www.ALSLIGA.be
Transporteiwitten spelen
belangrijke rol bij ontstaan van galstenen
Een verhoogde uitscheiding van cholesterol naar de gal speelt een belangrijke rol bij het
ontstaan van galstenen, waar 10 tot 15 procent van de westerse bevolking door wordt
getroffen. Astrid Kosters onderzocht welke moleculaire mechanismen bij dit proces
betrokken zijn. Ze toont aan dat twee transporteiwitten een belangrijke rol spelen bij het
beschikbaar maken van cholesterol in verschillende mechanismen van cholesterolsecretie
naar de gal. Mw. A. Kosters: Biliary cholesterol secretion in mice. Promotor is prof. dr.
R.P.J. Oude Elferink.
Universiteit van Amsterdam
Promotie Geneeskunde
Antilichaam aangewezen als deel
oorzaak multiple-sclerose
De helft van de onderzochte patiënten
met Multiple Sclerose heeft een verhoogde concentratie anti-myeline antilichamen. Dit is
een sterke aanwijzing voor de betrokkenheid van dit antilichaam bij de afbraak van de
beschermlaag rondom neuronen, en daarmee bij de symptomen van MS. Vermoedt wordt dat
lokale ontstekingen in de hersenen een rol spelen bij MS. Dergelijke ontstekingen kunnen
ontstaan wanneer antilichamen aan myeline binden en een bepaald type witte bloedcel (de
macrofagen) de myeline aanvalt en afbreekt, met demyelinisatie tot gevolg. Macrofagen
kunnen antilichamen op twee manieren herkennen: via de Fcg receptoren op de macrofagen of
door activatie van complementeiwitten.
Esther Breij onderzocht welk van deze
twee mechanismen een rol speelt bij antilichaam-gemedieerde demyelinisatie. De
waarschijnlijke betrokkenheid van antilichamen bij MS blijkt uit autopsie hersenmateriaal
van MS-patiënten. Waar demyelinisatie was opgetreden zijn antilichamen, macrofagen (met
Fcg receptoren) en complementeiwitten aangetroffen. Daarom ontwikkelde Breij een test
waarmee antimyeline antilichamen detecteerbaar zijn in het bloed van de patiënt. Bijna
vijftig procent van de MS patiënten blijkt een verhoogde hoeveelheid antimyeline
antilichamen in het bloed te hebben.
Breij vermoedt dat dit het deel van de
MS-patiënten is waarbij demyelinisatie plaatsvindt door antimyeline antilichamen. Dit
inzicht biedt een veelbelovende basis voor de ontwikkeling van een therapie speciaal
gericht op antimyeline antilichamen. Multiple Sclerose (MS) is een chronische hersenziekte
die onder andere leidt tot verlamming van de lichaamsspieren. Belangrijkste kenmerk is de
afbraak van myeline (demyelinisatie), de isolerende laag die de neuronen beschermt tegen
beschadiging.
Vrije Universiteit Amsterdam
Gentherapie kan effectiviteit
chemokuren verbeteren
Met behulp van genetisch aangepaste
verkoudheidsvirussen kunnen tumorcellen worden aangezet tot het produceren van een
specifiek eiwit, dat de chemokuur effectiever en minder belastend maakt. Deze adenovirale
gentherapie, gecombineerd met selectieve chemotherapie, kan volgens Dinja Oosterhoff
veelbelovend zijn voor de behandeling van een bepaalde vorm van darmkanker. Colorectale
kanker wordt voornamelijk behandeld met chemotherapie (cytostatica). Het giftige
cytostaticum tast echter ook gezond weefsel aan waardoor de maximale dosis die toegediend
kan worden, beperkt is. Een oplossing is het toedienen van een niet-toxische prodrug, in
plaats van het giftige cytostaticum. Pas als een enzym deze prodrug in het lichaam omzet,
wordt het een actief cytostaticum. Als dit enzym alleen aanwezig is in de tumor, zal de
prodrug alleen daar worden geactiveerd; lokaal ontstaat dan een hoge dosis van het
cytostaticum. Oosterhoff deed onderzoek naar zo'n prodrug, het zogeheten CPT-11, dat
gebruikt wordt voor de behandeling van colorectale kanker. Het enzym carboxylesterase kan
CPT-11 omzetten in het actieve cytostaticum SN-38. Deze omzetting vindt in patiënten erg
inefficiënt plaats. Oosterhoff laat zien hoe tumorcellen kunnen worden aangezet tot extra
synthese van carboxylesterase. Dat gebeurt door DNA dat codeert voor carboxylesterase in
tumorcellen in te brengen, met behulp van speciale adenovirussen (onschuldige
verkoudheidsvirussen die zich niet kunnen repliceren). De tumorcellen produceerden
hierdoor carboxylesterase; toediening van prodrug CPT-11 resulteerde vervolgens in
verhoogde anti-tumor effectiviteit. Het effect was zelfs nog te vergroten door secretoire
vormen van carboxylesterase te gebruiken (die kunnen door een tumor verspreiden), of
adenovirussen die zich alleen in tumorcellen kunnen vermenigvuldigen.
Rood vlees en vleeswaren verhogen
kans op darmkanker
Mensen die veel rood vlees en vleeswaren
eten hebben meer kans op darmkanker. Het eten van vis verlaagt de kans op darmkanker. Dit
blijkt uit een groot Europees onderzoek naar de relatie tussen voeding en kanker. De
onderzoeksresultaten worden vandaag gepubliceerd in de JNCI (Journal of National Cancer
Institute), het wetenschappelijke tijdschrift van het Amerikaanse Nationale Kanker
Instituut.
Vanuit Nederland hebben het
Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Centrum voor Voeding en Gezondheid en het
Universitair Medisch Centrum (UMC) Utrecht meegewerkt aan het EPIC-onderzoek (European
Prospective Investigation into Cancer and Nutrition).
Vlees
Voor personen die per dag gewoonlijk 160 gram of meer (ruim anderhalf ons) rood vlees en
vleeswaren eten bedraagt het risico om binnen 10 jaar deze vorm van kanker te krijgen 1,7
procent. Voor deelnemers, die gewoonlijk minder dan 20 gram per dag eten (eens per week of
minder) bedraagt dit risico 1,3 procent. Dit betekent dat mensen die veel rood vlees en
vleeswaren eten 35 procent meer kans hebben op het ontwikkelen van darmkanker.
Vis
Voor mensen die gewoonlijk minder dan 20 gram vis per dag eten (minder dan eens per week
een portie vis) is het risico op darmkanker in 10 jaar 1,9 procent. Vergelijkbaar met
deelnemers die gewoonlijk 80 gram of meer per dag eten (ten minste om de dag een portie
vis) is dit risico 1,3 procent.
Er is geen relatie gevonden met
consumptie van kip- en ander gevogelte. De relaties met vis en vlees zijn onafhankelijk
van het verlaagde risico op darmkanker bij een hoge vezelconsumptie, die in dezelfde
onderzoeksgroep al eerder werd gevonden.
Darmkanker
In de Europese onderzoeksgroep zijn over een periode van bijna 5 jaar 1329 gevallen van
darmkanker ontstaan. In Nederland worden ieder jaar ongeveer 5000 nieuwe gevallen van
darmkanker bij mannen en ongeveer 4500 nieuwe gevallen bij vrouwen vast gesteld. Daarmee
is darmkanker naast prostaat- en longkanker een van de meest voorkomende kankervormen bij
mannen in Nederland. Bij vrouwen komt darmkanker op de tweede plaats na borstkanker.
In Nederland worden in vergelijking met
andere west Europese landen veel nieuwe gevallen van darmkanker geconstateerd, ruim 40 op
de 100. 000 vrouwen. Hiermee komt Nederland op de tweede plaats, na Denemarken. Bij mannen
is dit 60 op de 100. 000. Hiermee komen we op de vierde plaats, na Ierland, Oostenrijk en
Duitsland.
Onderzoek
Dit langlopende en grootschalige WHO-onderzoek is uitgevoerd door het
kankeronderzoeksinstituut van de WHO in Lyon, het IARC (International Agengy for Research
on Cancer). Het EPIC-onderzoek is een project dat valt onder het IARC. Meer dan een half
miljoen West-Europeanen, waaronder ruim 40 000 Nederlanders (mannen en vrouwen), zijn bij
deze studie betrokken.
Aardbeienonderzoek 2005: geen
overschrijdingen van de norm
De afgelopen jaren vond de VWA op aardbeien uit het buitenland te veel resten van
bestrijdingsmiddelen. Daarom heeft de VWA vanaf 2003 extra controleacties georganiseerd
naar deze productgroep. Vorig jaar was er al een duidelijke vermindering in
overschrijdingen zichtbaar. Tijdens de controleactie van dit jaar kwam tot nu toe geen
enkel gevonden gehalte meer boven de wettelijke limiet uit.
Streng toezicht VWA
De VWA nam de afgelopen jaren direct na het vaststellen van een overtreding actie
richting het bedrijf. Afhankelijk van de mate van overschrijding kreeg het bedrijf een
waarschuwing of een boete. De VWA bezocht het bedrijf kort na de overtreding opnieuw om te
controleren of inmiddels wel aan de gestelde eisen werd voldaan. Constateerde de VWA
opnieuw een overschrijding, dan kreeg het bedrijf direct weer een boete. De VWA vindt op
de buitenlandse aardbeien nu vooral middelen die in Nederland wettelijk zijn toegestaan en
dus geen gezondheidsrisico opleveren.
Telers in het buitenland zijn nu beter op
de hoogte van normen uit het land waar zij hun producten naar exporteren. Ook het
gelijktrekken van regelgeving in Europees verband en het vaststellen van zogenaamde
importtoleranties hebben bijgedragen aan een afname van het aantal overschrijdingen.
Voel-je-Fit van start bij 100
fitnesscentra
Zomerse beweegcampagne voor Nederlandse
Hartstichting start op 1 juli
In de zomermaanden juli en augustus kun
je bij circa 100 fitnesscentra in heel Nederland terecht voor een héél zonnig
introductieprijsje en een leuke goodybag. Dat is in het kort de beweegcampagne Voel-je-Fit
2005. Een prima idee om je conditie op te vijzelen of een paar pondjes eraf te trainen,
maar de campagne wil méér bereiken. Volgens de organisatie is Voel-je-Fit een perfecte
manier om kennis te maken met alle voordelen van een gezonde leefstijl en regelmatige
beweging. Letterlijk én figuurlijk beter in je vel zitten, dat is waar het deze zomer om
draait.
Een zonnig introductieprijsje mét
goodybag
Voel-je-Fit is een nationale beweegcampagne en het is de bedoeling dat zoveel mogelijk
mensen meedoen. Aan de actie zélf zal het niet liggen, want je kunt bij centra terecht
voor een introductietarief vanaf 15 euro. En dat is ínclusief een speciale Voel-je-Fit
goodybag vol gezonde producten, een magazine en een online loopprogramma met
voedingsdagboek én je eigen digitale coach. Voor iedere deelnemer maakt het
fitnesscentrum 5 euro over naar de Nederlandse Hartstichting!
Sponsorloop voor de Nederlandse
Hartstichting
Op 3 juli gaat Voel-je-Fit 2005 officieel van start met een speciale sponsorloop bij veel
van de fitnesscentra die meedoen aan de actie. Het gaat om een route van 10 kilometer en
je kunt zelf kiezen of je wilt hardlopen of wandelen. Zoek zoveel mogelijk sponsors en doe
mee, want ook de opbrengst van deze sponsorloop is bestemd voor de Nederlandse
Hartstichting. Het fitnesscentrum kan je alles vertellen over de sponsorloop en hoe je mee
kunt doen.
Meer informatie
Voel-je-Fit 2005 is een initiatief van het Marketing Collectief Fitness en bijna 100
centra in Nederland doen mee. Wil je meer weten over de campagne en de actievoorwaarden?
Surf dan naar www.voel-je-fit.nu voor meer informatie en een fitnesscentrum in de buurt.
Kom in beweging en Voel-je-Fit!
Nieuwe medicijnen die chemokines
blokkeren blijken veilig
Reumatoïde artritis leidt tot chronische ontstekingen in het gewrichtsweefsel.
Chemokines, eiwitten die de migratie stimuleren van cellen uit de bloedbaan naar de plaats
van de ontsteking, vervullen in dit proces een cruciale rol. Recent zijn er middelen
ontwikkeld die deze eiwitten aanpakken. Haringman onderzocht bij patiënten met
reumatoïde artritis twee medicijnen die de chemokinereceptor CCR1 en het chemokine
CCL2/MCP-1 blokkeren. Beide middelen bleken veilig, het blokkeren van CCR1 was op
biologisch niveau effectief.
Bron: Universiteit van Amsterdam
Kunstmatige Intelligentie nieuwe
hulp bij classificatie borstkanker
Kunstmatige Intelligentie helpt patholoog
bij classificatie van borstkanker
De diagnose borstkanker wordt jaarlijks
bij tienduizend Nederlandse vrouwen gesteld. Het is bij Europese vrouwen de meest
voorkomende vorm van kanker. Bij de keuze van de behandeling worden patiënten, op basis
van verschillende onderzoeken, ingedeeld in de categorie 'hoog risico' (zware behandeling)
of 'laag risico' (lichte behandeling). Toch blijken sommige tumoren uit de
laag-risicogroep helemaal niet zo onschuldig als ze er op het eerste gezicht uitzien:
dertig procent van de patiënten uit deze groep overlijdt alsnog binnen vijf jaar.
Er is de wetenschap veel aan gelegen om
die 'wolven in schaapskleren' te identificeren en daarmee de diagnose (èn dus de
prognose) van borstkanker te verbeteren. Kunstmatige Intelligentie lijkt daarbij een
uitkomst te bieden.
Bron: Universiteit Maastricht
Rapport vaccinatiegraad
Nederland: Meer kinderen gevaccineerd
De vaccinatiegraad in Nederland is
toegenomen. Dit blijkt uit het rapport "Vaccinatietoestand Nederland per 1 januari
2004".
De toename geldt voor alle vaccinaties,
met uitzondering van de vaccinatie tegen difterie, tetanus en polio (DTP) voor
schoolkinderen. De daling in de vaccinatiegraad bij zuigelingen die zich in voorgaande
rapportages aftekende, lijkt zich niet voort te zetten.
Het rapport beschrijft het percentage
kinderen dat gevaccineerd is via het Rijksvaccinatieprogramma. Het gaat om zuigelingen
geboren in 2001, kleuters geboren in 1998 en schoolkinderen geboren in 1993. De landelijke
percentages zijn voor het eerst voor alle vaccinaties boven de 95 procent en voldoen
hiermee ruim aan de normen van de WHO. Internationaal gezien is het percentage
gevaccineerde kinderen in Nederland zeer hoog. De gebieden met lagere
vaccinatiepercentages beperken zich tot gemeenten en provincies waar veel mensen wonen die
zich om godsdienstige redenen niet laten inenten. Dit komt overeen met voorgaande
rapportages.
Het rapport is gebaseerd op de
registratie van toegediende vaccinaties bij de entadministraties en is een gezamenlijke
publicatie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, de Landelijke Vereniging
van Entadministraties en de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
Onvoldoende gegevens over tin en
anorganische tinverbindingen
In een advies dat donderdag (9.6.2005)
aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt aangeboden, concludeert
de Gezondheidsraad dat er onvoldoende gegevens zijn over tin en anorganische
tinverbindingen om de gezondheidskundige gevolgen van beroepsmatige blootstelling aan deze
verbindingen in de lucht te beoordelen.
Tin wordt voornamelijk gebruikt als
coating voor andere metalen ter bescherming tegen corrosie. Daarnaast is het een component
van legeringen. Er is zeer weinig bekend over de gevolgen van blootstelling aan tin en
anorganische tinverbindingen via de lucht voor de gezondheid. Mensen die langdurig worden
blootgesteld aan tin en tinverbindingen kunnen stoflongen ontwikkelen. Dit gaat echter
niet gepaard met een verlies van de longfunctie.
Over de gevolgen van orale blootstelling
aan tin en tinverbindingen is iets meer bekend. Mensen kunnen hierdoor misselijkheid
worden en diarree krijgen. Proefdieren kunnen na opname vertraagd worden in de groei,
lichte bloedarmoede vertonen en kleine afwijkingen van de lever ontwikkelen. De commissie
die het advies opstelde, betwijfelt echter of deze effecten ook na blootstelling via de
lucht optreden.
Het advies besluit daarom dat er
onvoldoende gegevens zijn om voor tin en anorganische tinverbindingen een
gezondheidskundige advieswaarde af te leiden.
Het advies Tin en anorganische tinverbindingen is opgesteld in samenwerking met de Nordic
Expert Group.
Volop bloeienden grassen
Nu de kans op regen weer kleiner is,
volgen er nog zeker dagen waarbij grassenpollen weer het luchtruim zullen kiezen. De
windrichting, noordwest tot noord, is voor het kustgebied gunstig. De grassen zijn nog
lang niet uitgebloeid. Naast de onzichtbare stuifmeelkorrels zullen er binnenkort ook
zichtbare plantendelen het luchtruim kiezen, de pluizige vruchten van populieren en
wilgen.
In het algemeen wordt gras maar weinig
gewaardeerd. Rond het huis ziet men het liefst een glad geschoren gazon van slechts één
of enkele soorten en zonder onkruid . Ook de boeren zien het onkruid liever niet. Op veel
plaatsen worden de weilanden omgeploegd en vervolgens met één grassoort ingezaaid. Deze
monotone groene vlakten staan garant voor een goede opbrengst, maar er ontbreekt een
natuurlijk dierenleven. In Nederland komen meer dan honderd wilde grassen voor en nog vele
tientallen soorten, die op één of andere manier hier terecht zijn gekomen. De grassen
hebben verschillende bloeiwijzen. Grote grassen vallen het meest op.Dat is bijvoorbeeld
riet, maar dat bloeit nog niet. Grote grassen verspreiden hun stuifmeel het meest
effectief. Eén van de opvallendste grassen, die thans bloeien, is de kropaar, een hoog
gras met knoedelvormige bloeiwijze. Een minder hoog, ook volop bloeiend gras, is de
witbol, een zacht aanvoelend gras met een pluimvormige bloeiwijze, eerst witachtig, later
meer bruin of roodachtig van kleur.
Met het verdwijnen van de bloemen van het
nu zaad verspreidende fluitenkruid is de bermdecoratie nog niet verdwenen. Het zevenblad,
een door tuinbezitters gehate plant, volgt het fluitenkruid op. De bloeiwijze lijkt
sprekend op die van fluitenkruid, maar de bloeistengels zijn lang niet zo hoog.
Boterbloemen en koolzaad blijven nog lange tijd voor een geel accent zorgen, maar ook
andere gele bloeiers zijn verschenen zoals de akkermelkdistel en het biggekruid. De raket
bloeit ook geel, maar de bloemen zijn zo klein dat ze nauwelijks opvallen. Langs de
waterkant bloeien gele lissen en de licht lila valeriaan. Intussen kwamen ook de kleuren
rood en paars aan bod, klaprozen zijn er vol op en rode klaver, verder de door boeren zo
verfoeide akkerdistel. Die staan meestal groepsgewijs en dicht op elkaar en dat geeft bij
de bloei een prachtige paarse gloed.
Ook de witte klaver bloeit volop en
verder zijn er nog veel andere wit bloeiers: margrieten, kamille, witte nachtkoekoeksbloem
en duizendblad. Waar op schrale gronden de vegetatie laag bleef is de bodem soms bedekt
met kleine gele "bolletjes", de bloeiwijze van de kleine klaver. Ook andere
kleine klavers als liggende klaver en hopklaver bloeien geel met kleine ronde hoofdjes.
Opvallend witbloeiende struiken zijn nu de vlier en de vuurdoorn, bij de bomen is het de
acacia. Vele honderden vlieren bloeien langs de spoorbanen in het midden, zuiden en oosten
van het land. In de afgelopen weken waren het de rhododendrons, die met hun bloei de kroon
spanden, Zij vormden in veel tuinen langs de Utrechtse heuvelrug een indrukwekkende
kleurenpracht.
door Baltus Zwart, oud- meteoroloog KNMI
Bron: Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut
Parkinson door tuinieren
Tuinieren verhoogt de kans op Parkinson
met negen procent, melden epidemiologen uit het Britse Aberdeen in New Scientist. De
Britten vermoeden dat blootstelling aan bestrijdingsmiddelen het verband veroorzaakt.
Mensen die beroepshalve veel met giffen in aanraking kwamen, zoals boeren, hadden zelfs
veertig procent meer kans op de slopende ziekte. Hoe zit dat?
Dr Tinka Murk, leerstoelgroep Toxicologie
van Wageningen Universiteit
Er zijn nogal wat pesticiden op de
markt die giftig zijn voor zenuwcellen. Ze zijn neurotoxisch, heet dat. Als insecten die
middelen binnenkrijgen worden ze verlamd. Ze kunnen niet meer bewegen, en drogen uit of
worden opgegeten.
Ongeveer de helft van die insecticiden
blokkeert het enzym dat in de zenuwcellen de neurotransmitter acetylcholine afbreekt.
Acetylcholine maakt het mogelijk dat zenuwcellen signalen doorgeven aan elkaar of aan
spiercellen. Als die taak is volbracht, dan moet het acetylcholine snel verdwijnen. Dat
doet het enzym. Kan het enzym door bestrijdingsmiddelen zijn werk niet doen, dan ontstaat
er eerst een overstimulering van prikkels, en uiteindelijk een totale stagnering van de
prikkelgeleiding. Het gevolg is verlamming of tetanus, een infectie van de spier- en
zenuwcellen.
De tweede grote groep insecticiden, de
pyretrhroïden, werkt op een andere manier. Als zenuwcellen elkaar signalen doorgeven, dan
gaan natriumkanaaltjes in de celwanden even open. Als het signaal is overgebracht, dan
moeten de kanaaltjes zo snel mogelijk weer dicht. Pyrethroïden verstoren dat proces.
In landen als Indonesië, waar we nu
bezig zijn met een project, komt het nog wel eens voor dat mensen veel te veel
bestrijdingsmiddelen binnenkrijgen en acuut vergiftigingsverschijnselen krijgen. Ze worden
misselijk en gaan trillen, maar de verschijnselen gaan binnen een paar dagen weer over, en
veroorzaken geen blijvende schade. Voor zover we weten, tenminste.
Als het effect dat de Engelse
epidemiologen hebben gevonden inderdaad iets te maken heeft met bestrijdingsmiddelen, dan
denk ik dat het ontstaat in combinatie met andere factoren, zoals erfelijke aanleg en
dieet. Parkinson ontstaat als hersencellen afsterven die de neurotransmitter dopamine
aanmaken. Patiënten krijgen steeds meer last van bevingen, stijfheid, moeite met lopen of
het houden van evenwicht, en mentale problemen. Ik kan me voorstellen dat pesticiden het
ontstaan van Parkinson kunnen triggeren of versterken.
Afgezien van de neurotoxische effecten
brengen bestrijdingsmiddelen nog meer gezondheidsrisicos met zich mee, vooral bij
blootstelling op zeer jonge leeftijd. Maar we zoeken die effecten in de hormonale hoek.
We vinden het bijvoorbeeld verdacht dat veel vrouwen die nu borstkanker krijgen
werden geboren in de tijd dat we nog dachten dat DDT ongevaarlijk was. Als je thuis last
had van ongedierte, dan was sproeien met DDT, of het gouden poeder zoals het
ook wel heette, doodgewoon. Nu weten we dat een omzettingsproduct van DDT, DDE, een stof
is die niet snel uit het lichaam verdwijnt en de werking van het hormoon estradiol
imiteert. Blootstelling aan DDE verhoogt de kans op borstkanker, weten we nu. Vandaar dat
toxicologen geloven dat er verband is tussen het kwistige gebruik van DDT en andere
hormoonverstorende stoffen vroeger, en de piek in het aantal gevallen van borstkanker nu.
Uit epidemiologisch onderzoek is ook
bekend dat boeren die veel met bestrijdingsmiddelen in aanraking komen, vaker dochters
krijgen. Hoe dat komt weten we niet. We hebben geen theorie die het verschijnsel kan
verklaren.
[Bron: Universiteit Wageningen]
Oudere heeft megadosis B12 nodig
Eén op de tien, en misschien wel één
op de vijf ouderen, heeft een tekort aan de vitamine B12, en daardoor een verhoogde kans
op cognitieve achteruitgang en depressie. Het tekort ondervangen door extra op de voeding
te letten is praktisch onmogelijk, suggereert een Wagenings onderzoek. Alleen fors
gedoseerde supplementen bieden uitkomst.
Vitamine B12 zit alleen in dierlijke
producten, en dan vooral in vlees. De vitamine is onmisbaar voor het functioneren van
enzymen die de stofwisseling reguleren en het vervaarlijke aminozuur homocysteïne
onschadelijk maken. Door het verouderingsproces gaat het lichaam steeds minder efficiënt
met de vitamine om. Volgens studies begint na het vijftigste levensjaar de concentratie
van de vitamine in het bloed terug te lopen.
Onderzoekers van de afdeling Humane
Voeding bestudeerden 120 gezonde zeventigplussers met een mild tekort aan de vitamine. Ze
verdeelden hun proefpersonen in vijf verschillende groepen, die elk een andere hoeveelheid
van de vitamine in de vorm van een capsule kregen. De kleinste dosis was drie microgram
per dag, de hoeveelheid die je volgens de richtlijnen dagelijks zou moeten binnenkrijgen.
De hoogste dosis was duizend microgram per dag.
De onderzoekers maten regelmatig de
concentratie homocysteine en methylmalonzuur in hun proefpersonen. Naarmate het tekort aan
B12 nijpender is, is de concentratie van die twee stoffen hoger. Afgaande op die metingen
was er bij de proefpersonen minimaal een dosis van 600 microgram vitamine B12 per dag
nodig om de situatie te normaliseren.
Dit onderzoek laat zien dat er veel
hoger doses B12 nodig zijn om een tekort aan de vitamine op te heffen dan we vroeger
dachten, schrijven de Wageningers. De laagste dosis waarmee wij een mild
tekort konden opheffen was tweehonderd hoger dan de huidige aanbevolen dagelijkse
hoeveelheid.
Het onderzoek is verschenen in de
Archives of Internal Medicine. Brussel en fabrikant Kelloggs betaalden eraan mee.
[Bron: Universiteit Wageningen]
Een andere aanpak voor diabetes
en andere chronische ziekten
Steeds meer mensen zullen in de toekomst
te maken krijgen met chronische ziekten als diabetes. Die vragen om een andere visie op
ziekte en gezondheid. Dat zegt minister Hoogervorst tijdens het VWS diabetescongres
in Den Haag, dat morgen wordt gehouden.
Hoogervorst schetst tijdens het congres
zijn ideaalbeeld van de zorg voor diabetespatiënten over een paar jaar. Daarin gaat de
patiënt zelf op een verantwoordelijke manier met zijn ziekte om, en voelen zorgaanbieders
zich samen verantwoordelijk voor de kwaliteit van het geleverde product, aldus
Hoogervorst.
Het ministerie van VWS heeft de afgelopen
twee jaar veel geïnvesteerd in de aanpak van diabetes. De ziekte is gekozen tot een van
de speerpunten in het preventiebeleid. Samen met verzekeraars en zorgaanbieders is een
keten-dbc (diagnosebehandelingscombiniatie) ontwikkeld. Daarin is vastgelegd welke
standaardhulp nodig is voor een goede behandeling van diabetes. Een taakgroep heeft
bovendien voorstellen ontwikkeld voor een nieuwe aanpak waarin de verschillende
zorgaanbieders samenwerken. De minister komt nog voor het zomerreces met een standpunt op
de rapportage van deze taakgroep.
Zorgverzekeraars krijgen te veel
macht
In het nieuwe stelsel voor
zorgverzekeringen, dat op 1 januari 2006 ingaat, krijgen de verzekeraars te veel macht.
Dat zegt prof. dr. Klaas van der Meer, hoogleraar huisartsengeneeskunde aan de
Rijksuniversitieteit Groningen/UMCG. Van der Meer, die naast zijn baan als hoogleraar nog
één dag in de week werkt als huisarts in Roden, is bang dat dat uiteindelijk ten koste
zal gaan van kwetsbare patiënten.
Dagenlang staakten de huisartsen. Onder
meer omdat ze zich niet kunnen vinden in het nieuwe stelsel voor zorgverzekeringen. Maar
hoe zit het nou precies? "Een van de grote problemen van het nieuwe zorgstelsel is
dat niemand eigenlijk weet hoe het er in de praktijk uit gaat zien. Niemand weet precies
hoe de relatie tussen arts en patiënt straks wordt", zegt Van der Meer. Daarbij
maakt de Groningse hoogleraar zich vooral zorgen om twee dingen. In de eerste plaats de
continuïteit in de verhouding tussen arts en patiënt. "Een huisarts is eigenlijk
een specialist in mensen. Hij heeft de dossiers van zijn patiënten, ziet ze op het
spreekuur, komt bij hen thuis en weet van hun omstandigheden. Hij is bij uitstek de
persoon om in een vroeg stadium problemen te onderkennen." In het nieuwe stelsel
kunnen patiënten in principe kiezen waar ze met hun klachten heen gaan. Huisarts A,
huisarts B of zelfs een basisarts. "Zo verdwijnt het overzicht, de regie. En
bovendien, waar zitten we hier dan nog die driejarige huisartsenopleiding voor te
doen?"
In de tweede plaats vreest Van der Meer
dat de laagdrempeligheid van de huisartsenzorg in Nederland verloren gaat. Simpel gezegd:
patiënten gaan niet meer naar de huisarts omdat ze het niet kunnen betalen. "Het
nieuwe verzekeringsstelsel is gericht op gezonde mensen, niet op patiënten die een
chronisch probleem hebben of in een verzorgingstehuis zitten." Huisartsen worden in
de toekomst verplicht om informatie over hun patiënten te delen met de
verzekeringsmaatschappijen en die zitten, vreest Van der Meer, niet te wachten om
chronische patiënten bij te verzekeren. "Een huis dat al in brand staat, kun je niet
meer verzekeren. Zo is het met patiënten ook. Als iemand, omdat hij nooit ziek is, een
verzekering afsluit met een hoog eigen risico, is er niks aan de hand. Tot hij ineens wel
ziek wordt. Dan kan hij zich niet meer extra verzekeren. Dus bestaat de kans dat hij ieder
bezoek van de huisarts uit eigen zak moet betalen."
Marktwerking
"In het nieuwe stelsel staat
marktwerking centraal", legt Van der Meer uit. "Dat slaat natuurlijk nergens op.
Wat ik als huisarts met een patiënt bespreek, is geen product dat je kunt kopen en
verkopen. Bovendien, als je zorg ziet als een product dan wordt de huisarts een ondernemer
die zijn winkel overeind wil houden. Hoe doe je dat? Door de patiënt zo lang mogelijk
patiënt te houden. Er is geen dokter die dat wil!"
Door de verplichting om informatie over
patiënten te delen met verzekeraars wordt, cru uitgedrukt, het beroepsgeheim van artsen
afgeschaft. "Het wordt veranderd in een soort spreekplicht. Wil je als huisarts je
geld krijgen van de verzekeringsmaatschappij, dan ben je verplicht om een zogeheten
uitgangsdiagnose door te geven. Dat betekent dat een verzekeraar precies van een patiënt
weet wat er met hem aan de hand is."
In de driehoek tussen patiënt, huisarts
en verzekeraars komt zo wel erg veel macht bij de verzekeraar te liggen, vindt Van der
Meer. "Je moet jezelf ook de vraag stellen wie er nou beter wordt van dit hele nieuwe
stelsel. Niet de patiënt en ook niet de dokter. Ik ben nog geen arts tegengekomen die
zegt: `Da's nou nuttig, marktwerking, dat er een financiële prikkel op tafel ligt.' Als
ik in de spreekkamer zit, dan zit ik daar voor m'n patiënten. Ik zit daar echt niet aan
geld te denken."
Curriculum vitae
Prof. dr. Klaas van der Meer studeerde
medicijnen in Groningen en werkt sinds 1975 als huisarts in het Noord-Drentse Roden. Vanaf
die tijd is hij in verschillende functies verbonden geweest aan de disciplinegroep
huisartsengeneeskunde van de RUG. Sinds 2004 is hij hoogleraar. Van der Meer promoveerde
in 1994 op een onderzoek naar psychische en sociale problemen in de huisartsenpraktijk en
werkte als co-auteur mee aan verschillende boeken over zijn vakgebied.
Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Nieuw licht op afweersysteem
Hoe kan een bacterie als Salmonella in cellen overleven, zonder dat het afweersysteem hier
erg van heeft? Waarom grijpt het afweersysteem niet in als tumorcellen ongeremd gaan
groeien? Nieuwe microscopische technieken hebben onderzoekers van het Nederlands Kanker
Instituut - Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam in staat gesteld om op tot
dusver niet mogelijke resolutie in levende cellen te kijken, en meer inzicht te krijgen in
deze vragen.
De witte bloedcellen van het menselijk
afweersysteem zijn continu op zoek naar geïnfecteerde of ontregelde cellen, en ruimen die
na herkenning zeer effectief op. Een centrale vraag in het onderzoek van de groep van
Prof. dr. Jacques Neefjes is waarom het afweersysteem in sommige gevallen toch faalt,
zoals bij het ontstaan van kanker, of bij bepaalde bacteriële of virale infecties. Om dit
te begrijpen bestuderen zij het proces dat vooraf gaat aan de herkenning van een
kwaadaardige cel door een witte bloedcel.
Het eiwit dat de witte bloedcel
controleert is het zogenaamde MHC II eiwit dat is beladen met een klein stukje willekeurig
ander eiwit (een peptide) uit de cel. Hiermee werkt het als het ware als een vlaggetje dat
aangeeft of een cel ziek of gezond is De witte bloedcel herkent namelijk wanneer het
peptide van vreemde afkomst is. Om het MHC eiwit te beladen met peptide is echter de
interactie met een helpereiwit (in het zogenaamde MHC beladings compartiment) essentieel.
Om deze interactie te visualiseren koppelden de onderzoekers aan deze eiwitten twee
verschillend gekleurde lichtgevende eiwitten, een blauwe aan het MHC eiwit en een gele aan
het helper eiwit. Dit stelde de groep in staat om beide eiwitten in levende cellen te
volgen. Daarbij maakten zij gebruik van een natuurkundig verschijnsel dat alleen
plaatsvindt als de twee eiwitten bij elkaar komen, waarbij in dit geval het blauwe eiwit
zijn energie overdraagt aan de gele variant. De verschuiving van blauw naar geel licht kan
worden gemeten onder de microscoop. Op deze wijze wisten Neefjes en zijn onderzoekers het
MHC II beladings proces te visualiseren op een niveau dat voorheen te klein was om te
detecteren.
Zij ontdekten dat de interactie tussen
MHC II en de helpereiwitten alleen in bepaalde domeinen binnen het MHC beladings
compartiment plaatsvindt. Maar nog belangrijker, zij constateerden dat bacteriën als
Salmonella hier misbruik van maken door de formatie van deze domeinen te voorkomen.
Daarmee verhinderen zij de interactie van MHC II met het helpereiwit, wordt het MHC II
eiwit niet beladen met van Salmonella afkomstige peptiden, en blijft de bacterie zodoende
onopgemerkt door de witte bloedcellen.
Het vervolgonderzoek richt zich nu op de
vraag waar de domeinen waar wel interactie plaatsvindt, verschillen van de domeinen waarin
dit niet gebeurt, en hoe bijvoorbeeld bacteriën of tumorcellen in staat zijn om deze
domeinen te beïnvloeden. Met deze kennis hoopt de groep van professor Neefjes in de
toekomst het afweersysteem beter te kunnen inzetten in de strijd tegen o.a.
infectieziekten en kanker.
Voor verder informatie:
* Dr. Jacques Neefjes
Afdeling Tumor Biologie
* Het Nederlands Kanker Instituut-
Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis
Amsterdam
Tel 020-5122012
Fax 020-5122029
Email j.neefjes@nki.nl
Gentherapie kan effectiviteit
chemokuren verbeteren
Met behulp van genetisch aangepaste
verkoudheidsvirussen kunnen tumorcellen worden aangezet tot het produceren van een
specifiek eiwit, dat de chemokuur effectiever en minder belastend maakt. Deze adenovirale
gentherapie, gecombineerd met selectieve chemotherapie, kan volgens Dinja Oosterhoff
veelbelovend zijn voor de behandeling van een bepaalde vorm van darmkanker. Colorectale
kanker wordt voornamelijk behandeld met chemotherapie (cytostatica). Het giftige
cytostaticum tast echter ook gezond weefsel aan waardoor de maximale dosis die toegediend
kan worden, beperkt is. Een oplossing is het toedienen van een niet-toxische prodrug, in
plaats van het giftige cytostaticum. Pas als een enzym deze prodrug in het lichaam omzet,
wordt het een actief cytostaticum. Als dit enzym alleen aanwezig is in de tumor, zal de
prodrug alleen daar worden geactiveerd; lokaal ontstaat dan een hoge dosis van het
cytostaticum. Oosterhoff deed onderzoek naar zo'n prodrug, het zogeheten CPT-11, dat
gebruikt wordt voor de behandeling van colorectale kanker. Het enzym carboxylesterase kan
CPT-11 omzetten in het actieve cytostaticum SN-38. Deze omzetting vindt in patiënten erg
inefficiënt plaats. Oosterhoff laat zien hoe tumorcellen kunnen worden aangezet tot extra
synthese van carboxylesterase. Dat gebeurt door DNA dat codeert voor carboxylesterase in
tumorcellen in te brengen, met behulp van speciale adenovirussen (onschuldige
verkoudheidsvirussen die zich niet kunnen repliceren). De tumorcellen produceerden
hierdoor carboxylesterase; toediening van prodrug CPT-11 resulteerde vervolgens in
verhoogde anti-tumor effectiviteit. Het effect was zelfs nog te vergroten door secretoire
vormen van carboxylesterase te gebruiken (die kunnen door een tumor verspreiden), of
adenovirussen die zich alleen in tumorcellen kunnen vermenigvuldigen.
Bron: Vrije Universiteit Amsterdam
Geen immuniteit tegen kinkhoest
Vaccinatie tegen kinkhoest, of het
doormaken van een kinkhoestinfectie, beschermt niet tegen het opnieuw krijgen van
kinkhoest. Dat heeft Florens Versteegh voor het eerst bewezen, bij vier patiënten.
Versteegh ontwikkelde een methode om met één bloedmonster de diagnose kinkhoest te
kunnen stellen. Kinkhoest is een besmettelijke luchtwegziekte, veroorzaakt door de
kinkhoestbacterie, Bordetella pertussis. Een gehalte in het bloed van 100 eenheden per ml
of hoger van immunoglobuline-G tegen pertussis toxine (IgG-PT), bewijst een recente
kinkhoestinfectie, aldus de promovenda. In de loop van de tijd verdwijnen alle
afweerstoffen volledig. Dit is zo bij alle leeftijdsgroepen, al lijkt het er op dat bij
ouderen een snellere stijging, een hogere piek en een snellere daling plaatsvindt. Dit kan
wijzen op een vorm van immunologisch geheugen. Met het verdwijnen van de afweerstoffen
neemt de gevoeligheid voor een nieuwe kinkhoestinfectie toe. Versteegh berekende met de
'verdwijncurve' IgG-PT van een doorsnede van de Nederlandse bevolking, dat jaarlijks ruim
zes procent van alle 3- tot 79-jarigen kinkhoest doormaken. Dit heeft consequenties voor
het aanpassen van de vaccinatieschema's; niet alleen voor kinderen maar ook voor
volwassenen, aangezien volwassenen waarschijnlijk de belangrijkste bron zijn voor
kinkhoestinfecties bij jongere kinderen. Tijdens het onderzoek bij kinderen met kinkhoest,
heeft Versteegh waargenomen dat er bij eenderde van de kinderen tegelijkertijd ook een
infectie was met een andere ziekteverwekker.
Bron: Vrije Universiteit Amsterdam
Vetzuursamenstelling van aanbod
vloeibare frituurvetten verbeterd
De afgelopen jaren is het
transvetzuurgehalte in vloeibare frituurvetten voor de horeca drastisch verlaagd. Vaste
frituurvetten en bakkerijmargarines zijn in de afgelopen jaren nauwelijks verbeterd in
vetzuursamenstelling. Dit blijkt uit een onderzoek van de Wageningen Universiteit (WUR)
dat recent is verschenen.
Het onderzoek werd uitgevoerd met als
doel de voortgang in verbetering van de vetzuursamenstelling van frituurvetten en
bakkerijmargarines in beeld te brengen. Hiervoor is de vetzuursamenstelling geanalyseerd
van 27 frituurvetten die in de horeca worden gebruikt en van 14 bakkerijmargarines die
gebruikt worden voor ambachtelijke bakkerijproducten. Van de gemeten frituurvetten betrof
het 21 vaste frituurvetten van zowel A- als B-merken en 6 (half)vloeibare varianten
(A-merken). De resultaten konden worden vergeleken met analyseresultaten van onderzoeken,
die door dezelfde onderzoeksgroep van de Wageningen Universiteit werden uitgevoerd in de
periode van 1989-1996. Het onderzoek werd gefinancierd door de Nederlandse Hartstichting.
Van de onderzochte producten zijn
halfvloeibare frituurvetten het meest verbeterd in vetzuursamenstelling. Zo daalde de
gemiddelde hoeveelheid transvetzuren van 15 gram per 100 gram product naar 3 gram. De
gemiddelde hoeveelheid verzadigde vetzuren steeg met 1 gram naar 18 gram per 100 gram.
Hiermee steeg het gemiddeld gehalte gunstige onverzadigde vetzuren in halfvloeibare
frituurvetten aanzienlijk naar 74 gram per 100 gram product.
In vaste frituurvetten daalde het
transvetzuurgehalte ook drastisch met gemiddeld 14 gram per 100 gram product, waarmee de
gemiddelde totale hoeveelheid transvetzuren op 20 gram per 100 gram komt. Het totale
gehalte aan verzadigde vetzuren nam toe tot een gemiddelde van 46 gram per 100 gram.
Ondanks dat de som van verzadigde vetzuren en transvetzuren in vast frituurvetten
onveranderd bleef concluderen de onderzoekers dat de vetzuursamenstelling iets minder
ongunstig is dan in de jaren negentig, doordat transvetzuren deels zijn vervangen door
verzadigde vetzuren.
Bakkerijmargarines die vooral worden
gebruikt voor de ambachtelijke markt lijken in de afgelopen 8 jaar qua
vetzuursamenstelling niet wezenlijk te zijn verbeterd. In vergelijking tot de
vetzuursamenstelling die in 1996 werd gemeten werd geen verschil aangetroffen. Gemiddeld
bleken bakkerijmargarines nog 10 gram transvetzuren en 34 gram verzadigde vetzuren per 100
gram product te bevatten. Bakkerijmargarines voor industrieel gebruik zijn in het
onderzoek buiten beschouwing gelaten.
De onderzoekers concluderen dat zowel
door de overstap van vast naar (half)vloeibaar frituurvet als door het verbeteren van de
vetzuursamenstelling bakkerijmargarines nog veel gezondheidswinst is te behalen.
Europees parlement stemt in met
voorstel voor toevoegen
van vitaminen en mineralen
Het Europees Parlement heeft vorige week
ingestemd met het voorstel voor een verordening voor het toevoegen van vitaminen en
mineralen aan voedingsmiddelen. Met instemming van het voorstel zal de verordening gaan
voorzien in een positieve lijst van meer dan 100 vitamines, mineralen, vitaminepreparaten
en minerale zouten die aan levensmiddelen toegevoegd mogen worden.
Het voorstel zal zowel een positieve als
een negatieve lijst met stoffen bevatten die respectievelijk wel en niet mogen worden
toegevoegd. Van alle stoffen worden tevens minimum- en maximumgehaltes vermeld. Wanneer
men een dergelijke stof toevoegt aan een levensmiddel wordt een uitgebreide
voedingswaarde-etikettering verplicht (90/496/EC artikel 4, lid 1, groep 2). Het Europees
Parlement heeft toegevoegd dat ook de aanbevolen dagelijkse portie van het product moet
worden vermeld, inclusief een waarschuwing deze aanbevolen dagelijkse portie niet te
overschrijden.
Het Parlement heeft bepaald dat de
Europese Commissie de toelaatbaarheid beslist van toevoeging van een vitamine, mineraal of
andere stof in een product, wanneer de toevoeging van deze stof tot een te grote opname
kan leiden. Indien blijkt dat een bepaalde stof gevaarlijk is of risico's met zich
meebrengt, dan dient de toevoeging ervan te worden verboden of slechts onder bepaalde
voorwaarden te worden toegestaan. Wanneer sprake is van afwijkende bepalingen dient een
lidstaat dit te melden bij de Europese Commissie. Nationale voorschriften die gelden voor
de toevoeging van nutriënten, die zijn ingegeven door volksgezondheidsoverwegingen op
nationaal of regionaal niveau, worden in principe onverlet gelaten.
Betreffende de overgangstermijn tot
inwerkingtreding van de verordening heeft het Parlement aangegeven deze te willen
verkorten tot een termijn van drie jaar i.p.v. de door de Commissie voorgestelde zeven
jaar. Tijdens deze overgangsperiode kunnen de verschillende lidstaten eventuele nationale
beperkingen of verboden blijven toepassen op de handel in levensmiddelen waaraan vitaminen
en mineralen zijn toegevoegd, tenzij er een negatief advies is uitgebracht door de
Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA). Om een efficiënt toezicht op verrijkte
levensmiddelen te kunnen houden kunnen lidstaten eisen dat fabrikanten (of andere
verantwoordelijke voor het in de handel brengen van het product) de daarvoor bevoegde
instantie in kennis stelt. De lidstaten stellen deze informatie ter beschikking aan de
Commissie die deze informatie openbaar toegankelijk maakt.
Opmerking:
Uit dit besluit blijkt maar weer eens hoe
Europa omgaat met onze gezondheid. De voedingsindustrie kan nog meer aan haar produkten
sleutelen en volstoppen met synthetische rommel. Moet deze club de consumenten belangen
verdedigen?
Nieuw vaccin tegen gordelroos
Nieuw vaccin vermindert incidentie, ernst
en duur van pijn door gordelroos
Uit het gepubliceerde onderzoek in The
New England Journal of Medicine blijkt het vaccin ook de incidentie van gordelroos zelf en
van postherpetische zenuwpijn te verminderen
ZOSTAVAX(tm) (zostervaccin, levend virus
[Oka/Merck]), een vaccin tegen gordelroos dat momenteel wordt ontwikkeld door Sanofi
Pasteur MSD / Merck & Co., Inc., vermindert de totale hoeveelheid pijn en ongemak bij
gordelroos met 61 procent volgens een nieuw onderzoek dat het vaccin heeft vergeleken met
een placebo bij ruim 38.500 mannen en vrouwen van 60 jaar en ouder. In het onderzoek
verlaagde ZOSTAVAX bovendien de incidentie van hardnekkige zenuwpijn -- de meest
voorkomende complicatie van gordelroos, die postherpetische neuralgie (PHN) wordt genoemd
-- met 67 procent en de incidentie van gordelroos met 51 procent.
'We zijn dolblij dat de uitkomsten van
het onderzoek dat in The New England Journal of Medicine is gepubliceerd voldoen aan of
zelfs uitstijgen boven de vooraf vastgestelde succescriteria', aldus Michael N. Oxman,
M.D, specialist in infectieziekten, werkzaam bij het San Diego VA Healthcare System en de
universiteit van Californië in San Diego, alsmede onderzoeksleider en hoofdauteur van het
artikel. 'Gordelroos is een veel voorkomende, vaak pijnlijke aandoening die plotseling kan
ontstaan bij iedereen die ooit waterpokken heeft gehad. Mensen die last krijgen van de
meest gebruikelijke complicatie van gordelroos, te weten PHN, kunnen weken, maanden of
zelfs jaren pijn houden. Zelfs de aanraking van een hemd tegen het aangedane gebied kan
voor iemand met PHN bijzonder pijnlijk zijn.'
De Phase III Shingles Prevention Study
die in The New England Journal of Medicine van 2 juni staat gepubliceerd, omvatte een ruim
vijf jaar durend onderzoek in 22 onderzoekscentra verspreid over de hele Verenigde Staten
naar de preventie van gordelroos door het Department of Veterans Affairs (VA) in
samenwerking met het National Institute of Allergy and Infectious Diseases (NIAID), een
deel van de National Institutes of Health (NIH) en Merck.
Onderzoeksresultaten: Afname pijnklachten
en incidentie van zowel PHN als gordelroos
Het onderzoek toont de werkzaamheid van
ZOSTAVAX(tm) in vergelijking met placebo aan met betrekking tot alle gemeten eindpunten:
ZOSTAVAX(tm) zorgde voor een significante
vermindering van 61,1 procent (p kleiner dan 0,001) van de incidentie, ernst en duur
(Burden of Illness - BOI) van de pijn en het ongemak in relatie tot gordelroos; de
BOI-score bedroeg 2,21 voor de vaccingroep (N=19.254) in vergelijking met een score van
5,68 bij de placebogroep (N=19.247);
ZOSTAVAX(tm) zorgde voor een significante
verlaging met tweederde (66,5 procent) (p kleiner dan 0,001) van de incidentie van
hardnekkige zenuwpijn na gordelroos (PHN); in de vaccingroep was er sprake van 27
PHN-gevallen (N=19.254) in vergelijking met 80 gevallen bij de placebogroep (N=19.247);
ZOSTAVAX(tm) zorgde voor een significante
afname van het totale aantal gevallen van gordelroos met 51,3 procent (p kleiner dan
0,001); in de vaccingroep was er sprake van 315 gevallen van gordelroos (N=19.254) in
vergelijking met 642 gevallen in de placebogroep (N=19.247).
'Het in dit onderzoek onderzochte vaccin
ZOSTAVAX(tm) zorgde voor een significante vermindering van de pijnklachten bij gordelroos
en een significante afname van het aantal gevallen van PHN. Het onderzochte vaccin
verlaagde ook het aantal gevallen van gordelroos op zich' aldus Jeffrey L. Silber, M.D.,
senior director Biologics and Vaccines Clinical Research bij Merck Research Laboratories,
leider van het researchteam van Merck voor het onderzoek en medeauteur van het artikel.
'Het onderzochte vaccin bleek werkzaam voor deze eindpunten, ongeacht geslacht, leeftijd
of andere demografische aspecten van de deelnemers.'
Over gordelroos
Gordelroos wordt veroorzaakt door de
reactivering van het latent aanwezige varicella-zostervirus, dat ook verantwoordelijk is
voor waterpokken. Gordelroos kan zich in eerste instantie manifesteren als een tinteling,
jeuk of pijn aan één kant van het lichaam of het gezicht. Vervolgens ontwikkelt de
aandoening zich tot een uitslag met blaasvorming die in vrijwel alle gevallen gepaard gaat
met pijn die qua intensiteit en duur kan variëren.
Gordelroos kan complicaties meebrengen, waaronder een hardnekkige zenuwpijn (PHN)
naderhand. PHN kan maanden of zelfs jaren aanhouden en uiteenlopen van een licht branderig
gevoel tot een kloppende, stekende pijn.
Iedereen die waterpokken heeft gehad -- en dat is in Nederland meer dan 95 procent van de
bevolking -- kan gordelroos krijgen. De aandoening komt vooral voor bij ouderen. In In
Nederland melden zich alleen al 55.000 mensen per jaar bij de huisarts met klachten over
gordelroos. Dit betekent dat het aantal gevallen gordelroos ruimschoots de 55.000
overtreft. Het aantal gevallen van gordelroos zal naar verwachting toenemen door de
vergrijzing.
Het is zelfs zo dat naar schatting de helft van alle mensen die de leeftijd van 85 jaar
bereiken op enig moment in hun leven gordelroos zal hebben gehad. Circa 25 tot 50 procent
van de gordelroospatiënten boven de 50 jaar heeft achteraf last van hardnekkige,
langdurige pijn (PHN).
Bevindingen op veiligheidsgebied
Het aantal ernstige bijwerkingen,
systemische bijwerkingen en ziekenhuisopnames lag laag in het onderzoek. Tijdens de
veiligheidsanalyses die gedurende de eerste 42 dagen na vaccinatie werden uitgevoerd,
kwamen het aantal en de soorten ernstige bijwerkingen van de vaccingroep (N=255/19.270)
overeen met die van de placebogroep (N=254/19.276). Ook de verdeling van de ernstige
bijwerkingen over de orgaansystemen was bij beide groepen gelijk. Slechts vijf deelnemers
hadden last van ernstige bijwerkingen die volgens de onderzoekers mogelijk verband hielden
met het vaccin. Het betrof twee personen in de vaccingroep (verergering van astma en
reumatische polymyalgie) en drie personen uit de placebogroep (anafylactoïde reactie,
rheumatische polymyalgie en syndroom van Goodpasture). In genoemde periode kwam
varicella-achtige (waterpokken) uitslag op de injectieplaats vaker voor bij de vaccingroep
(N=20/19.270) dan bij de placebogroep (N=7/19.276). Op andere plekken kwam dit soort
uitslag bij de vaccingroep echter net zo vaak voor (N=18/19.270) als bij de placebogroep
(N=14/19.276).
Bij een substudie naar bijwerkingen, die ruim 6600 deelnemers omvatte van alle 22
onderzoekscentra, hadden meer mensen uit de vaccingroep (N=1929/3345) één of meer
bijwerkingen dan uit de placebogroep (N=1117/3271), wat een hogere frequentie weergeeft
van bijwerkingen op de injectieplaats bij de vaccingroep. De bijwerkingen op de
injectieplaats die het meest werden vastgesteld bij de personen uit de vaccingroep waren
erytheem (roodheid) (N=1188/3345 oftewel 35,8 procent, in vergelijking met N=227/3271
oftewel 7,0 procent bij placebo); pijn of gevoeligheid (N=1147/3345 oftewel 34,5 procent,
in vergelijking met N=278/3271 oftewel 8,5 procent bij placebo); zwelling (N=871/3345
oftewel 26,2 procent, in vergelijking met N=147/3271 oftewel 4,5 procent bij placebo); en
pruritus (jeuk) (N=237/3345 oftewel 7,1 procent, in vergelijking met N=33/3271 oftewel 1,0
procent bij placebo). De reacties op de injectieplaats waren over het algemeen licht van
aard. Bij minder dan 2 procent van de personen in de vaccingroep werden er andere
bijwerkingen op de injectieplaats vastgesteld.
In de substudie hadden significant meer mensen uit de vaccingroep last van ernstige
bijwerkingen (N=64/3345 oftewel 1,9 procent) dan uit de placebogroep (N=41/3271 oftewel
1,3 procent; p=0,03); er was geen sprake van significante verschillen in de verdeling van
de ernstige bijwerkingen over de lichaamssystemen of van de bijwerkingen op zich. Uit een
analyse van de ernstige bijwerkingen per deelnemer kwam geen klinisch relevant verschil
naar voren tussen de vaccingroep en de placebogroep in de pathofysiologie, de aard, het
tijdstip, de intensiteit of de gevolgen van de bijwerkingen.
Over de Shingles Prevention Study
Alle deelnemers werden tussen november
1998 en september 2001 opgenomen in het onderzoek naar de preventie van gordelroos. De
follow-up werd in april 2004 afgerond. De deelnemers hadden allemaal ooit varicella
(waterpokken) gehad of ze hadden ten minste 30 jaar op het vasteland van de Verenigde
Staten gewoond. Ruim 95 procent van de deelnemers werd tot aan de voltooiing van het
onderzoek actief gevolgd. Een onafhankelijke commissie voor de bewaking van de gegevens en
veiligheid heeft de veiligheidsinformatie en tussentijdse uitkomsten van het onderzoek
geëvalueerd.
De opzet van het onderzoek
Het gerandomiseerde, dubbelblinde,
placebo-gecontroleerde onderzoek werd uitgevoerd om vast te stellen of vaccinatie met een
enkelvoudige dosis van het te onderzoeken vaccin met verzwakt, levend virus, te weten
ZOSTAVAX(tm), het aantal gevallen en/of de ernst van gordelroos en hardnekkige zenuwpijn
(PHN) vermindert bij mannen en vrouwen van 60 jaar en ouder die nog nooit gordelroos
hebben gehad. De deelnemers aan het onderzoek werden willekeurig ingedeeld bij een groep
die ofwel ZOSTAVAX(tm) (N=19.270) ofwel een placebo (N=19.276) toegediend kreeg en
vervolgens gedurende gemiddeld 3,1 jaar gevolgd om te zien of er zich gordelroos
ontwikkelde. Als er een vermoeden van gordelroos bestond, werden er een PCR-test
(polymerase chain reaction) en een viruskweek gedaan en werd de persoon in kwestie
klinisch onderzocht door een evaluatiecommissie bestaande uit vijf artsen gespecialiseerd
in gordelroos. Alle deelnemers bij wie gordelroos klinisch werd vastgesteld kregen, indien
geïndiceerd, een antiviraal middel (famciclovir) alsmede de gebruikelijke behandeling
tegen de pijn aangeboden.
Het belangrijkste eindpunt van het onderzoek betrof de pijnklachten (Burden of Illness -
BOI) die de gordelroos veroorzaakt gedurende de eerste zes maanden nadat de gordelroos
zich in de vorm van uitslag manifesteert. Deze factor wordt beïnvloed door de incidentie
van pijn en onbehagen dat gerelateerd is aan gordelroos. De ernst van de pijn werd
beoordeeld volgens een 'ergste pijn' score op een schaal van 0 tot en met 10 aan de hand
van een gevalideerde vragenlijst (de Zoster Brief Pain Inventory) waarbij de 0 staat voor
geen pijn en de 10 voor de ergst voorstelbare pijn. De deelnemers aan het onderzoek bij
wie zich geen gordelroos voordeed kregen een 0-score toegekend. De BOI-score gaf de
gemiddelde ernst weer van de aandoening onder alle deelnemers in de vaccin- of
placebogroep.
Tijdens het onderzoek werd ook het aantal gevallen van hardnekkige, langdurige zenuwpijn
na gordelroos (PHN) geëvalueerd bij de groep die ZOSTAVAX(tm) had ontvangen in
vergelijking met de placebogroep. PHN werd gedefinieerd als pijn in relatie met gordelroos
(aan de hand van de Zoster Brief Pain Inventory gewaardeerd als groter/gelijk dan 3 op een
schaal van 0 tot en met 10) die meer dan 90 dagen na het ontstaan van de uitslag door
gordelroos aanhield of ontstond. Tevens werd in het onderzoek het aantal gevallen van
gordelroos in de groep die met ZOSTAVAX was gevaccineerd geëvalueerd in vergelijking met
de placebogroep.
Over ZOSTAVAX(tm)
Merck heeft op 25 april 2005 in de
Verenigde Staten voor ZOSTAVAX(tm) een aanvraag voor registratie (Biologics License
Application) ingediend. De Food and Drug Administration (FDA) bepaalt binnen 60 dagen na
die datum of de aanvraag van Merck als zodanig in behandeling wordt genomen.
Sanofi Pasteur MSD heeft op 27 mei 2005 voor ZOSTAVAX(tm) een aanvraag voor registratie
ingediend bij de Europese registratie authoriteit EMEA.
Over Sanofi Pasteur MSD
Sanofi Pasteur MSD is een joint venture
van Sanofi Pasteur, de vaccindivisie van sanofi-aventis, en Merck & Co. Inc. Sanofi
Pasteur MSD is het enige bedrijf in Europa dat zich uitsluitend op vaccins richt, waarbij
innovatie en expertise worden gecombineerd. Sanofi Pasteur MSD is in staat de
onderzoeksexpertise van Sanofi Pasteur en Merck & Co. Inc., samen met hun teams over
de hele wereld, in te zetten voor de ontwikkeling van nieuwe vaccins voor Europa, met als
doel de bescherming tegen andere ziekten uit te breiden en bestaande vaccins te
perfectioneren voor een betere acceptatie, werkzaamheid en verdraagbaarheid van
vaccinatie.
Ziekte van Lyme
Maar liefst gemiddeld 30 procent van de
teken in Europa is drager van de bacterie borrelia burgdorferi die verantwoordelijk is
voor de sterk oprukkende ziekte van Lyme. Mogelijke oorzaken zijn een combinatie van
klimaatverandering, ander natuurbeheer en het verbod op insecticiden. Muizen, reeën,
vogels en knaagdieren zijn de transporteurs voor de teken. In België en Nederland raken -
naar een voorzichtige schatting - vele tienduizenden mensen per jaar geïnfecteerd. Ook
huisdieren worden meer en meer het slachtoffer.
Foute diagnoses:
Een groot probleem is de diagnose van de
ziekte van Lyme.
Wanneer er geen sprake is van een rode kring op de huid, worden er bloedproeven genomen om
antistoffen aan te tonen. Geen van de serologische testen is perfect. De diagnose op basis
hiervan is in ongeveer 50 procent van de gevallen niet juist. Op grond van foute diagnoses
worden veel onnodige onderzoeken op andere ziekten met vergelijkbare symptomen gedaan
gepaard gaande met niet relevante behandelingen. De gevolgen voor de patiënt zijn van
onderzoek naar onderzoek, van ziekenhuis naar ziekenhuis, van de ene specialist naar de
andere, terwijl de ziekte van Lyme genadeloos toeslaat en hij/zij alsmaar zieker wordt en
moeilijker te genezen valt. Het lijkt meer regel dan uitzondering te zijn.
Meten is weten :
Dagelijks geconfronteerd met wanhopige
patiënten die aan bed gekluisterd zijn, zich op krukken of in rolstoelen voortbewegen en
arbeidsongeschikt dreigen te worden, hebben de importeur en de fabrikant van de bekende
TRIX lassopincet (de veilige tekenverwijderaar met de lus) het initiatief genomen
rechtstreeks onderzoek op de teek sterk te bevorderen.
Tekentest , snel en eigentijds :
In nauwe samenwerking met het in
genetisch onderzoek gespecialiseerde Zweedse laboratorium VITADIX (www.vitadix.com) is een
accurate, razendsnelle, maar ook betaalbare DNA test ontwikkeld. Grote hoeveelheden teken
kunnen nu in een zéér kort tijdsbestek geanalyseerd worden op de aanwezigheid van de
bacterie Borrelia Burgdorferi. De analyse-test is, zonder tussenkomst van medici, voor een
ieder beschikbaar. De uitslag laat niet lang op zich wachten en kan snel op internet
bekeken kan worden.
Via artsen en specialisten:
Bent u gebeten door een besmette teek dan
is de kans groot dat u geïnfecteerd bent, ook al vertoont u (nog) geen symptomen. De Tick
Infection Check methode stelt artsen en specialisten nu beter in staat te diagnosticeren,
de waarschijnlijkheid van een besmetting te bepalen en in zo'n geval veel sneller een
gericht behandelplan op te stellen.
In bos,duin en hei:
De test biedt overheden en anderen de
mogelijkheid om zéér snel en op ieder gewenst moment de populatie en de graad van
besmetting in een bepaald gebied in kaart te brengen. Zeker voor recreanten zoals
kampeerders, wandelaars, buitensporters en natuurliefhebbers is het zeer nuttig om te
weten waar en wanneer verhoogd risico gelopen wordt.
Verkrijgbaarheid:
In de verpakking van de Trix tekenlasso -
verkrijgbaar bij onder meer drogisterijen, apotheken, huis- en dierenartsen, als ook
dierenspeciaalzaken en buitensportwinkels, zit een opdrachtformulier met een uniek
identificatie/opdrachtnummer en een speciaal buisje waarin één of meerdere teken kunnen
worden gedaan. Het is alleen nog maar een kwestie van op de post doen en na enkele dagen
zelf het resultaat via internet binnenhalen. Ook kan het opdrachtformulier via Internet
gedownload worden.
Kosten: De kosten van het
laboratoriumonderzoek - dat u ook door uw arts kunt laten aanvragen - zijn euro 38,--
Contractprijzen op aanvraag.
Informatie: Coda producten B.V. tel. 0548-520200 fax 0548 - 54 57 57 Email:
info@codaproducts.com Web: www.trix-tekenremover.nl of www.codaproducts.com
Jong dement? Niet bekend
Dat dementie een aandoening is die niet
alleen voorkomt bij oude mensen, is niet algemeen bekend. Daarom duurt het vaak jaren
voordat bij jonge mensen met dementie de diagnose gesteld wordt. Ook daarna blijven
patiënten en familie met veel vragen zitten. Door de jonge leeftijd vallen zij tussen wal
en schip. De problemen zijn groot, maar de hulpverlening is er niet op ingesteld.
Mijn moeder is 56 jaar en ik vind
haar de laatste tijd veranderd. Volgens de huisarts is ze overspannen en hij geeft haar
kalmerende pilletjes. Zelf zit ze nergens mee, zegt ze. Soms weet ze heel gewone dingen
niet meer, zoals hoe je koffie zet of de wasmachine bedient. Dit soort e-mail komt
wekelijks binnen bij de Stichting Alzheimer Nederland.
Herkent u dit? Er is een kans dat het om
een dementie gaat. Omdat de ziekte op jonge leeftijd niet vaak voorkomt, denken artsen
vaak eerst aan een burn-out, depressie of relatieproblemen. Vaak is het de familie die als
eerste doorheeft dat er meer aan de hand is.
De diagnose is vaak een opluchting, zowel
voor de persoon die dement wordt, als voor de familie. Het verklaart het vreemde gedrag,
er kan een naam aan gegeven worden. De vragen worden er niet minder om; Wat zal er met me
gebeuren? Hoe ga ik er mee om?
Ook de partner heeft behoefte aan hulp.
Sinds hij thuis zit, loopt hij me de hele dag achterna. Ik probeer mezelf voor te
houden dat hij er niks aan kan doen, dat het de ziekte is, maar soms is het wel moeilijk
om vriendelijk te blijven. Vaak helpt het om hier met andere partners over te
praten.
Deze vragen en de mogelijke antwoorden en
ervaringen van lotgenoten komen aan de orde tijdens het eerste landelijke congres voor
jong dementerenden en hun familieleden.
Kijk op www.alzheimer-nederland.nl voor
meer informatie en een aanmeldings formulier.
Gebruik van antibiotica laagste
in Europa
Wel bedenkelijke ontwikkelingen
waarneembaar in resistentie
Het gebruik van antibiotica in de
eerstelijns gezondheidszorg in Nederland is stabiel laag: het ligt rond 10 DDD
(gestandaardiseerde dagdoseringen) per 1.000 inwoners. Dat betekent dat gemiddeld 1
procent van de Nederlandse bevolking een antibioticum gebruikt. Nederland heeft daarmee
het laagste gebruik buiten het ziekenhuis van alle Europese landen. Toch is er ook in
Nederland een toename van de resistentie van bepaalde bacteriën tegen een aantal
antibiotica.
Dat blijkt uit NethMap 2005, het derde
jaarrapport dat de Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid (SWAB) publiceert in
samenwerking met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Dit rapport
geeft informatie over het gebruik van antibiotica in Nederland en antibioticaresistentie
bij de meest voorkomende bacteriesoorten die bij de mens ziekte kunnen veroorzaken. Het
rapport wordt vrijdag 3 juni 2005 gepresenteerd tijdens het 6e SWAB-symposium in Utrecht.
Geslacht en leeftijd
In het rapport wordt voor het eerst gekeken naar verschillen in
antibioticagebruik tussen vrouwen en mannen en tussen verschillende leeftijdsgroepen. Het
blijkt dat vrouwen vaker antibiotica gebruiken dan mannen. Dat verschil is terug te voeren
op het veel hogere gebruik van trimethoprim en nitrofurantoïne door vrouwen.
Waarschijnlijk komt dat door het feit dat vrouwen vaker last hebben van een
ongecompliceerde lage urineweginfectie, waarvoor deze middelen worden voorgeschreven. Op
latere leeftijd gebruiken mannen meer fluorochinolonen, mogelijk doordat bij oudere mannen
vaker een gecompliceerde urineweginfectie voorkomt.
Ook verschillen in voorschrijfgedrag tussen huisartsen en medisch specialisten komen in
het jaarrapport aan de orde. Medisch specialisten schrijven hun ambulante patiënten vaker
een breed spectrummiddel voor dan huisartsen, zoals co-amoxiclav, fluorochinolonen of
cotrimoxazol. Het is niet precies bekend voor welke indicaties dat gebeurt. Verder
signaleert het rapport trends in antibioticumgebruik. Zo neemt het gebruik van
beta-lactamase gevoelige penicilline en van breed spectrum penicilline langzaam af,
terwijl het gebruik van de combinatie co-amoxiclav en van antibiotica uit de groep
macroliden toeneemt.
Resistentie
Op het gebied van antibioticumresistentie signaleert het rapport een aantal
bedenkelijke ontwikkelingen. Zo is in de huisartsenpraktijk de resistentie van E. coli
voor amoxicilline (gebruikt tegen onder meer urineweginfectie, luchtweginfectie,
longontsteking, acute bronchitis, middenoorontsteking en huidinfectie) gestegen tot meer
dan 30 procent (was in voorgaande jaren circa 20 procent). De resistentie van E. coli
tegen trimethoprim is in heel Nederland gestegen en heeft een niveau van 23 procent
bereikt. Trimethoprim is een van de middelen van eerste keuze bij de behandeling van een
ongecompliceerde urineweginfectie. De resistentie tegen andere middelen (nitrofurantoïne
en co-amoxiclav) blijft gelukkig laag.
In de Nederlandse ziekenhuizen is de resistentie redelijk stabiel, maar er zijn wel trends
waar te nemen. Zo stijgt de resistentie tegen fluorochinolonen (met name gebruikt tegen
urineweginfecties) onder isolaten van E. coli, Pseudomonas aeruginosa en Staphylococcus
aureus. Vóór de eeuwwisseling lag die nog op 5 procent, inmiddels worden niveaus van 10
procent waargenomen. Verder stijgt de resistentie tegen macrolide antibiotica onder
isolaten van S. aureus en Streptococcus pneumoniae naar 10 procent. De bruikbaarheid van
deze middelen wordt daarmee beduidend minder. De resistentie tegen de middelen van eerste
keuze tegen deze bacteriën (resp. meticilline en penicilline) is nog steeds laag: 1 tot 3
procent. Maar voortdurende waakzaamheid en controle blijven belangrijk.
De Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid
(SWAB) is in 1996 opgericht op initiatief van de Vereniging voor Infectieziekten, de
Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie en de Nederlandse Vereniging voor
Ziekenhuisapothekers. De SWAB wil de kwaliteit van het antibioticagebruik in Nederland
optimaliseren, om een bijdrage te leveren aan de beheersing van resistentie-ontwikkeling
en aan de kosten van antibioticumgebruik.
Het RIVM (Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu) is het onderzoeksinstituut van de overheid op het gebied van
volksgezondheid en milieu. Het RIVM verricht niet alleen zelf onderzoek, maar verzamelt
ook wereldwijd kennis en past die kennis toe. Het RIVM brengt jaarlijks een groot aantal
rapporten en adviezen uit. Bij het RIVM, dat gevestigd is in Bilthoven, werken ongeveer
1550 mensen. Het RIVM heeft de leiding over het European Antimicrobial Resistance
Surveillance System (EARSS), een onderzoek in 30 landen naar de effectiviteit van
antibiotica bij ernstige infecties.
Het 6e SWAB-symposium vindt plaats op 3
juni a.s. in Grand Hotel Karel V in Utrecht, van 10.00 tot 16.00 uur. Meer informatie:
www.swab.nl
Terug naar het hoofdmenu