gezonde voeding


logo.jpg (7231 bytes)

Google

Nieuws dec 2005


Unieke poli voor bloed in de urine

Het AMC opent de eerste polikliniek in Nederland voor mensen met bloed in de urine, ofwel hematurie. Bloed in de urine kan diverse oorzaken hebben, waaronder nierkanker, blaaskanker, nierstenen en urineweginfecties. Soms is dus haast geboden. Op de nieuwe poli probeert men patiënten binnen een week te zien en de diagnose nog dezelfde dag te stellen, tenzij aanvullend onderzoek nodig is. Daarmee wordt het traject van diagnose en behandeling met gemiddeld zes tot acht weken bekort.

Van de mannen ouder dan 35 jaar en de vrouwen boven de 55 jaar heeft dertien procent bloed in de urine, soms zichtbaar en soms alleen aantoonbaar met laboratoriumonderzoek. Op de hematuriepoli wordt met behulp van een diagnoseprotocol vastgesteld wat de oorzaak zou kunnen zijn. De spreekuren vinden elke vrijdag plaats. Met een serie urologische onderzoeken tracht men nog diezelfde dag vast te stellen of al dan niet sprake is van nierkanker, blaaskanker, nierstenen of een blaasontsteking. ‘We verwachten dat negentig procent van de patiënten die dag te horen krijgt wat er aan de hand is’, zegt prof. Jean de la Rosette, hoofd van de afdeling Urologie van het AMC. ‘Eventueel aanvullend onderzoek gebeurt binnen twee weken. Is de diagnose bekend, dan kan binnen drie weken met gerichte therapie worden begonnen’.

Door de snellere diagnose en behandeling neemt de kans op genezing van patiënten met kanker toe. Dat is met name van belang voor mensen met niercelcarcinoom. Deze vorm van kanker wordt in Nederland gemiddeld in een later stadium geconstateerd dan in andere Europese landen, waardoor een niersparende operatie vaak niet meer mogelijk is.
Naast diagnostiek en behandeling richt de nieuwe polikliniek zich ook op wetenschappelijk onderzoek naar nieuwe behandelmethoden voor nierkanker, blaastumoren en nierstenen. Daarbij ligt de nadruk op minimaal invasieve technieken.

EU beloont groot onderzoek naar herstel

Met een omvangrijke subsidie van 11,4 miljoen euro van de Europese Unie start in januari 2006 een grote studie naar de ontwikkeling en differentiatie van hartspiercellen, getiteld HeartRepair. Het AMC coördineert het onderzoek dat wordt uitgevoerd met verschillende gerenommeerde wetenschappelijke instellingen in Europa. De resultaten moeten uiteindelijk bijdragen aan een verbetering van de behandeling met stamcellen bij patiënten die na een hartinfarct kampen met hartfunctiestoornissen.

Het onderzoek, met de titel Heart Failure and Cardiac Repair, kortweg HeartRepair, richt zich vooral op basale mechanismen. ‘Door in embryonale harten te kijken naar de ontwikkeling van hartspiercellen willen we meer kennis vergaren over de manier waarop we bij patiënten nieuwe cellen van het juiste type kunnen maken’, zegt prof.dr. Antoon Moorman in het AMC Magazine, dat vandaag verschijnt. Moorman is hoogleraar Embryologie en moleculaire biologie van hart- en vaatziekten in het AMC en coördinator van HeartRepair.

Bij een hartinfarct sterft een deel van de hartspiercellen, waardoor de hartfunctie verstoord raakt. Het beschadigde weefsel vervangen door nieuwe cellen lijkt een even simpele als doeltreffende behandeling. De afgelopen jaren is veel onderzoek gedaan naar stamceltherapie. Hoewel het potentieel van dit soort onderzoek enorm groot is, zijn de resultaten tot nu toe teleurstellend. Om stamceltherapie echt effectief te maken is volgens Moorman meer basale kennis nodig.

Daarom gaan de onderzoekers bij patiënten met aangeboren hartafwijkingen op zoek naar nieuwe genen die een rol spelen bij de groei van het hart. Daarnaast kijken zij welke mechanismen bepalen dat een stamcel een “werkende” hartspiercel wordt, of een hartspiercel die belangrijk is voor elektrische activatie van het hart. Een andere onderzoekslijn richt zich op de vraag waarom hartfibroblasten (bindweefselcellen) zich na de embryonale fase niet meer tot hartspiercel kunnen ontwikkelen, maar in het embryo wel. Al deze kennis gebruiken de wetenschappers voor het ontwerpen van nieuwe technieken, waarmee stamcellen ertoe aangezet kunnen worden om hartspiercellen te vormen.

Aan deze studie werken ruim 25 laboratoria en instituten uit heel Europa mee. Naast het AMC zijn dat onder meer het LUMC, het Hubrecht Laboratorium van de KNAW, het Max Planck Institute for Molecular Genetics, het European Informatics Institute, het Institute Pasteur en de University of London.

Herkennen maligne stamcellen mogelijk

Onderzoekers van VU medisch centrum zijn in staat stamcellen te herkennen die zich hebben ontwikkeld tot kankercellen. Hiermee is een belangrijke stap gezet tot effectieve behandelingsmogelijkheden tegen Acute Myeloïde leukemie (AML), een veel voorkomende vorm van leukemie. De VUmc onderzoekers verzorgden dan ook een prominente lezing tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de ‘American Society of Hematology’, het meest prestigieuze hematologie congres.

Hematologische stamcellen zijn zeldzaam en daarom moeilijk te vinden. Zij zijn te herkennen aan de hand van eiwitmarkers op het celoppervlak. De onderzoekers stelden vast dat de marker C-type lectin-like molecule (CLL-1) wel op AML stamcellen maar niet op gewone stamcellen voorkomt.

In het beenmerg bevinden de normale stamcellen zich in een compartiment gekenmerkt door de marker CD34 en waarbij de marker CD38 ontbreekt. AML stamcellen hebben deze zelfde kenmerken, waardoor onderscheid van normale stamcellen moeilijk is.

Uit eerder VUmc onderzoek was gebleken dat CLL-1 zich in ongeveer 90% van de gevallen op leukemie cellen van AML patiënten bevindt. Uit dit vervolgonderzoek bleek dat dit ook voor de CD34-positieve en CD38- negatieve AML stamcellen geldt. De onderzoekers toonden dit aan met een antilichaam gericht tegen CLL-1. Zij ontdekten bovendien dat de normale CD34-positieve-, CD38- negatieve stamcellen, die zich na intensieve chemotherapie nog in het beenmerg van de AML patiënt bevinden, het eiwit CLL-1 niet tot expressie brengen.

In de toekomst zou het daarom mogelijk kunnen zijn een toxische stof aan deze antistof te hangen, waardoor de leukemie stamcel selectief zou kunnen worden uitgeschakeld. Daarnaast kan met de kennis over de expressie van CLL-1 de kans op recidieven beter worden bepaald.

In Nederland zijn er per jaar 450 nieuwe patiënten met Acute Myeloïde Leukemie. Ongeveer 50% van de volwassen patiënten en 40% van de kinderen overleeft de ziekte niet. Van de patiënten boven de zestig jaar overlijdt 90%. Veel van hen sterven ondanks intensieve chemotherapie aan nieuwe uitgroei van de leukemie. Deze uitgroei ontstaat zeer waarschijnlijk vanuit de stamcel. Meer kennis over het ontstaan en de karakterisering van maligne stamcellen werd daardoor al lange tijd als essentieel gezien.

De uitkomsten van het onderzoek zijn van groot belang voor de kennis over maligne stamcellen bij andere tumoren. Omdat bloed en beenmerg relatief gemakkelijk te verkrijgen zijn, leidt onderzoek naar hematologische tumoren vaak sneller tot baanbrekende resultaten.

Geen verwijzing meer nodig voor fysiotherapie in 2006

Per 1 januari 2006 is er geen verwijsbrief meer nodig van de huisarts voor fysiotherapie. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft op basis van een advies van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) besloten om de fysiotherapie direct toegankelijk te maken voor patiënten.

Aanpassing Wet BIG
De Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG) zal worden aangepast zodat ook de kwaliteit van de fysiotherapie gewaarborgd is. Door aanpassing van de Wet BIG maakt de minister van VWS de fysiotherapeut bevoegd om zelfstandig de burger in behandeling te nemen. Uit experimenten van College voor Zorgverzekeringen (CVZ) is helder gebleken dat de fysiotherapeut voldoende kennis en vaardigheden heeft om op verantwoorde wijze, de intake van de burger met een bewegingsklacht op zich te nemen.

Zorgverzekeraar beslist over opname in zorgverzekering
De aanpassing van de Wet Big heeft geen relatie met het verzekeringspakket van de zorgverzekeraars. Een zorgverzekereraar heeft de vrijheid om directe toegankelijkheid tot fystiotherapie wel of niet te regelen in de maatschappijpolis. De Zorgverzekeringswet die per 1 januari 2006 van kracht wordt, biedt ruimte aan de zorgverzekeraars om hun eigen polisvoorwaarden in te richten.

Voor de specifieke invulling, contractering en daarmee het welslagen van directe toegankelijkheid van fysiotherapie, ligt de verantwoordelijkheid bij fysiotherapeuten en zorgverzekeraars.

Combinatie van technieken bevestigt verspreiding ziekteproces in hersenen MS-patiënten

Subtiele ziekteprocessen in hersenen van MS-patiënten kunnen zichtbaar worden gemaakt door een toepassing van geavanceerde MRI-technieken. Natuurkundige Hugo Vrenken promoveerde dinsdag 6 december jl. aan het VU medisch centrum op zijn onderzoek waarin hij met behulp van zogenoemde kwantitatieve MRI-technieken veranderingen in het zenuwstelsel aantoonde die met ‘gewone’ MRI niet zichtbaar zijn.

De resultaten bevestigen het vermoeden dat MS ook veranderingen in het zenuwstelsel veroorzaakt in gebieden die op ‘gewone’ MRI-beelden normaal lijken te zijn. Op MRI-scans van MS-patiënten zijn doorgaans witte vlekken zichtbaar – lesies genoemd - waarin de kenmerkende afbraak plaatsvindt van myelineschedes rondom de uitlopers van hersencellen en de daarop volgende degeneratie van de uitlopers. Op gewone MRI-plaatjes is een duidelijk onderscheid te zien tussen deze lesies en het omliggende weefsel. Vrenken was in staat om op moleculair niveau dit omliggende weefsel zichtbaar te maken. Hij toonde aan dat in het hersenweefsel van MS-patiënten stoffen voorkomen en veranderingen optreden die geassocieerd zijn met Multiple Sclerose.

Urologie VU medisch centrum opereert prostaatkanker met robot

Da Vinci voorkomt onnodige complicaties.

De afdeling urologie van VU medisch centrum opereert niet uitgezaaide prostaatkanker met de Da Vinci robot. Hiermee kunnen complicaties als impotentie en incontinentie als gevolg van de operatie in hoge mate voorkomen worden. Dit stelde hoogleraar urologie Bart Bemelmans in zijn inaugurele rede.

Met de robot is net als met laparoscopische chirurgie of een kijkoperatie minimaal invasieve chirurgie mogelijk. Met behulp van kleine sneetjes en langwerpige instrumenten kan de chirurg zijn werk in het lichaam verrichten. Via een beeldscherm ziet hij waar hij de instrumenten beweegt. Grote voordelen van de robotchirurgie zijn dat de instrumenten buigbaar zijn, zodat de chirurg beter achter een weefsel structuur kan komen, de beweging die de chirurg maakt overeen komt met de richting die hij of zij in het lichaam wil volgen en het een stereoscopisch beeld oplevert, waardoor de chirurg de structuren driedimensionaal ziet.

De grootste winst op de klassieke ‘open chirurgie’, is dat daarbij meer dan de helft van de mannen als gevolg van prostatectomie impotent wordt, terwijl dit met de Da Vinci robot aanzienlijk minder is.

De clinique Saint Augustin in Bordeaux, Frankrijk, boekt op dit moment in Europa de beste resultaten bij prostaatkanker operaties. De kwaliteit van leven wordt groot gevonden, het aantal recidieven is klein en de meerjaarsoverleving neemt nog steeds toe. Ook daar wordt sinds kort met een Da Vinci robot geopereerd.

De afdeling urologie van VUmc is lange tijd minimaal bezet geweest. Met de benoeming van professor Bemelmans en vijf collega urologen is de urologie in VUmc weer een volwaardige afdeling geworden. Ook is hiermee de urologie in de regio veel sterker ontwikkeld dan voorheen. De afdeling zet fors in op voegdiagnostiek, robotgeassisteerde operaties en nieuwe therapieën voor uitgezaaide tumoren.

Nieuwe methode om hartfalen te remmen

Hartfalen, waarbij het hart niet meer voldoende bloed door het lichaam kan pompen, is een ernstige ziekte. Veel mensen krijgen er in de loop van hun leven mee te maken als gevolg van diverse aandoeningen, zoals bijvoorbeeld een hartinfarct. Annemarieke Loot ontdekte in een dierexperimenteel onderzoek dat het hormoon angiotensine-(1-7) de ontwikkeling van hartfalen na een hartinfarct kan remmen. Bovendien heeft het tijdens de ontwikkeling van hartfalen een beschermend effect op de bloedvaten; niet alleen in het hart, maar ook in de rest van het lichaam. De promovendus ontwikkelde bovendien een methode om in de toekomst via gentherapie het hart zelf meer ang-(1-7) te laten aanmaken.

Ang-(1-7) heeft slechts één aminozuur minder dan het bekende hormoon angiotensine II dat betrokken is bij het uiteindelijke ontstaan van hartfalen. Veel van de huidige geneesmiddelen voor hart- en vaatziekten zijn gericht op het voorkomen van de vorming van ang II en de effecten ervan. Dit zijn de zogeheten ACE-remmers. Ang-(1-7) kan de nadelige effecten van ang II tegengaan en ACE-remmers verhogen de hoeveelheid ang-(1-7) in het bloed.

Gentherapie zou een mogelijke oplossing kunnen zijn voor hartfalen, maar daarvoor moet het goede DNA-materiaal op de juiste plaats in het lichaam worden afgeleverd. Virussen zijn goede dragers van dit materiaal, omdat ze in staat zijn celkernen binnen te dringen. Loot ontdekte dat het Semliki Forest Virus (SFV) geschikter is dan het adenovirus. Wanneer het SFV in het hart wordt toegediend bereikt het een groot aantal hartcellen, terwijl het andere organen zoals de lever ongemoeid laat.

Annemarieke Loot (Arnhem, 1975) studeerde farmacie in Groningen. Ze verrichtte haar promotieonderzoek bij de disciplinegroep Klinische Farmacologie en de onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd gefinancieerd door het Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland (ICIN). Momenteel is Loot werkzaam als postdoc bij de vakgroep Kardiovaskuläre Physiologie van de J.W. Goethe Universität in Frankfurt am Main.

Verkoudheidsvirus bestrijdt tumor

Er gloort hoop voor patiënten met een maligne glioom (de meest levensbedreigende hersentumor) of een vergevorderd neuroblastoom (een neurnoale tumor die vooral bij jonge kinderen voorkomt). In een gezamenlijk onderzoeksproject van het VU Medisch centrum en het Frans kankerinstituut Gustave Roussy, heeft Birgit Geoeger onderzocht of genetisch veranderde virussen, afgeleid van een verkoudheidsvirus, kunnen worden toegepast bij de behandeling van deze tumoren. De resultaten zijn veelbelovend.

Geoerger gebruikte hiervoor zogenaamde conditioneel replicerende adenovirussen (CRAds) die selectief kankercellen doden en normale cellen sparen. Ze testte de werking van deze virussen in experimentele tumorenmodellen, onder de huid van muizen. Belangrijke vondst is dat de therapie effectiever werd, als de opname van het virus in de kankercellen verliep via receptoren die veel op kankercellen voorkomen. De therapie verbeterde ook door toevoeging van het zogeheten p53 - tumorsuppres sorgen, dat in veel kankercellen niet functioneel aanwezig is. Veel dieren met een onderhuidse tumor werden door injectie met het virus volledig genezen. Tevens komt naar voren dat de werking van CRAds wordt versterkt als de behandeling wordt gecombineerd met bestraling. In dat geval kon met minder virusmateriaal hetzelfde effect worden bereikt. Deze veelbelovende bevindingen zijn voor het VUmc aanleiding om de werking van CRAds bij patiënten met een maligne glioom in de kliniek te gaan onderzoeken.

Minister Hoogervorst zet consument op verkeerde been

Minister Hoogervorst zet consumenten op het verkeerde been met zijn uitspraak dat mensen goedkoper uit kunnen zijn als zij zich niet aanvullend
verzekeren voor tandarts of fysiotherapeut. Het KNGF vindt deze uitspraak onbegrijpelijk en ongenuanceerd. Meer dan 2,5 miljoen mensen maken jaarlijks gebruik van de fysiotherapeut, de specialist in beweging. De minister vergeet bovendien dat fysiotherapie in een vroeg stadium een hoop kosten achteraf bespaart.

Mensen zijn sneller weer aan het werk en de patiënt hoeft niet uit te wijken naar zorg die ten koste gaat van de no-claim of eigen risico. Veruit het grootste deel van de fysiotherapeutische zorg heeft namelijk geen invloed op de no-claim en eigen risico. Dit gegeven alleen al bespaart de patiënt veel geld indien hij aanvullend is verzekerd voor fysiotherapie.

Daarnaast maakt de minister de fout dat er een groot risico is dat de patiënt uitwijkt naar duurdere alternatieven van zorg. Dit zal ook zijn begroting negatief beïnvloeden. Zowel de consument als het ministerie van VWS snijden zich in hun eigen vingers als mensen zich niet goed aanvullend verzekeren voor fysiotherapie.

Opmerking : Dit is toch ook die minister die zo graag de alternatieve geneeskunde om zeep wil helpen, zie hier. Denkt Hoogervorst nu echt
dat de reguliere zorg goedkoper zal uitpakken als je vele nuttige behandelingen incl fysio / accupunctuur niet langer vergoedt? Beetje kortzichtig lijkt mij, is dit beleid?

Ron

Stimuleren consumentenvraag biologische producten

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft Wageningen Universiteit en Researchcentrum gevraagd de uitvoering van het zogeheten Co-innovatieprogramma Biologische afzetketens op zich te nemen. Met het programma, waarvoor de minister middelen ter beschikking heeft gesteld en waaraan het bedrijfsleven ook de helft bijdraagt, wil hij bereiken dat in 2007 biologische producten een aandeel hebben van vijf procent in de consumentenbestedingen. Het programma is gericht op het intensiveren van de consumentenvraag.

De minister heeft Wageningen UR gevraagd dit programma uit te voeren om daarmee de samenhang te versterken met andere onderzoeksprogramma's van Wageningen UR. Het netwerk van zowel Wageningen UR als van de Stichting AgroketenKennis (AKK) met het bedrijfsleven wordt benut voor de ontwikkeling en uitvoering van projecten. Bij de uitvoering van het programma, dat een looptijd heeft tot eind 2007, werkt Wageningen UR nauw samen met AKK en de Task Force Marktontwikkeling Biologische Landbouw. De laatste besluit over de aanvragen, waarbij ze wordt geadviseerd door diverse experts.. De aanvragen voor het programma moeten een publiekprivaat karakter hebben, dat wil zeggen dat, naast de overheidsfinanciering van 50 procent, projecten voor de overige helft door het bedrijfsleven worden bekostigd.

Naast het stimuleren van de consumentenvraag naar biologische producten is het programma gericht op innovatieve, biologische ketenprojecten en de vorming van duurzame samenwerking binnen en tussen bedrijven en kennisinstellingen. Verder moet de opgedane kennis doorwerken naar andere, niet direct betrokken bedrijven in de biologische afzetketen. Voor het programma zijn speerpunten vastgesteld aan de hand waarvan projecten, waarvoor aanvragen worden ingediend, worden beoordeeld. Die speerpunten zijn:
* Meerwaarden voor de consument van de producten moeten nadrukkelijk naar voren worden gebracht;
* Verbetering van de efficiency in de productie moet leiden tot een lagere meerprijs van het product;
* De consument moet kunnen vertrouwen in kwaliteit door de hele keten heen;
* Partijen in de keten moeten duurzaam samenwerken en elkaar's kennis en kunde optimaal benutten;
* Producenten moeten inzetten op marktverbreding via export.

Wageningen Universiteit

Belangrijke mededeling over Olvarit tuingroenten met rijst - Voedsel en Waren Autoriteit

Uit voorzorg heeft Nutricia Nederland besloten om de partij Olvarit tuingroenten met rijst met houdbaarheidsdatum 03.08.2008 van de markt te halen omdat een klein deel van deze partij niet voldoet aan de kwaliteitseisen van Nutricia. Bij opening van enkele potjes zijn aan de buitenkant van het potje onder de dekselrand zeer kleine glassplinters aangetroffen. Consumenten die een potje Olvarit tuingroenten met rijst hebben gekocht met daarop de houdbaarheidsdatum 03.08.2008 (zie deksel), wordt verzocht deze potjes weg te gooien. De deksel kan gratis naar Nutricia worden verstuurd, waarna de aankoopkosten worden vergoed. Vergeet niet uw naam, rekeningnummer en adres te vermelden.

Stuur de deksel naar:

Nutricia Nederland
Antwoordnummer 54001
5004 VB Tilburg
onder vermelding van Olvarit

Voor vragen kunt u bellen met het gratis telefoonnummer 0800-0220822.

Geneesmiddelenconvenant 2006 en 2007 levert 1,8 miljard op

Het geneesmiddelenconvenant is verlengd en uitgebreid. De partijen hebben vandaag een akkoord bereikt over een convenant voor 2006 en 2007. Dit heeft minister Hoogervorst van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vandaag bekend gemaakt in een brief aan de Tweede Kamer. Met het nieuwe convenant wordt ¤ 843 miljoen in 2006 en vooralsnog ¤ 971 miljoen in 2007 bespaard. In 2004 was dat nog ruim ¤ 600 miljoen. De besparingen lopen op tot ¤ 140 per huishouden in 2007.

Het definitieve bedrag voor 2007 is afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek van het College Tarieven Gezondheidszorg/ Zorgautoriteit in oprichting (CTG/ZAio) naar de praktijkkosten en de kortingen en bonussen die apotheekhoudenden realiseren. Het convenant vervangt kortingen en bonussen van apotheekhoudenden door structurele prijsverlagingen. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) ziet geen mededingingsrechtelijke bezwaren. Het geneesmiddelenconvenant is getekend tussen de Bond van generieke geneesmiddelenindustrie in Nederland (Bogin), de Nederlandse Vereniging van de Research-georiënteerde Farmaceutische Industrie (Nefarma), de Koninklijke Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP), Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en minister Hoogervorst. Voortzetting van het convenant biedt financiële voordelen die de verzekerden ten goede komen.

De gemiddelde prijsverlaging van 40% voor geneesmiddelen waarvan generieke varianten beschikbaar zijn of komen, zoals die gold in 2004 en 2005, wordt voortgezet. Daarnaast worden in zowel 2006 als in 2007 de prijzen aanvullend verlaagd om de inkomsten uit kortingen en bonussen van apotheekhoudenden met uiteindelijk ¤ 156 mln structureel te verminderen. Daarnaast faciliteert het convenant de totstandkoming van een nieuw passend beloningssysteem voor apotheekhoudenden, dat uiterlijk per 1 januari 2008 in werking treedt.

Tevens krijgen zorgverzekeraars meer marktconforme sturingsmogelijkheden. Zo zal het systeem een prikkel voor doelmatig inkopen gaan bevatten waardoor zorgverzekeraars beter in staat zullen zijn (prijs)afspraken met apotheekhoudenden te maken. De convenantsperiode geeft de apotheekhoudenden de gelegenheid hun bedrijfsvoering en financiering aan te passen.

Remedie tegen ernstige vermoeidheid na het Guillain-Barré syndroom

Vermoeidheidsklachten als gevolg van het Guillain-Barré syndroom kunnen blijvend verminderen na intensieve fietstraining. Dit concludeert Marcel Garssen in zijn proefschrift Behandeling van GBS en oorzaken en behandeling van het restverschijnsel vermoeidheid waar hij 14 december 2005 op promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Het Guillain-Barré syndroom (GBS) is een ernstige verlammingsziekte die in Nederland jaarlijks zo'n twee- tot driehonderd keer voorkomt, vaak als gevolg van een voorafgaande infectieziekte. Een van de veroorzakers is de campylobacter bacterie, een bacterie die o.a. kan voorkomen in onvoldoende verhit kippenvlees. Een infectie met deze bacterie heeft een maag-darm infectie tot gevolg, mogelijk leidend tot GBS. GBS presenteert zich in verschillende gradaties. 5 - 30% heeft een milde vorm (kan nog zelfstandig lopen). 70 - 95% is heel ernstig aangedaan (wordt rolstoelafhankelijk of bedlegerig) en 25% van deze laatste groep kan niet meer zelfstandig ademen. Uiteindelijk overlijdt zo’n vijf procent van de ernstig aangedane groep patiënten. Veelal treedt herstel op, maar wordt de patiënt toch geconfronteerd met restverschijnselen. Een van de belangrijkste restverschijnselen is ernstige vermoeidheid.

Garssen heeft o.a. een groep van twintig ernstig vermoeide patiënten onderzocht. Deze groep kreeg drie keer per week gedurende twaalf weken een begeleide fietstraining aangeboden, waarbij de intensiteit wekelijks werd opgevoerd. Na zes en na twaalf weken werden de deelnemers uitgebreid onderzocht. Het bleek dat de fietstraining leidt tot significante verbetering op zowel lichamelijk als geestelijk terrein. Zo nam bijvoorbeeld de vermoeidheid af met twintig procent en was sprake van sterk verbeterde lichamelijke conditie, spierkracht en kwaliteit van leven. Ruim twee jaar na afloop van de training bleken veel van deze trainingseffecten nog onverminderd aanwezig.Hiernaast bleek ook dat mensen minder angstig waren en zelf ook het initiatief namen om meer te bewegen. Dit doorbrak de negatieve spiraal.
Garssen concludeert o.a. dat vermoeidheid na GBS het gevolg is van een combinatie van lichamelijke en geestelijke factoren en dat nu voor het eerst de mogelijkheid bestaat om deze invaliderende vermoeidheidsklachten te behandelen.  Promotor: prof.dr. P.A. van Doorn, Neuromusculaire ziekten, in het bijzonder immuun-gemedieerde aandoeningen.

Gal oorzaak ontsteking in Barrett-slokdarm

Galzuren spelen een rol bij het ontstaan van chronische ontsteking in een Barrett-slokdarm. Tot deze conclusie komt Dorine Bax in haar proefschrift Barrett's esophagus: a molecular characterization. Zij promoveerde op vrijdag 9 december 2005 aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. De Barrett-slokdarm is een aandoening waarbij het normale slijmvlies van de slokdarm verandert in een type slijmvlies dat meer lijkt op dat van de darmen. De Barrett-slokdarm wordt veroorzaakt door het oprispen van zuur en gal. Uiteindelijk kan deze aandoening ontaarden in kanker. Deze afwijking komt voor bij een tot vijf procent van de westerse bevolking. De promovenda heeft onder andere gekeken naar het effect van gal op het slijmvlies. Blootstelling aan bepaalde galzuren leidt tot de productie van chemokines, eiwitten die ontstekingscellen aantrekken. Dit verklaart de chronische ontsteking, die kenmerkend is voor een Barrett-slokdarm. De toegenomen chemokine productie speelt mogelijk ook een rol bij het ontstaan van slokdarmkanker. Ook naar het CDX2 eiwit heeft Dorine Bax onderzoek verricht. Dit eiwit komt normaal alleen in de darmen voor. Uit het onderzoek blijkt dat het aanwezig was in het Barrett-slijmvlies en ook in lage hoeveelheden in het normale slokdarmslijmvlies van mensen met een Barrett-slokdarm. Dit wijst er op dat het CDX2 eiwit een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van een Barrett slokdarm.
De beschreven veranderingen kunnen leiden tot nieuwe inzichten in het ontstaan van een Barrett-slokdarm en slokdarmkanker en daarmee tot nieuwe mogelijkheden van preventie, diagnose en behandeling. Promotor: prof.dr. E.J. Kuipers, Klinische gastro-enterologie



Beter scannen voorkomt blijvende longschade bij patiënten met taaislijmziekte

Longafwijkingen bij patiënten met taaislijmziekte of cystic fibrosis (CF) zijn op veel vroegere leeftijd aanwezig dan tot op heden werd gedacht. Longfunctietesten en longfotoâs die tot nu toe de belangrijkste testen waren, bleken de ernst van de longziekte fors te onderschatten. Met CT-scans kunnen longafwijkingen op jongere leeftijd opgespoord worden en kan de ernst van de longziekte beter worden ingeschat. Hoe eerder gestart wordt met behandeling, des te minder blijvende schade houdt de patiënt. Dit concludeert Pim de Jong in zijn proefschrift Monitoren van longziekte bij cystic fibrosis met computed tomografie, waarop hij 14 december 2005 promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

CF is een ernstige erfelijke longziekte waarbij patiënten vaak al op jonge leeftijd overlijden door chronische longontsteking. Hoewel de overleving de laatste 20 jaar aanzienlijk is toegenomen, worden CF-patiënten toch gemiddeld niet ouder dan 35 jaar. Vroege opsporing van longschade is belangrijk om de juiste behandeling te kunnen starten.

In het Erasmus MC â Sophia Kinderziekenhuis worden sinds 1996 CT-scans gebruikt om longschade te voorkomen. De CT-scans worden één keer per twee jaar gemaakt. Een scan van de long geeft een heel gedetailleerd beeld van de afwijkingen. Uit het onderzoek van De Jong blijkt nu dat één op de drie kinderen met CF met een normale longfunctie toch ernstige afwijkingen op de CT-scan heeft. Bovendien waren longfunctiewaarden bij veel patiënten stabiel terwijl de CT-scan een achteruitgang liet zien..

Verder is het gebruik van CT in geneesmiddelenstudies een enorm winstpunt: er zijn minder patiënten nodig voor goed onderzoek naar méér geneesmiddelen. De extra stralingsrisicoâs zijn berekend en blijven ruim binnen de aanvaardbare grenzen.

Promotor: prof.dr. J.C. de Jongste, Kindergeneeskunde, in het bijzonder kinderlongziekten

Stofwisselingsziekte bij kinderen opgehelderd

Eduard Struijs onderzocht de stofwisselingsziekte D-2-HGA (D-2-hydroxiglutaar acidurie). Kinderen die hieraan lijden, hebben vaak een verstandelijke ontwikkelingsachterstand, spierslapte, convulsies en hartafwijkingen. De promovendus werkte aan D-2-HGA op genetisch, fysiologisch en klinisch niveau. Struijs ontwikkelde een snellere en eenvoudigere diagnostische test voor bepaling van de concentratie van D-2-HGA in urine. Daarnaast helderde hij voor een deel van de patiëntjes de genetische achtergrond op.

In zeven patiëntjes zijn ziekteverwekkende mutaties gevonden in het gen voor D-2-hydroxyglutaarzuur dehydrogenase. Dit gen codeert voor het enzym D-2-hydroxyglutaarzuur dehydrogenase, dat op zijn beurt verantwoordelijk is voor de omzetting van D-2-HG naar 2-ketoglutaarzuur. Met de opheldering van de reactie die leidt tot de stof waaruit D-2-HG gevormd wordt, is ook de aandoening bij deze zeven patiëntjes opgehelderd. Helaas biedt dit nog geen verduidelijking voor de onderliggende genetische defecten bij andere patiëntjes.

Struijs onderzocht ook de humane lever en gekweekte humane huidcellen (fibroblasten). Daarin vond de promovendus een enzym dat verantwoordelijk is voor de vorming van zowel D-2-HG als succinic semialdehyde uit de substraten 2-ketoglutaarzuur en gamma-hydroxyboterzuur (GHB). Het enzym speelt mogelijk een belangrijke (biochemische) rol bij het gebruik van GHB als party-drug en in de stofwisselingsziekte SSADH (succinic semialdehyde dehydrogenase deficiëntie).

Kaasbacteriën mogelijk basis malariavaccin

Bacteriën worden omringd door een stevige celwand die alleen met speciale enzymen kan worden afgebroken: de peptidoglycaanhydrolasen. Anton Steen beschrijft in zijn proefschrift de peptidoglycaanhydrolase AcmA van de kaasbacterie Lactococcus lactis. Dit enzym heeft naast een gedeelte dat betrokken is bij de afbraak van de celwand, een deel dat ervoor zorgt dat het enzym stevig aan de celwand gebonden wordt. Met behulp van de microscoop is vastgesteld dat AcmA niet overal aan de celwand bindt, maar alleen aan de uiteinden van de cel, daar waar na de celdeling de dochtercellen van elkaar gesplitst worden. Uit eerder onderzoek was al bekend dat AcmA betrokken is bij deze celsplitsing: een mutant van Lactococcus die geen AcmA meer maakt, is niet meer in staat de nieuwe dochtercellen helemaal van elkaar los te maken. Deze mutant groeit daarom in lange ketens van cellen.

Als de Lactococcus-cellen worden behandeld met zuur, blijkt dat daarna AcmA overal aan de celwand kan binden. Daarnaast kan het bindingsdomein van AcmA, met behulp van moleculair biologische technieken, worden vastgemaakt aan andere eiwitten. In dit proefschrift wordt bijvoorbeeld een eiwit dat aan de buitenkant van de malariaparasiet zit, vastgemaakt aan het bindingsdeel van AcmA. Daarna wordt dit eiwit gebonden aan met zuur behandelde cellen. Dit heeft dan als gevolg dat de buitenkant van deze Lactococcus-cellen lijkt op de buitenkant van de malariaparasiet. Doordat Lactococcus al eeuwen wordt gebruikt in de voedselindustrie weten we dat deze bacterie veilig gebruikt kan worden. Momenteel wordt daarom ook onderzocht of de Lactococcus met bijvoorbeeld malaria-eiwitten gebruikt kunnen worden als vaccin. Het malaria-eiwit wordt daarvoor eerst door genetisch gemanipuleerde bacteriën geproduceerd, waarna het eiwit wordt gebonden aan niet genetisch gemanipuleerde Lactococcus-cellen. Anton Steen (Assen, 1974) studeerde biologie in Groningen. Zijn promotieonderzoek deed hij binnen de vakgroep Moleculaire Genetica in de onderzoeksschool GBB, waar hij nog steeds werkzaam is. Enkele resultaten van zijn onderzoek zijn vastgelegd in een patent door Biomade. Dit bedrijf verricht onderzoek naar de toepassing van het bindingsdomein van AcmA in vaccins.

Enzymwerking van probiotische melkzuurbacteriën

Lukasz Ozimek bestudeerde enzymen van probiotische melkzuurbacteriën uit het menselijke maag-darmkanaal. Deze enzymen kunnen sucrose (tafelsuiker) omzetten in de polysachariden (fructanen) inuline en levaan. Hoewel deze enzymen overigens erg veel op elkaar lijken, bleken ze de levaan- en inulinesynthese op een zeer verschillende manier uit te voeren. Het inuline producerende enzym katalyseert een niet-processief reactiemechanisme, waarbij de groeiende fructaanketen na iedere keer dat een fructose-eenheid is toegevoegd, wordt losgelaten. Dit resulteert vooral in vorming van een serie van fructo-oligosachariden (FOS), en in een kleine hoeveelheid inuline. Het levaan vormende enzym daarentegen gebruikt een processief reactiemechanisme, waarbij de groeiende fructaanketen wordt vastgehouden door het enzym terwijl fructose-eenheden worden toegevoegd. Dit resulteert vrijwel uitsluitend in vorming van een groot polysacharide.

Het levaan, gemaakt bij groei van de bacterie op sucrose, wordt hoogstwaarschijnlijk door de cellen gebruikt om zich te hechten aan oppervlaktes (tanden) in de mond. Een bekend plantenfructaan is inuline dat in grote hoeveelheden gewonnen wordt uit cichorei en waaruit FOS gemaakt wordt in een tweede stap. FOS wordt niet verteerd door enzymen in de dunne darm, en komt dus in de dikke darm terecht, alwaar het afgebroken wordt door goedaardige bacteriën. Hierdoor wordt de groei van aan ziekte gerelateerde kwaadaardige bacteriën onderdrukt. FOS wordt steeds meer toegevoegd aan zuivelproducten (yoghurt). Inuline en FOS gemaakt door bacteriën uit sucrose, geïsoleerd uit suikerbieten dat in grote hoeveelheden in Noord-Nederland geproduceerd wordt, is een interessant alternatief voor plantinuline. Of synthese van FOS / inuline en levaan economisch levensvatbare processen zijn dient nog nader te worden onderzocht.

Lukasz Ozimek (Polen, 1976) studeerde biotechnologie aan de Wroclaw Universiteit. Zijn promotieonderzoek deed hij bij het Centre for Carbohydrate Bioprocessing (CCB) van de RUG, een samenwerkingsverband tussen de Groningen Biomolecular Sciences and Biotechnology Institute (GBB) van de RUG en de afdeling Innovative Ingredients and Products van TNO Quality of Life. Het onderzoek werd gefinancierd door het Ubbo Emmius Fonds en het Groningen Biomolecular Sciences and Biotechnology Institute.

Lichttherapie handeczeem evengoed thuis als in ziekenhuis

Handeczeem is een van de meest voorkomende huidaandoeningen: naar schatting een op de tien mensen heeft er tenminste een keer per jaar last van. Toch bestaat er geen standaardbehandeling. In zijn inventarisatie van 25 jaar handeczeembehandeling en -onderzoek ontdekte Marco van Coevorden veel verschillende behandelingskeuzes. Daarnaast stelde hij een eigen onderzoek vast dat een bepaalde vorm van lichttherapie (PUVA) evengoed thuis kan worden gedaan als in het ziekenhuis. Een patiënt mag verwachten dat hij de beste behandeling krijgt en dat zijn dermatoloog zich houdt aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Maar er is volgens de promovendus een gebrek aan onderzoek van goede kwaliteit. Een belangrijke oorzaak is dat er geen goede methode is om handeczeem te meten.

Uit Van Coevordens inventarisatie blijkt dat in de afgelopen 25 jaar hormooncrèmes of -zalven en ultraviolet licht het meest zijn toegepast. Hoewel nieuwe behandelingen in opkomst zijn, zoals calcineurinremmers (crèmes en zalven zonder corticosteroïden) en orale retinoïden (medicijnen die van vitamine A zijn afgeleid), is hun voordeel ten opzichte van deze standaardbehandelingen niet bewezen.

Afgezien van de jeuk vormt de zichtbaarheid van de huidafwijkingen een sociaal stigma en daarmee een grote last voor de patiënt. Van Coevorden ontdekte echter dat de tevredenheid van de patiënt niet gegarandeerd is als de behandeling alleen gericht is op de zichtbare afwijkingen van handeczeem. Kwaliteit van leven beslaat tot slot niet alleen de last die de patiënt van zijn aandoening ondervindt, maar ook de economische belasting. De promovendus stelt vast dat PUVA-lichttherapie die thuis met een draagbare gezichtsbruiner wordt uitgevoerd in plaats van in het ziekenhuis, tot lagere kosten en minder werkverzuim leidt, terwijl de effectiviteit even groot is.

Geen therapeutische meerwaarde voor anti-griepmiddel Tamiflu

Het geneesmiddel oseltamivir (Tamiflu), dat als kuur gebruikt kan worden bij de behandeling of ter preventie van influenza (griep), heeft voor (risico)patiënten geen therapeutische meerwaarde boven de gangbare behandelingen. Opname in het Geneesmiddelen Vergoedingsysteem (GVS), dat bepaalt of een middel voor vergoeding in aanmerking komt, is volgens het College voor zorgverzekeringen (CVZ) daarom niet aan de orde.

Psychosomatische fysiotherapie de schakel tussen lichaam en geest

Op 7 december j.l. is de Psychosomatische Fysiotherapie door het Koninklijk Genootschap van Fysiotherapie (KNGF) erkend als een specialisatie. De
psychosomatische fysiotherapeut heeft zich gespecialiseerd in het herkennen en beïnvloeden van de complexe relatie tussen bewegend functioneren en psychisch functioneren. In de behandeling van lichamelijke klachten zoals o.a. pijn en vermoeidheid, die een relatie hebben met psychosociale problemen.

Psychosomatische fysiotherapeuten hebben na hun studie fysiotherapie een drie jarige post HBO opleiding gevolgd, gericht op de behandeling van deze klachten. Psychosomatische klachten zijn lichamelijke klachten die verband houden met een verstoring in de balans tussen lichamelijke en psychische belasting in relatie tot de omgeving.

Veel klachten zijn onbegrepen of medisch niet te verklaren. Maar de patiënt heeft wel last of hij blijft klachten houden. De samenhang tussen de lichamelijke klachten en de psychische overbelasting is in eerste instantie vaak niet zo duidelijk. De lichamelijke signalen worden regelmatig eerst genegeerd of verkeerd geïnterpreteerd. Als de klachten na verloop van tijd toenemen, levert medisch onderzoek niet veel op. Een duidelijke medische diagnose is vaak niet te stellen. Dit kan een gevoel van onbegrip opleveren. De psychosomatisch werkende fysiotherapeut begeleidt het herstellen van het verstoorde evenwicht tussen spanning en ontspanning en tussen belasting en belastbaarheid bij lichamelijke klachten zoals o.a. pijn en vermoeidheid. Dit kan zijn door spanning, stress, verdriet en/of overbelasting.

Het doel van de therapie is:

  • Inzicht krijgen in de oorzaak van de klacht en in de factoren die mogelijk de klachten in stand houden.
  • Aanleren van ontspanning en bewust worden van de adem.
  • Het opvoeren van de belastbaarheid door gerichte langzaam toenemende fysieke belasting.
  • Het verfijnen van het gezonde lichaamsgevoel en lichaamsbewustwording.
  • Het aanvoelen en leren respecteren van grenzen, zowel lichamelijk als psychisch.
  • Beeldvorming met betrekking tot ziektebeleving en dagelijks functioneren.
  • Het stimuleren van gedragsverandering om op een andere manier om te gaan met klachten.
  • Bevorderen van het vertrouwen in het lichamelijk functioneren, waardoor zelfvertrouwen en zelfbeeld positief beïnvloed worden.

Het complexe karakter van problematiek rond psychosomatische klachten vraagt veelal om een samenwerking met deskundigen zoals verwijzend arts of specialist, de psycholoog, de bedrijfsarts en andere disciplines. Het op elkaar afstemmen van behandelplannen vergroot de kans op sneller herstel.

De domeinomschrijving en een beroepscompetentieprofiel zijn te lezen op www.kngf-nfp.nl. Het maakt het voor de verwijzer duidelijk welke patiënten op hun plaats zijn bij de psychosomatische fysiotherapeut. De behandeling kan zowel preventief als curatief gericht zijn. De Nederlandse vereniging voor Fysiotherapie volgens de Psychosomatiek (NFP), is een beroeps inhoudelijke vereniging van het KNGF. Zij hanteert een register van de geregistreerde psychosomatische fysiotherapeuten en bewaakt de kwaliteit- en
scholingseisen.

Dwarslaesiepatiënt houdt graag zelf controle over behandeling

Betere hand- en armfunctie belangrijk, maar niet tegen elke prijs

De hand- en armfunctie is een van de belangrijkste factoren in de kwaliteit van leven die dwarslaesiepatiënten ervaren. Toch weegt voor velen de kwaliteitsverbetering die te halen is, niet op tegen de zwaarte van de behandeling en revalidatie. Dit concludeert promovendus Govert Snoek van de Universiteit Twente in zijn proefschrift. Doorslaggevend is de invloed die de patiënt zelf heeft: kan hij dankzij een ingreep taken uitvoeren die hij zelf wil, of alleen maar standaardtaken? Individuele wensen en mogelijkheden
kunnen beter ingezet worden bij het maken van keuzen en het opstellen van protocollen, vindt Snoek, die zijn onderzoek heeft gedaan bij Roessingh Research and Development in Enschede, in samenwerking met het Medisch Spectrum Twente.Hij promoveert op 8 december aan de faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica.

De mate van zelfstandigheid van een dwarslaesiepatiënt hangt sterk af van de hoogte van de laesie: bij een 'hoge dwarslaesie' zijn niet alleen de benen maar ook de armen verlamd. Uit het onderzoek dat Snoek heeft gedaan onder 560 dwarslaesiepatiënten in Engeland en Nederland, blijkt dat een verbeterde hand- en armfunctie voor deze patiënten belangrijk is voor de de kwaliteit van leven die zij ervaren. Vergeleken met zes andere stoornissen tengevolge van de dwarslaesie scoort de verbeterde hand- en armfunctie even hoog als de verbetering in de blaas- en darmfunctie, waarvan al bekend was dat patiënten dit erg belangrijk vinden. Uit verder onderzoek bleek dat verbetering van arm en handfunctie een hogere waardering van de gezondheidstoestand geeft.

Eigen invloed
Ondanks deze hoge waardering kiest een deel van de patiënten nadrukkelijk niet voor een behandeling, terwijl zij hiervoor wel in aanmerking zou komen. Als één van de mogelijkheden tot verbetering van de handfunctie heeft Snoek de zogenaamde   Handmaster onderzocht: een apparaat voor elektrostimulatie waarmee bijvoorbeeld een grijpbeweging is te maken. Een belangrijk deel van de onderzochte patiënten is, met enkele maanden therapie, in staat een aantal gestandaardiseerde taken uit te voeren.
Doorslaggevend voor de motivatie om na deze maanden dóór te gaan met het apparaat is echter dat de patiënt in staat moet zijn zelf taken te definiëren die belangrijk voor hem of haar zijn. Andere behandelingen bestaan uit een operatieve ingreep, waarbij pezen worden verlegd of apparatuur wordt ingebracht voor kunstmatige spierstimulatie. De resultaten zijn goed, maar de behandeling is ingrijpend en revalidatie kan veel tijd kosten.

Een behandelaar mag dan geneigd zijn de functieverbetering voorop te stellen, voor de patiënt is dat niet vanzelfsprekend. Hij of zij baseert een keuze in gelijke mate op aspecten als 'tijd in het ziekenhuis', 'aantal maanden revalidatie'. Voor veertig procent van de ondervraagden is één behandeleigenschap bepalend voor de keuze. In de voorlichting aan patiënten en het opstellen van behandelprotocollen, kunnen behandelaars leren van de inzichten die Snoek nu onder patiënten heeft gekregen:
kennis van hun mogelijkheden en drijfveren zouden tot meer maatwerk moeten leiden, stelt hij. Op dit moment wordt bijvoorbeeld, als vervolg op dit onderzoek, gewerkt aan een beslissingsondersteunende website voor patiënten.

Spraakbutton langer goed door karnemelk en Yakult

Spraakprotheses blijven langer functioneren als gebruikers regelmatig karnemelk, Yakult of andere middelen met goede melkzuurbacteriën gebruiken. Dat ontdekte UMCG-onderzoekster Noortje Schwandt. Zij onderzocht bovendien een eenvoudiger manier om spraakprotheses te plaatsen, waardoor de belasting voor de patiënt sterk vermindert. Door het onderzoek zouden de kosten voor spraakprotheses met tachtig procent omlaag kunnen. Schwandt promoveert op 21 december aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Bij patiënten die worden geopereerd aan kanker van het strottenhoofd, moet het hele strottenhoofd, inclusief stembanden, verwijderd worden. Om na een dergelijke ingreep toch te kunnen praten, wordt gebruik gemaakt van een zogeheten tracheo-oesophageale shuntprothese, ook wel spraakprothese of spraakbutton genoemd. Deze protheses hebben één groot probleem: ze zijn erg gevoelig voor de vorming van een zogeheten biofilm met bacteriën en gisten, waardoor de levensduur van de button beperkt is. De spraakprothese moet gemiddeld binnen drie tot vier maanden worden vervangen, en er is een grote groep patiënten waarbij de prothese al binnen enkele weken moet worden vervangen.

Probiotica

Onderzoekers in het UMCG kwamen een aantal jaar geleden op het idee om het effect van dranken als karnemelk en Yakult te op de levensduur van spraakprotheses te onderzoeken. Dat gebeurde naar aanleiding van opmerkingen van gebruikers van de spraakbutton. Sommige patiënten gaven aan dat de prothese langer goed bleef werken als ze bijvoorbeeld karnemelk dronken of Turkse yoghurt aten. Onderzoek naar de werkzaamheid van dergelijke probiotica was tot dusverre alleen in het lab gedaan. Schwandt onderzocht het effect van de drankjes bij patiënten. Zij bewijst dat de methode echt werkt. Als patiënten dagelijks probiotica gebruiken, blijft hun spraakprothese gemiddeld anderhalf keer zo lang goed.

Biofilm

De melkzuurbacteriën in karnemelk en Yakult werken op twee manieren. In de eerste plaats zorgen de bacteriën voor een verlaging van de oppervlaktespanning in de biofilm waardoor deze makkelijker afgebroken kan worden. In de tweede plaats zorgen de bacteriën voor zogeheten competitieve adhesie: doordat zij zich vestigen op de spraakprothese is er voor andere bacteriën, schimmels en gisten minder plaats om te hechten en zich daar in leven te houden.

Prothese aanbrengen

Op dit moment zijn twee soorten protheses beschikbaar: de Provox 2 en de zogeheten Groningen Spraakprothese. De Groningse prothese heeft als voordeel dat hij langer blijft functioneren en aanmerkelijk veel goedkoper is dan de Provox. Het nadeel is dat de prothese met een draadje door de keel geplaatst moet worden, een voor patiënten zeer belastende methode. Schwandt onderzocht een manier om de Groningse spraakbutton van buitenaf te plaatsen. Daarbij maakte zij bovendien gebruik van het nieuwste model van de prothese, de zogeheten Groningen Ultra Low Resistance prothese, een model dat gebruikers minder weerstand geeft bij het spreken.

Elektrische prikkels niet effectief in voorstadium Alzheimer

Transcutane elektrische neurostimulatie (TENS) heeft geen positief effect op het geheugen en het affectieve gedrag bij mensen met milde cognitieve achteruitgang, in een voorstadium van de ziekte van Alzheimer (AD). Dat blijkt uit het proefschrift van Marijn Luijpen. TENS is een vorm van uni-sensorische stimulatie. Daarbij worden hersengebieden, waaronder delen die kwetsbaar zijn voor (pathologische) veroudering, via perifere zenuwbanen gestimuleerd met elektrische prikkels op de huid. Overigens bleek bij vergelijking met farmacologische behandelmethoden (medicatie), dat er geen verschil in effectiviteit bestaat tussen beide behandelingen.

Eerdere TENS-studies lieten zien dat deze niet-farmacologische behandelmethode verbetering bracht in het geheugen, het affectieve gedrag, en het rust-activiteits ritme van patiënten die lijden aan AD. Bovendien bleek de behandeling effectiever in een vroeg stadium van de ziekte. Op basis van deze resultaten onderzocht Luijpen de effecten van TENS in een preklinisch stadium van AD. In dit stadium is sprake van een milde cognitieve achteruitgang (MCI). Het doel van de studie was de klinische manifestatie van AD te vertragen of uit te stellen en zo het autonoom functioneren zolang mogelijk te bewaren. Luijpens placebo-gecontroleerde studie is uitgevoerd onder een grote populatie verzorgingshuisbewoners in Amsterdam. De resultaten bewijzen dat de TENS-behandeling geen positief effect had op het geheugen en het affectieve gedrag bij mensen met MCI. Wat betreft het rust-activiteitsritme werd een verbetering gevonden in een subgroep deelnemers; bij hen was dit ritme bij aanvang van de behandeling verstoord. Naast de klinische studie heeft Luijpen een omvangrijke meta-analyse uitgevoerd, waarin de effectiviteit van de bekendste farmacologische therapieën (medicatie) zijn vergeleken met niet-farmacologische vormen van interventie bij demente patiënten. Verrassend was dat de effectiviteit van farmacologische en niet-farmacologische behandelmethoden bij demente patiënten even groot bleek.

Medicijnen aan en uit zetten met een luidsprekertje

Medicijnen zijn vaak een schot hagel op doel. Een pilletje paracetamol onderdrukt niet alleen de kiespijn, maar drogeert meteen het hele lichaam. En een chemokuur, gericht op het terugdringen van tumorgroei, heeft soms ook zeer schadelijke effecten op een groot aantal vitale lichaamsfuncties. Ir. Henny Bruinewoud heeft een methode ontwikkeld om deze medicijnen lokaal te laten werken. Bovendien kan zij de lokale medicijnafgifte met een afstandbediening op basis van een ultrasone geluidsbron aan en uit zetten. Het betreft wetenschappelijk onderzoek, toepassing bij mensen zal nog zeker vijf jaar duren. Bruinewoud verdedigt donderdag 1 december haar proefschrift aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e).

Pijnstillers en kankerremmers
Bij pijnmedicatie is het soms van groot belang om snel een zeer hoge dosis pijnstillers voor een korte periode te kunnen activeren. Bijvoorbeeld bij pijnaanvallen bij kankerpatiënten, of bij postoperatieve pijnscheuten in het kniegewricht. Bovendien is het vaak belangrijk om voor een bepaalde periode een constant medicijnniveau in het lichaam aan te houden. Op dit moment kan dat alleen maar door veelvuldig te slikken of door vaak aan het infuus te hangen. Daarnaast kan de schade die pijnstillers of kankermedicijnen aan het lichaam kunnen toebrengen enorm zijn. Zo kan een hoge dosis morfine als sterke pijnstiller levensgevaarlijk zijn, en kunnen kankerremmers niet alleen tot haaruitval leiden, maar ook tot bijvoorbeeld een flinke teruggang van het menselijk afweersysteem.

Aan-uit knop
Om aan deze problemen een oplossing te bieden heeft Bruinewoud een geheel nieuwe methode ontwikkeld voor medicijnafgifte. Allereerst verpakt zij de medicijnen in een klein doosje. Het doosje wordt vervolgens bij de pijnbron of tumor in het lichaam als implantaat ingebracht. Het medicijndoosje is van een speciaal polymeermateriaal en wordt boven een bepaalde temperatuur poreus. Hierdoor kunnen de medicijnen het lichaam in stromen en hun werk verrichten. Een ultrasoon luidsprekertje kan, indien tegen het lichaam gedrukt, het medicijnpakketje verwarmen en de medicijnen vrijlaten. Als het geluid uit staat, sluit het medicijndoosje zich weer. Bruinewoud heeft hiermee een soort aan-uit knop ontwikkeld voor een lokale medicijnafgifte in het lichaam.

Koortsaanval
Hoewel het principe is bewezen, is het nog niet getest in het menselijk lichaam. Een van de uitdagingen die met vervolgonderzoek aangepakt worden is de overgangstemperatuur van het polymeermateriaal waarboven het doosje poreus wordt. Deze moet in de buurt van de 43o Celsius liggen. Niet daaronder, want dan zou bij een koortsaanval de medicijnen vrijgelaten worden, en niet veel daarboven, want dan zou het omliggende menselijk weefsel misschien te veel worden opgewarmd en beschadigd worden. Daarnaast moet het temperatuurgebied waarbij het doosje van gesloten naar poreuze toestand gaat nog flink worden ingekort. Bij haar promotieonderzoek was er nog sprake van een overgangsgebied van wel vijftien graden, dit moet worden teruggebracht naar enkele graden maximaal.

Op basis van de onderzoeksresultaten van Bruinewoud is al een eerste TU/e-startup opgericht. Dolphys Medical, onder leiding van TU/e-ingenieur Dirk van Asseldonk, is nu bezig met de ontwikkeling van een eerste medicijnafgifte systeem op basis van ultrasone geluidsbronnen. De eerste toepassing bij mensen zal nog minstens vijf jaren op zich laten wachten. Het wetenschappelijke vervolgonderzoek wordt uitgevoerd door de onderzoeksgroep onder leiding van prof.dr.ir. Jos Keurentjes van de faculteit Scheikundige Technologie aan de TU/e.

Eén jaar stoppen met roken verbetert klachten COPD patiënt

Wanneer patiënten met de longziekte COPD stoppen met roken, krijgen zij minder luchtwegklachten, terwijl cognitieve functies als reactiesnelheid en oog-handcoördinatie verbeteren en ook de kwaliteit van leven toeneemt. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Brigitte Willemse, uitgevoerd aan de afdelingen Pathologie en Longziekten van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Voor het onderzoek gebruikte Willemse een stoppen-met-roken programma met intensieve begeleiding, waarmee opmerkelijk goede resultaten geboekt worden. Iets meer dan de helft van de deelnemers is een jaar na het programma nog steeds gestopt met roken.

COPD is een verzamelnaam voor longemfyseem en chronische obstructieve bronchitis. Bij longemfyseem vermindert de elasticiteit van de longen, waardoor een patiënt kortademig wordt. Chronisch obstructieve bronchitis is een vernauwing van de luchtwegen, veroorzaakt door slijmophoping en verdikking van de luchtwegwand. Tabaksrook is de belangrijkste oorzaak van COPD: negentig procent van de patiënten heeft gerookt of rookt nog steeds. Naar schatting twintig procent van de rokers krijgt de ziekte.

Intensief programma
Voor haar onderzoek bestudeerde Willemse de longfunctie, luchtwegontsteking, luchtwegovergevoeligheid, luchtwegklachten, cognitieve functies en kwaliteit van leven van 63 rokers, zowel mensen mét als zonder de ziekte COPD. De proefpersonen volgden daarna gedurende een jaar een intensief programma om hen te helpen van het roken af te komen. De mensen die waren gestopt werden na twee, zes en twaalf maanden opnieuw onderzocht.

Tegenstelling
Bij COPD-patiënten die stoppen met roken verminderen luchtwegklachten en de overgevoeligheid van de luchtwegen. Hoewel de klachten afnemen, nemen bepaalde onderdelen van de ontsteking in de luchtwegen toe, een opvallende tegenstelling. Toch is een dergelijke toename van de ontsteking volgens de promovenda niet per se slecht. Een ontstekingsreactie kan ook bedoeld zijn om beschadigd weefsel te herstellen en kan dus na stoppen met roken een heel andere rol spelen dan daarvoor.

Begeleiding
Proefpersonen die meededen aan het onderzoek kregen gedurende een jaar intensieve begeleiding bij het stoppen met roken. Het programma is gebaseerd op een 9 weken durend stoppen-met-roken programma van de Stichting Volksgezondheid en Roken (STIVORO). Een van de opvallende conclusies uit het onderzoek is dat een dergelijke gericht programma een relatief hoog rendement heeft. Na één jaar was nog steeds 52 procent van de deelnemers van de sigaretten af. Dat dit echt zo was bleek uit urinemonsters van de deelnemers, die onderzocht werden op aanwezigheid van cotinine, een afbraakproduct van nicotine. “Mensen kregen tijdens het stoppen erg veel aandacht, dat heeft het wel makkelijker gemaakt, denk ik. Het kan ook zijn dat de deelname aan een wetenschappelijk onderzoek voor mensen een extra motivatie was om vol te houden”, aldus Willemse.

Curriculum Vitae
Brigitte Willemse (Nijmegen, 1973) studeerde milieugezondheidskunde in Maastricht. Ze verrichtte haar promotieonderzoek binnen het Groningen Research Institute for Asthma and COPD (GRIAC), aan de afdelingen Pathologie en Longziekten van het UMCG. Het onderzoek is gefinancierd door het Nederlands Astma Fonds (NAF) en de Stichting Astma Bestrijding (SAB). Momenteel loopt Willemse co-schappen in het UMCG. IN de zomer van 2006 begint zij met de vooropleiding interne geneeskunde voor de opleiding tot longarts.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Meldingsplicht gevaarlijke producten in werking

Vanaf 1 december 2005 zijn bedrijven verplicht gevaarlijke producten te melden. Het gaat om het melden van producten die al in de handel zijn gebracht en waarbij sprake kan zijn van zodanige risico's voor de gebruiker dat maatregelen nodig zijn. Bedrijven moeten in de regel melden bij de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA). De meldingsplicht is vastgelegd in de Warenwet. Deze verplichting is ingevoerd als gevolg van de Europese Richtlijn Algemene Productveiligheid.

De kern van deze richtlijn is dat bedrijven verplicht zijn om uitsluitend veilige producten te verhandelen. Dit moet bijdragen aan een betere bescherming van de consument en een betere werking van de interne markt. Zo wordt onder andere de informatie-uitwisseling tussen overheden van EU-lidstaten verbeterd via het systeem van snelle informatieuitwisseling (RAPEX). Op de website van de VWA is voor bedrijven alle relevante informatie over de gewijzigde wetgeving te vinden, evenals een meldingsformulier en een document om te bepalen of een bedrijf meldingsplicht heeft.

MS diffuus verspreid door brein

De schade die ontstaat aan zenuwweefsel door de aandoening Multiple Sclerose (MS), is veel meer diffuus verspreid door de hersenen, dan is te verwachten op basis van gewone MRI-scans. Op zulke scans zijn vaak specifieke lokaties aan te wijzen waar het zenuwweefsel flink gedegenereerd is, maar er is geen duidelijk verband tussen de klinische toestand van patiënten en dergelijke beschadigingen. Door verschillende geavanceerde MRI-methoden te combineren, heeft Hugo Vrenken nu laten zien dat in normaal uitziend zenuwweefsel wel degelijk al pathologische processen plaatsvinden bij MS-patiënten.

Op MRI-scans van MS-patiënten is doorgaans de kenmerkende afbraak zichtbaar van myelineschedes rondom de uitlopers van hersencellen, en de degeneratie van deze uitlopers die daarop volgt (lesies). Op gewone MRI-plaatjes is een duidelijk onderscheid te zien tussen deze lesies en het omliggende weefsel. Dit betekent niet dat het omliggende weefsel gezond is, maar zenuwcellen die weinig beschadigd zijn, of waar andere pathologische processen in plaatsvinden, zijn op zulke plaatjes niet te zien. Vrenken gebruikte een combinatie van MRI-technieken, waarvan de gezamenlijke data helderheid geeft over de toestand van het weefsel op moleculair niveau. Zo kon hij aantonen dat in hersenweefsel dat normaal oogt, stoffen voorkomen en veranderingen optreden die geassocieerd zijn met MS.

Vrenken mat drie eigenschappen. Allereerst de zogeheten diffusie-eigenschappen van de hersenen, die lieten zien dat de myelineschedes van de uitlopers van hersencellen beschadigd zijn. Daarnaast keek de promovendus naar de zogeheten T1-relaxatietijd in de hersenen; daarin zijn in MS-patiënten grote veranderingen waargenomen ten opzichte van gezonde personen, maar het is moeilijk aan te geven welke processen hiervoor precies verantwoordelijk zijn. En tenslotte mat Vrenken MTR, een maat voor het in tact zijn van eiwitnetwerken in de myeline en de zenuwuitlopers. Dit liet zien dat de schade hieraan in de normaal-ogende witte stofgebieden beperkt is. Er treden dus in de normaal-ogende gebieden bij MS allerlei veranderingen op, maar in de witte stof lijkt de daadwerkelijke schade aan myeline en zenuwuitlopers beperkt

Bron: VU medisch centrum

Nieuwe methode om hartfalen te remmen

Hartfalen, waarbij het hart niet meer voldoende bloed door het lichaam kan pompen, is een ernstige ziekte. Veel mensen krijgen er in de loop van hun leven mee te maken als gevolg van diverse aandoeningen, zoals bijvoorbeeld een hartinfarct. Annemarieke Loot ontdekte in een dierexperimenteel onderzoek dat het hormoon angiotensine-(1-7) de ontwikkeling van hartfalen na een hartinfarct kan remmen. Bovendien heeft het tijdens de ontwikkeling van hartfalen een beschermend effect op de bloedvaten; niet alleen in het hart, maar ook in de rest van het lichaam. De promovendus ontwikkelde bovendien een methode om in de toekomst via gentherapie het hart zelf meer ang-(1-7) te laten aanmaken.

Ang-(1-7) heeft slechts één aminozuur minder dan het bekende hormoon angiotensine II dat betrokken is bij het uiteindelijke ontstaan van hartfalen. Veel van de huidige geneesmiddelen voor hart- en vaatziekten zijn gericht op het voorkomen van de vorming van ang II en de effecten ervan. Dit zijn de zogeheten ACE-remmers. Ang-(1-7) kan de nadelige effecten van ang II tegengaan en ACE-remmers verhogen de hoeveelheid ang-(1-7) in het bloed.

Gentherapie zou een mogelijke oplossing kunnen zijn voor hartfalen, maar daarvoor moet het goede DNA-materiaal op de juiste plaats in het lichaam worden afgeleverd. Virussen zijn goede dragers van dit materiaal, omdat ze in staat zijn celkernen binnen te dringen. Loot ontdekte dat het Semliki Forest Virus (SFV) geschikter is dan het adenovirus. Wanneer het SFV in het hart wordt toegediend bereikt het een groot aantal hartcellen, terwijl het andere organen zoals de lever ongemoeid laat.

Annemarieke Loot (Arnhem, 1975) studeerde farmacie in Groningen. Ze verrichtte haar promotieonderzoek bij de disciplinegroep Klinische Farmacologie en de onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd gefinancieerd door het Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland (ICIN). Momenteel is Loot werkzaam als postdoc bij de vakgroep Kardiovaskuläre Physiologie van de J.W. Goethe Universität in Frankfurt am Main.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Verpleegkundige levert minstens even goede diabeteszorg als arts

Patiënten met diabetes type 2 (voorheen `ouderdomsdiabetes') hebben een grote kans op complicaties en staan daarom onder regelmatige controle. Ongeveer 850 duizend mensen in Nederland hebben diabetes en artsen kunnen de diabeteszorg niet alleen aan. Bas Houweling ontdekte dat verpleegkundigen een groot deel van deze diabeteszorg heel goed kunnen overnemen van artsen. De zorg blijft kwalitatief even goed en de patiënten zijn zelfs meer tevreden. De maatregel zal een kostenbesparing kunnen opleveren en past bovendien in het kabinetsbeleid. Minister Hoogervorst heeft, gezien het verwachte artsentekort, taakverschuiving in de diabeteszorg hoog op de politieke agenda gezet.

Houweling vergeleek voor zijn onderzoek twee groepen patiënten: de ene helft werd door een arts behandeld, de andere door een verpleegkundige. De verpleegkundigen hadden altijd de mogelijkheid om met een arts te overleggen en konden bij het voorschrijven van geneesmiddelen gebruik maken van protocollen, gebaseerd op de Nederlandse diabetesrichtlijnen. De promovendus onderzocht vervolgens of de medische behandeling, kwaliteit van leven, diabetesgerelateerde klachten en tevredenheid van patiënten ten minste gelijk zijn aan die van de door artsen geleverde zorg. Zowel patiënten die bij de huisarts komen, als degenen die zijn doorverwezen naar een internist blijken minstens evengoed te worden behandeld wanneer de taken zijn overgenomen door respectievelijk een praktijkondersteuner en een diabetesverpleegkundige.  

Bas Houweling (Woerden, 1971) studeerde geneeskunde in Groningen. Hij verrichtte zijn onderzoek binnen het NCG (Noordelijk Centrum voor Gezondheidsvraagstukken) en was daarvoor via de vakgroep Huisartsgeneeskunde gedetacheerd op de diabetespolikliniek van de Isala Klinieken in Zwolle. Het onderzoek is financieel mogelijk gemaakt door het Medisch Research Fonds Zwolle, de Stuurgroep Zorgvernieuwing van de Isala Klinieken en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Momenteel is Houweling huisarts in opleiding bij de huisartsopleiding in Groningen.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Zwangerschapsmisselijkheid mogelijk voorbode van depressie

Promotie verloskundige Hennie Wijnen

Verloskundigen zouden meer oog moeten hebben voor angsten en depressies van zwangere vrouwen, en niet alleen moeten letten op medische en verloskundige factoren. Dat betoogt Hennie Wijnen in haar proefschrift, waarop ze 6 december promoveert. Verloskundigen moeten vooral alert zijn op ochtendmisselijkheid. Vaak wordt verondersteld dat dit 'erbij hoort', maar in feite geven de vrouwen daarmee een psychisch signaal af: ze lopen een hoog risico op depressieve en angststoornissen tijdens de zwangerschap, wat kan leiden tot postnatale depressies.

Sinds eind jaren tachtig worden grote groepen vrouwen uit de Kempen tijdens hun zwangerschap en na de bevalling onderzocht. Daarbij is gekeken of er relaties zijn tussen depressies, schildklierfuncties, problemen bij de bevalling en ontwikkeling van kinderen. Het promotieonderzoek van verloskundige Hennie Wijnen is een vervolg op deze 'Kempen-studies'. Zij onderzocht duizend vrouwen tijdens hun zwangerschap en kraambed; hun kinderen worden de komende tien jaar in de gaten gehouden. Meer concreet keek Wijnen naar het welbevinden van de moeder (tijdens de zwangerschap en het kraambed), het functioneren van de schildklier en de ontwikkeling van het kind. Niet alleen biologische maar ook psychologische factoren bepalen het welbevinden van de zwangere vrouw, constateert Wijnen.

Die conclusie is van groot belang voor de zogenoemde risicoselectie. Verloskundige zorg voor zwangere vrouwen met een laag risico wordt in Nederland hoofdzakelijk verricht door eerstelijns verloskundigen. Zij maken bovendien een selectie van vrouwen die in de eerstelijns zorg kunnen blijven en eventueel thuis kunnen bevallen, en vrouwen die moeten worden doorverwezen naar de tweedelijns zorg. Voor deze selectie worden doorgaans alleen medische en verloskundige criteria gebruikt, zoals hoge bloeddruk, (laag) gewicht van de ongeborene en zwangerschapsdiabetes. Wijnen pleit ervoor om bij de risicoselectie ook psychologische factoren te betrekken.

Zo blijkt uit haar onderzoek dat de ernst van misselijkheid en braken tijdens de zwangerschap voornamelijk afhangt van psychologische factoren. Ernstige symptomen kunnen een teken zijn van psychopathologie, wat op zijn beurt de kans op angst en depressie verhoogt. Deze laatste twee zijn niet alleen een risico voor verloskundige, foetale en neonatale complicaties, maar ook voor een verstoorde ontwikkeling van het kind.
Daarom is het van belang vrouwen op te sporen met hoge intensiteit van symptomen van misselijkheid en braken. Hoewel dit 'normaal' wordt geacht, kan het toch duiden op psychoneuroticisme. Ook dienen vrouwen met grote angsten, vooral in laatste drie maanden van zwangerschap te worden opgespoord, evenals vrouwen met ernstige depressieve symptomen tijdens diverse momenten in de zwangerschap. Depressie en angst kunnen volgens Wijnen chronische aandoeningen worden en hoe eerder deze vrouwen met een hoog risico zijn opgespoord, des te eerder kan worden begonnen met de behandeling. Het opsporen kan eenvoudig geschieden aan de hand van vragenlijsten.

Hennie Wijnen (1950, Horst-Melderslo) haalde in 1972 het diploma Verpleegkundige A. Drie jaar later studeerde ze aan de Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen af als verloskundige. Ook studeerde ze enkele jaren filosofie (Rijksuniversiteit Groningen). Sinds 1982 werkt Wijnen als eerstelijns verloskundige in Veldhoven. Zij is vanaf 1988 betrokken geweest bij de Kempenstudies. De resultaten van deze studies zijn door Wijnen op een aantal internationale congressen gepresenteerd, zoals in Cambridge, Basel, Oslo en Iowa.

Bron: Universiteit van Tilburg

 

 

 


 


View My Stats