Kool maakt na snijden extra
gezondheidsstoffen
Kool 'denkt' dat mes insect is
Het industriële snijden van koolsoorten
als broccoli, spruitjes, witte en rodekool tot panklare producten blijkt de aanmaak van
gezondheidsbeschermende stoffen in deze groenten te bevorderen. Onderzoekers van
Wageningen Universiteit constateren dat de gehaltes van sommige zgn. glucosinolaten één
of twee dagen na het snijden aanzienlijk zijn toegenomen.
Na het snijden tot reepjes van enkele
millimeters dik of tot kleine roosjes, zoals bij broccoli, blijven de gehaltes aan de
glucosinolaten aanvankelijk veelal gelijk. Maar deze nemen na een dag sterk toe, zo
stellen de levensmiddelentechnologen Ruud Verkerk en Matthijs Dekker van Wageningen
Universiteit vast. Na twee dagen is bij sommige koolsoorten de aanvankelijke hoeveelheid
glucosinolaten verdubbeld en voor sommige glucosinolaten zelfs vertienvoudigd. Matthijs
Dekker: "We vermoeden dat het snijden van de groente voor de plant lijkt op
insectenvraat. Hierdoor gaat de plant, net als in de natuur, extra glucosinolaten aanmaken
voor bescherming van zichzelf". Uit onderzoek naar glucosinolaten blijkt ook dat de
verschillende koolrassen en soorten in ongesneden vorm een variatie van meer dan
honderdvoud in de gehaltes glucosinolaten laten zien.
Glucosinolaten zijn een verzamelnaam voor
zwavelhoudende stoffen in planten van de familie van de kruisbloemigen. De stoffen hebben
bij proefdieren laten zien dat ze aanzienlijke bescherming kunnen bieden tegen het
ontstaan van kanker Bij humane studies is aangetoond dat deze stoffen het natuurlijke
ontgiftingssysteem van het lichaam kunnen versterken, wat ook voor de mens een zekere mate
van bescherming kan bieden tegen ouderdomsziekten. Maar er zijn ook nog andere
werkingsmechanismen gepubliceerd waarlangs deze bescherming mogelijk plaatsvindt.
De industriële verwerking van groente
kan bestaan uit milde behandelingen zoals het wassen, snijden en verpakken van de groente.
Snijden van kool heeft dus een gunstig effect op de gehaltes glucosinolaten. De meeste
industriële processen waarbij hitte wordt gebruikt geven echter verliezen van
glucosinolaten. Bij conserveren tot groente in blik en pot blijkt het grootste gedeelte
van deze stoffen afgebroken te worden. Bij mildere verhittingsstappen zoals blancheren
voordat de groente ingevroren wordt, blijft het grootste deel van de glucosinolaten wel
intact.
Ook de consument thuis bepaalt hoeveel
van de gezonde stofjes er uiteindelijk in het voedsel op het bord terechtkomen. Bij koken
kunnen de stoffen voor een groot deel uitlekken in het kookvocht. Lang koken met veel
water geeft dan ook de meeste verliezen. Kort koken of koken in de magnetron zonder of met
weinig water geeft het beste behoud", zeggen de onderzoekers.
Naast de bekende vitaminen, mineralen en
vezels in groente en fruit zijn er nog vele andere stoffen waarvan aangenomen wordt dat ze
een beschermend effect hebben op de menselijke gezondheid. Veel van dergelijke bio-actieve
stoffen zoals flavonoïden, carotenoïden en glucosinolaten worden momenteel onderzocht.
Hoewel er vele componenten zijn die in het laboratorium en bij proefdieren interessante
resultaten laten zien, is bij mensen nog niet onomstotelijk vastgesteld welke componenten
nu het meeste effect hebben bij het verkleinen van de kans op ouderdomsziekten als kanker
en hart- en vaatziekten.
De kwaliteit van groente en fruit zoals
we die in de winkel aantreffen is vooral gericht op een lange houdbaarheid, een mooi
uiterlijk en een goede smaak. "Bij de supermarkt of groenteboer kan de consument wel
kiezen welk ras appels of peren men koopt, maar bij de aankoop van groente heeft men deze
keuzemogelijkheid niet", aldus Dekker.
Het ontwikkelen van nieuwe groenterassen
en nieuwe producten met een betrouwbaar en optimaal gehalte aan gezondheidsbeschermende
stoffen kan een belangrijke bijdrage leveren aan zowel het onderzoek naar de
gezondheidseffecten als aan de gezondheid van de consument. Hierbij is het wel belangrijk
dat de consument ook goede informatie krijgt over de optimale bereidingswijze van de
producten. Ook betrouwbare informatie over de gezondheidsbeschermende werking is
essentieel om de consumenten te beschermen tegen al te hoge verwachtingen, zo waarschuwen
de Wageningse onderzoekers. "Het blijven kansen op ernstige ziekten, die weliswaar
behoorlijk kleiner te maken zijn met goede voeding, maar een volledige bescherming zal
niet haalbaar zijn."
Universiteit Leiden zoekt
kinderen voor hersenonderzoek
Eveline Crone start in augustus aan de
Universiteit Leiden een onderzoek naar hoe hersenen zich ontwikkelen bij opgroeiende
kinderen. Ze zoekt 200 kinderen tussen 8 en 18 jaar uit Leiden en omgeving die haar
hierbij willen helpen.
Eveline Crone
Eveline Crone Eveline Crone is psychologe en ze is vooral geïnteresseerd in het voorste
deel van de hersenen. Daar worden allerlei denktaken, maar ook de emoties geregeld. Tot nu
toe heeft nog niemand in kaart gebracht hoe dit gebied zich bij opgroeiende kinderen
ontwikkelt. Crone vermoedt dat het emotionele deel ervan pas vrij laat volgroeid is. Dit
deel verwerkt signalen die het lichaam afgeeft bij risicovolle beslissingen, dat zijn
beslissingen die stress veroorzaken, bijvoorbeeld als kinderen moeten kiezen tussen één
koekje nu of drie koekjes morgen.
Signalen die worden opgeroepen door zulke beslissingen zijn bijvoorbeeld een vertraagde
hartslag, zweten en een snellere ademhaling. Kinderen voelen deze signalen wel, maar ze
laten ze geen rol spelen bij de keuze die ze maken . Ze zijn daardoor eerder geneigd om
keuzes te maken die ongunstig zijn voor de lange termijn. Ze gaan bijvoorbeeld roken omdat
ze daarmee scoren bij hun vrienden. Voor de gevolgen op lange termijn een
nicotineverslaving - zijn ze blind.
'Ik wil er alles aan doen om het
onderzoek voor de kinderen zo leuk en leerzaam mogelijk te maken, vertelt Eveline Crone.
Ik maak een website waarop ze van tevoren al kunnen zien wat we precies gaan doen. En na
afloop krijgen ze een foto van hun eigen hersenen mee. De kinderen moeten taakjes
uitvoeren op de computer. Ze krijgen bijvoorbeeld getallen te zien en moeten raden of het
volgende getal hoger of lager is. Tijdens het onderzoek liggen ze met hun hoofd in een
hersenscanner, zodat de onderzoekers kunnen zien
Onderzoek
Crone en Amerikaanse collegas geven
kinderen uitleg over hun onderzoek
welke delen van hun hersenen bij een bepaalde taak in actie komen. Tegelijkertijd worden
hun hartslag, hun ademhaling en hun zweetproductie gemeten.
Al die apparaten zijn best spannend voor
ze en daarom bouwen we een soort oefenscanner, vertelt de onderzoekster. Deze ziet er
precies hetzelfde uit als de echte scanner, alleen werkt hij niet echt. De kinderen mogen
ermee spelen, zodat ze kunnen wennen aan de bewegingen en geluiden die het apparaat maakt.
In Amerika heb ik op deze manier heel veel onderzoek gedaan en nog nooit ben ik een kind
tegen gekomen dat het niet leuk vond. Om te zien hoe de hersenen zich ontwikkelen, wil
Crone elk kind op drie verschillende leeftijden onderzoeken.
Eveline Crone werkt op dit moment bij het
Center for Mind and Brain in de Verenigde Staten. De wetenschapster heeft in maart een
zogenaamde Veni-subsidie gewonnen. Dat betekent dat ze van NWO (de Nederlandse Organisatie
van Wetenschappelijk Onderzoek) 200.000 euro krijgt om drie jaar lang onderzoek te doen.
Ze kreeg de prijs van NWO, omdat die haar onderzoek belangrijk en vernieuwend vindt. Een
Veni-subsidie is bedoeld voor jonge, veelbelovende onderzoekers die nog niet zo lang
geleden gepromoveerd zijn. Aan de Universiteit Leiden hebben afgelopen voorjaar elf
onderzoekers zon Veni-subsidie gekregen.
Crone zoekt kinderen voor onderzoek
Eveline Crone zoekt voor haar onderzoek
kinderen die geboren zijn tussen 1987 en 1997 en die zich normaal ontwikkelen. Het eerste
onderzoek zal plaatsvinden in 2005-2006. Het is de bedoeling dat de kinderen na 3 tot 4
jaar nog een keer terug komen.
EuSalt: 'Geen sluitend bewijs om
beperking zoutinname te rechtvaardigen'
In een reactie op de mededeling van de
Europese Voedselveiligheid Autoriteit (EFSA) eind juni, houdt de Vereniging van Europese
Zoutproducenten , kortweg EuSalt, vast aan haar standpunt dat de huidige wetenschappelijke
ideeën geen aanleiding vormen om de dagelijkse zoutinname van gezonde mensen te beperken.
In een nieuwe risicobeoordeling is de Europese Voedselveiligheid Autoriteit (EFSA) tot de
conclusie gekomen dat de huidige zoutinname bloeddrukverhogend is, een belangrijke
risicofactor voor hartziekten en vroegtijdig overlijden. EuSalt houdt vast aan de
conclusies van het door haar georganiseerde Internationale Congres dat eerder dit jaar
plaatsvond, namelijk dat de bestaande medische richtlijnen achterhaald zijn en dat de
gezonde bevolking geen baat heeft bij het beperken van de zoutinname.
Wetenschappelijk onderzoek
EuSalt houdt om verschillende redenen
vast aan haar standpunt. Vanuit wetenschappelijk oogpunt verwijst EuSalt naar de Jürgens
& Graudal Study uit 2004 1). In deze meta-analyse wordt al het beschikbare
wetenschappelijk onderzoek vanaf 1966 geanalyseerd, en wordt geconcludeerd dat mensen met
een normale bloeddruk geen baat hebben bij een beperkte zoutinname. Beperkte zoutinname
heeft bij mensen met een verhoogde bloeddruk een positief effect op het verlagen van de
bloeddruk op de korte termijn. Langlopende trials met betrekking tot het effect van een
beperkte natriuminname via voedsel op de bloeddruk, zijn echter noodzakelijk om vast te
stellen of dit een bruikbare behandelstrategie is.
EuSalt verwijst ook naar de Hooper et al
Study 2), waarin wordt gesteld dat, hoewel een zoutarm dieet helpt bij het voorkomen van
een verhoogde bloeddruk na staking van het gebruik van bloeddrukverlagende middelen, een
langdurende lage natriuminname moeilijk vol te houden is. De algehele klinische voordelen
(of nadelen) van een zoutarm dieet zijn onduidelijk; nader onderzoek is dringend nodig om
dit verder te bestuderen.
De He & MacGregor Study 3) laat bij
gezonde mensen die gedurende vier weken hun zoutinname met 4g/dag verlagen ook een
minimale verlaging van de bloeddruk zien.
Verder verwijst EuSalt naar de
Nederlandse Professor Dr. Diederick Grobbee die - ter gelegenheid van het EuSalt Congres -
de resultaten van de Rotterdam Study presenteerde en benadrukte dat er geen reden is om
aan te nemen dat er een causaal verband bestaat tussen zoutinname enerzijds en sterfte en
cardio-vasculaire problemen anderzijds. De resultaten van Grobbees onderzoek worden later
dit jaar gepubliceerd.
Maximale verdraagbare natriuminname
EFSA beweert dat de beschikbare gegevens
niet toereikend zijn om een maximale inname van natrium uit voedingsbronnen vast te
stellen. EuSalt heeft vastgesteld dat er een dringende noodzaak is om betrouwbare
databanken en volgsystemen samen te stellen in alle Europese landen. Om verdere
wetenschappelijke discussies te voeren en politieke besluiten te nemen, is een betrouwbare
basis nodig van gegevens over de zoutinname, veranderingen in de zoutinname en de
uitkomsten op het gebied van de gezondheid en dan vooral met betrekking tot de bloeddruk.
Risico's verbonden aan verlaging
zoutinname
EuSalt is van mening dat de conclusies
van EFSA ten aanzien van een beperkte zoutinname tot nog meer misverstanden over de
natriuminname (zout) kunnen leiden. EuSalt benadrukt het belang van zoutinname voor
zwangere vrouwen, meervoudig zieke oudere patiënten en sporters. Deze groepen hebben hun
zoutinname nodig; een beperkte zoutinname kan een serieus gezondheidsrisico vormen voor
deze mensen.
Het is duidelijk dat zout voor iedereen
een onmisbare voedingsstof is en dat gezonde mensen geen baat hebben bij een beperkte
zoutinname.
Naslagwerken
1) Jürgens G, Graudal NA Effects of low
sodium diet versus high sodium diet on blood pressure, renin, aldosterone,catecholamines,
cholesterols, and triglyceride (Cochrane Review). In: The Cochrane Library, Issue 1, 2004.
Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd.
2) Hooper L, Bartlett C, Davey Smith G,
Ebrahim S - Advice to reduce dietary salt for prevention of cardiovascular disease
(Cochrane Review). In: The Cochrane Library, Issue 1, 2004. Chichester, UK: John Wiley
& Sons, Ltd.
3) He FJ, MacGregor GA. Effect of
longer-term modest salt reduction on blood pressure (Cochrane Review). In: The Cochrane
Library, Issue 3, 2004. Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd.
Grote therapeutische
mogelijkheden voor de moleculen die T-cellen versterken
Het stimuleren van T-cellen tijdens een afweerreactie kan de immuunrespons verbeteren.
Lianne Wassink onderzocht de functie van ICOS-moleculen, die de werking van T-cellen
versterken. Deze moleculen werden in verband gebracht met de afweerreactie van Th2-cellen,
en zouden daarom een goed aangrijpingspunt vormen voor ziekten waarbij dergelijke cellen
een rol spelen, zoals allergieën. ICOS-moleculen blijken echter eveneens betrokken bij
Th1- en regulatoire T-cel afweerreacties. De mogelijkheden voor therapeutische toepassing
zijn dus groter dan gedacht.
Universiteit van Amsterdam
Fysiotherapie weer in het pakket?
Volgens de voorlichtingscampagne over het
nieuwe zorgverzekeringsstelsel, komt fysiotherapie weer in het ziektekostenpakket.
SP-Kamerlid Kant vindt dat 'een heel goed plan van de minister'. 'Uit onderzoek van de SP
onder fysiotherapeuten blijkt dat 11 procent van de patiënten afziet van noodzakelijke
fysiotherapie. In achterstandswijken lig dat aantal zelfs op 14 procent. Sinds
fysiotherapie uit het pakket is kunnen de patiënten de zorg niet meer betalen, of ze zijn
onvoldoende verzekerd,' aldus Kant.
Kant: 'Ik vrees helaas dat minister
Hoogervorst niet ineens tot inkeer is gekomen. Hij zal zich het lot van deze patiënten
niet plotseling aantrekken. Het is een kanjer van een fout in de voorlichting.' Op de
website www.denieuwezorgverzekerering.nl staat fysiotherapie in het overzicht van de
aanspraken uit het basispakket opgesomd.
'Fysiotherapie, oefentherapie, logopedie,
ergotherapie en diëetadvisering. Fysiotherapie of oefentherapie omvat zorg zoals
fysiotherapeuten en oefentherapeuten die bieden. Deze zorg omvat voor de verzekerden van
achttien jaar en ouder de eerste negen behandelingen.'
Kant: 'Was dit maar waar! Blijkbaar is
het allemaal zo ingewikkeld dat het ministerie het zelf ook niet meer begrijpt. Het
ernstige van deze verkeerde voorlichting is dat mensen niet beseffen, dat ze zich hiervoor
moeten bijverzekeren. Het leidt tot nog meer verwarring bij de bevolking, voor wie het
allemaal sowieso al niet te volgen is. Het is onmogelijk om op deze korte termijn een wet
zorgvuldig in te voeren. Je kunt er dan niet ook nog voor zorgen dat iedereen goed wordt
voorgelicht. Dat blijkt wel,' zegt Kant. Het Kamerlid pleit nu voor een jaar uitstel.
De fout op de VWS site:
http://www.denieuwezorgverzekering.nl/Zorgverzekering/nieuwewet/
Volledig+overzicht+Basispakket.htm
Het onderzoek van de SP onder
fysiotherapeuten:
http://www.sp.nl/nieuws/kamernieuws/div/
stop_uitverkoop_fysiotherapie.pdf
Hartproblemen zijn voornaamste
doodsoorzaak bij diabetes
Bron: Universiteit Maastricht
Hartproblemen zijn de voornaamste
doodsoorzaak bij diabetes. Een verstoorde vetzuurhuishouding in het hart draagt mogelijk
bij aan het ontstaan hiervan. Gezonde hartspiercellen halen hun energie voornamelijk uit
het verbranden van vetzuren. FAT/CD36, een vetzuurtransporteiwit, reguleert de
vetzuuropname door hartspiercellen. Dit proefschrift beschrijft hoe de vetzuurhuishouding
tijdens het samentrekken gereguleerd is in het rattenhart. Daarnaast toont het aan dat
tijdens insulineresistentie de FAT/CD36-gemedieerde vetzuuropname door hartspiercellen
toegenomen is. Hierdoor vindt er een nadelige stapeling van vetten in het rattenhart
plaats. Nieuwe therapieën die zich richten op het voorkomen van deze stapeling kunnen
leiden tot een verbetering van de hartfunctie bij diabetes.
Geen immuniteit tegen kinkhoest
Bron: Vrije Universiteit Amsterdam
Promotor: prof.dr. J.J. Roord
Vaccinatie tegen kinkhoest, of het
doormaken van een kinkhoestinfectie, beschermt niet tegen het opnieuw krijgen van
kinkhoest. Dat heeft Florens Versteegh voor het eerst bewezen, bij vier patiënten.
Versteegh ontwikkelde een methode om met één bloedmonster de diagnose kinkhoest te
kunnen stellen. Kinkhoest is een besmettelijke luchtwegziekte, veroorzaakt door de
kinkhoestbacterie, Bordetella pertussis. Een gehalte in het bloed van 100 eenheden per ml
of hoger van immunoglobuline-G tegen pertussis toxine (IgG-PT), bewijst een recente
kinkhoestinfectie, aldus de promovenda. In de loop van de tijd verdwijnen alle
afweerstoffen volledig.
Dit is zo bij alle leeftijdsgroepen, al
lijkt het er op dat bij ouderen een snellere stijging, een hogere piek en een snellere
daling plaatsvindt. Dit kan wijzen op een vorm van immunologisch geheugen. Met het
verdwijnen van de afweerstoffen neemt de gevoeligheid voor een nieuwe kinkhoestinfectie
toe. Versteegh berekende met de 'verdwijncurve' IgG-PT van een doorsnede van de
Nederlandse bevolking, dat jaarlijks ruim zes procent van alle 3- tot 79-jarigen kinkhoest
doormaken. Dit heeft consequenties voor het aanpassen van de vaccinatieschema's; niet
alleen voor kinderen maar ook voor volwassenen, aangezien volwassenen waarschijnlijk de
belangrijkste bron zijn voor kinkhoestinfecties bij jongere kinderen.
Tijdens het onderzoek bij kinderen met
kinkhoest, heeft Versteegh waargenomen dat er bij eenderde van de kinderen tegelijkertijd
ook een infectie was met een andere ziekteverwekker.
TU Delft werpt licht op gedrag
kankercellen
Dankzij beeldvormende en
analysetechnieken gebruikt door de TU Delft, heeft een internationale groep van
wetenschappers meer inzicht gekregen in het gedrag van kankercellen. De Delftenaren
brachten als eersten de onderlinge posities en bewegingen van de uiteinden van chromosomen
(telomeren) in kaart. In kankercellen blijken deze telomeren zich anders te gedragen dan
in gezonde cellen. Online is een publicatie over het onderzoek verschenen in het
belangrijke Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift PNAS.
Volgens de Delftse onderzoeker Dr. Yuval
Garini is het onderzoek gefocust op de structuur en organisatie van het genetische
materiaal in de celkern en hoe deze organisatie verandert in kankercellen. In dit
onderzoek verstoorde men één specifiek gen in een cel waardoor deze veranderde in een
kankercel en vervolgens keek men naar het gedrag van de chromosomen in de celkern, meer
specifiek naar de uiteinden ervan, de zogenaamde telomeren. In een eerder onderzoek hadden
de wetenschappers al ontdekt dat deze telomeren zich in gezonde cellen in een goed
gedefinieerde structuur bevinden, dat verandert tijdens de celcyclus.
Uit het meest recente onderzoek blijkt nu
dat deze organisatie bij kankercellen is verstoord: de telomeren klitten na een celdeling
samen. De onderzoekers, behalve uit Delft afkomstig uit Canada, Duitsland en Frankrijk,
hebben gezien hoe telomeren, en dus chromosomen, in kankercellen aan elkaar vast gaan
zitten. Bij de volgende celdeling breken deze samengesmolten chromosomen vervolgens op
willekeurige posities af. Doordat de uiteinden van de chromosomen daarna niet meer
beschermd zijn, gaan ze op zoek naar andere chromosomen om mee samen te smelten. Op deze
manier ontstaan combinaties van chromosomen die nooit bedoeld zijn.
De rol van de TU Delft in dit onderzoek
betrof het getalsmatig in kaart brengen en analyseren van de veranderende posities van de
telomeren en chromosomen, zowel in gezonde cellen als in kankercellen. Om de telomeren te
kunnen volgen, worden ze eerst chemisch verbonden met fluorescerende moleculen. De
gelabelde telomeren zijn vervolgens te volgen met een zogenaamde fluorescentiemicroscoop.
De Delftse onderzoekers (dr. Yuval Garini
en promovendus Bart Vermolen, afkomstig uit de groep van prof.dr. Ian Young) hebben
speciaal voor telomeren een analysemethode ontwikkeld die hun posities en bewegingen
gedurende de ontwikkeling van een cel getalsmatig en geometrisch vastleggen.
Door de positie van telomeren in de
celkern te bestuderen kan men op een nieuwe en wellicht makkelijkere manier bepalen of een
cel een kankercel is. Verder kan het inzicht in het gedrag van telomeren in kankercellen
misschien nieuwe aanknopingspunten bieden voor het bestrijden van kanker. Volgens
professor Ian Young is het onderzoek slechts een van de velen aan de TU Delft waarbij
technologische methoden worden gebruikt voor medisch onderzoek. Hij verheugt zich met name
op een steeds intensievere samenwerking met de universiteiten van Leiden en Rotterdam op
dit gebied.
Technische Universiteit Delft
EMEA/CHMP geeft definitief advies
inzake COX-2-remmers
Als conclusie van de herbeoordeling van
de geneesmiddelenklasse van de COX-2-remmers heeft de EMEA/CHMP* geadviseerd om de
handelsvergunning van Bextra (valdecoxib) te schorsen. Tevens zijn nieuwe
contra-indicaties en waarschuwingen opgesteld voor de andere COX-2-remmers die nog wel
verkrijgbaar zijn in de Europese Unie (EU). Deze adviezen worden toegevoegd aan de
maatregelen die al in februari 2005 genomen zijn (zie het nieuwsbericht van 17 februari
2005).
COX-2-remmers behoren tot de klasse van
de zogenaamde niet-steroïde ontstekingsremmers (NSAID's), waarvan het veiligheidsprofiel
nu is onderzocht.
Op de vergadering van 20 tot 23 juni 2005
heeft de CHMP besloten dat voor alle COX-2-remmers additionele waarschuwingen en
contra-indicaties noodzakelijk zijn vanwege het risico op hart- en vaatziekten. Echter,
gezien het bijkomende risico op ernstige en mogelijk dodelijke huidreacties bij gebruik
van Bextra lijkt de balans werkzaamheid-schadelijkheid voor dit middel negatief. Deze
schorsing van de handelsvergunning voor Bextra wordt binnen een jaar herbeoordeeld.
Gedurende dit jaar heeft Pfizer de gelegenheid om nadere veiligheidsgegevens en andere
relevante data aan te leveren voordat de CHMP de herintroductie van het geneesmiddel in de
EU kan overwegen. Op verzoek van de EMEA heeft Pfizer al in april 2005 vrijwillig
toegestemd met het staken van de verkoop van dit middel op de Europese markt.
De CHMP heeft geconcludeerd dat de
beschikbare gegevens voor de overige COX-2-remmers (celecoxib, etoricoxib, lumiracoxib en
parecoxib) wijzen op een verhoogde kans op trombotische reacties op cardiovasculair
gebied, zoals een hartinfarct of een beroerte. De CHMP bevestigde de bevindingen van
februari 2005 dat er een verband is tussen dosis en duur van de behandeling en de kans op
deze cardiovasculaire bijwerkingen. De CHMP heeft verder vastgesteld dat bij andere
COX-2-remmers ook ernstige huidreacties voorkomen, maar dat er een lagere frequentie
gemeld is dan bij Bextra. Als eindconclusie van de herbeoordeling heeft de CHMP het
volgende advies opgesteld wat betreft contra-indicaties en waarschuwingen voor het gebruik
van deze producten:
* COX-2-remmers mogen niet gebruikt
worden door patiënten met aangetoonde ischemische hartziekte en/of cerebrovasculaire
aandoeningen (beroerte) en tevens niet door patiënten met perifeer arterieel vaatlijden.
* Aangescherpte waarschuwingen voor
artsen worden opgenomen om voorzichtigheid in acht te nemen bij het voorschrijven van
COX-2-remmers aan patiënten met risicofactoren voor hart- en vaatziekten zoals
hypertensie (hoge bloeddruk), hyperlipidemie (verhoogd cholesterolgehalte in het bloed),
diabetes en roken.
* Gezien het verband tussen het risico op hart- en vaatziekten en het gebruik van
COX-2-remmers wordt artsen aangeraden om de laagst mogelijke effectieve dosis voor een zo
kort mogelijke tijd voor te schrijven.
* In de product informatie en bijsluiter
worden aanvullende of aangescherpte waarschuwingen opgenomen dat
overgevoeligheidsreacties en zeldzame, maar ernstige en soms dodelijke huidreacties op
kunnen treden bij alle COX-2-remmers. De meerderheid van deze gevallen treedt op in de
eerste maand van het gebruik. De voorschrijvend arts moet zich bewust zijn dat patiënten
met een voorgeschiedenis van geneesmiddelenallergie mogelijk een verhoogd risico hebben.
De CHMP heeft geconcludeerd dat de balans
werkzaamheid-schadelijkheid voor de COX-2-remmers celecoxib, etoricoxib, lumiracoxib en
parecoxib positief blijft wanneer deze worden voorgeschreven aan de juiste doelgroep met
inachtneming van de nieuwe contra-indicaties en voorzorgen voor het gebruik. De CHMP
benadrukte het belang van voortdurend en zorgvuldig monitoren van cardiovasculaire
bijwerkingen en ernstige huidreacties door de registratiehouders van de COX-2-remmers in
de EU (Merck Sharp & Dohme, Novartis en Pfizer) naast reeds lopende onderzoeken.
De CHMP heeft als onderdeel van de
herbeoordeling van de COX-2-remmers de veiligheidsgegevens over COX-2-remmers beoordeeld
in vergelijking met de gegevens van een aantal conventionele NSAID's. Op grond van deze
gegevens en op verzoek van de Europese Commissie heeft de CHMP nu besloten het
veiligheidsprofiel van de conventionele NSAID's nader te onderzoeken om de noodzaak tot
eventuele verdere stappen te onderzoeken. Als basis hiervoor zal dienen een reeds gestart
onderzoek door de Pharmacovigilance Working Party over de veiligheid van de meest
gebruikte NSAID's.
Het is onduidelijk of de bevindingen over
COX-2-remmers ook van toepassing zijn op de conventionele NSAID's. In afwachting van
toekomstige aanbevelingen is het zeer belangrijk dat artsen en patiënten nauwkeurig de
productinformatie en bijsluiter van NSAID's en COX-2-remmers volgen. Patiënten die zich
zorgen maken wordt aangeraden contact op te nemen met hun arts of apotheker.
Terug naar het hoofdmenu