Nieuws dec 2005
Unieke poli voor bloed in de
urine
Het AMC opent de eerste polikliniek in
Nederland voor mensen met bloed in de urine, ofwel hematurie. Bloed in de urine kan
diverse oorzaken hebben, waaronder nierkanker, blaaskanker, nierstenen en
urineweginfecties. Soms is dus haast geboden. Op de nieuwe poli probeert men patiënten
binnen een week te zien en de diagnose nog dezelfde dag te stellen, tenzij aanvullend
onderzoek nodig is. Daarmee wordt het traject van diagnose en behandeling met gemiddeld
zes tot acht weken bekort.
Van de mannen ouder dan 35 jaar en de
vrouwen boven de 55 jaar heeft dertien procent bloed in de urine, soms zichtbaar en soms
alleen aantoonbaar met laboratoriumonderzoek. Op de hematuriepoli wordt met behulp van een
diagnoseprotocol vastgesteld wat de oorzaak zou kunnen zijn. De spreekuren vinden elke
vrijdag plaats. Met een serie urologische onderzoeken tracht men nog diezelfde dag vast te
stellen of al dan niet sprake is van nierkanker, blaaskanker, nierstenen of een
blaasontsteking. We verwachten dat negentig procent van de patiënten die dag te
horen krijgt wat er aan de hand is, zegt prof. Jean de la Rosette, hoofd van de
afdeling Urologie van het AMC. Eventueel aanvullend onderzoek gebeurt binnen twee
weken. Is de diagnose bekend, dan kan binnen drie weken met gerichte therapie worden
begonnen.
Door de snellere diagnose en behandeling
neemt de kans op genezing van patiënten met kanker toe. Dat is met name van belang voor
mensen met niercelcarcinoom. Deze vorm van kanker wordt in Nederland gemiddeld in een
later stadium geconstateerd dan in andere Europese landen, waardoor een niersparende
operatie vaak niet meer mogelijk is.
Naast diagnostiek en behandeling richt de nieuwe polikliniek zich ook op wetenschappelijk
onderzoek naar nieuwe behandelmethoden voor nierkanker, blaastumoren en nierstenen.
Daarbij ligt de nadruk op minimaal invasieve technieken.
EU beloont groot onderzoek naar
herstel
Met een omvangrijke subsidie van 11,4
miljoen euro van de Europese Unie start in januari 2006 een grote studie naar de
ontwikkeling en differentiatie van hartspiercellen, getiteld HeartRepair. Het AMC
coördineert het onderzoek dat wordt uitgevoerd met verschillende gerenommeerde
wetenschappelijke instellingen in Europa. De resultaten moeten uiteindelijk bijdragen aan
een verbetering van de behandeling met stamcellen bij patiënten die na een hartinfarct
kampen met hartfunctiestoornissen.
Het onderzoek, met de titel Heart Failure
and Cardiac Repair, kortweg HeartRepair, richt zich vooral op basale mechanismen.
Door in embryonale harten te kijken naar de ontwikkeling van hartspiercellen willen
we meer kennis vergaren over de manier waarop we bij patiënten nieuwe cellen van het
juiste type kunnen maken, zegt prof.dr. Antoon Moorman in het AMC Magazine, dat
vandaag verschijnt. Moorman is hoogleraar Embryologie en moleculaire biologie van hart- en
vaatziekten in het AMC en coördinator van HeartRepair.
Bij een hartinfarct sterft een deel van
de hartspiercellen, waardoor de hartfunctie verstoord raakt. Het beschadigde weefsel
vervangen door nieuwe cellen lijkt een even simpele als doeltreffende behandeling. De
afgelopen jaren is veel onderzoek gedaan naar stamceltherapie. Hoewel het potentieel van
dit soort onderzoek enorm groot is, zijn de resultaten tot nu toe teleurstellend. Om
stamceltherapie echt effectief te maken is volgens Moorman meer basale kennis nodig.
Daarom gaan de onderzoekers bij
patiënten met aangeboren hartafwijkingen op zoek naar nieuwe genen die een rol spelen bij
de groei van het hart. Daarnaast kijken zij welke mechanismen bepalen dat een stamcel een
werkende hartspiercel wordt, of een hartspiercel die belangrijk is voor
elektrische activatie van het hart. Een andere onderzoekslijn richt zich op de vraag
waarom hartfibroblasten (bindweefselcellen) zich na de embryonale fase niet meer tot
hartspiercel kunnen ontwikkelen, maar in het embryo wel. Al deze kennis gebruiken de
wetenschappers voor het ontwerpen van nieuwe technieken, waarmee stamcellen ertoe aangezet
kunnen worden om hartspiercellen te vormen.
Aan deze studie werken ruim 25
laboratoria en instituten uit heel Europa mee. Naast het AMC zijn dat onder meer het LUMC,
het Hubrecht Laboratorium van de KNAW, het Max Planck Institute for Molecular Genetics,
het European Informatics Institute, het Institute Pasteur en de University of London.
Herkennen maligne stamcellen
mogelijk
Onderzoekers van VU medisch centrum zijn
in staat stamcellen te herkennen die zich hebben ontwikkeld tot kankercellen. Hiermee is
een belangrijke stap gezet tot effectieve behandelingsmogelijkheden tegen Acute Myeloïde
leukemie (AML), een veel voorkomende vorm van leukemie. De VUmc onderzoekers verzorgden
dan ook een prominente lezing tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de American
Society of Hematology, het meest prestigieuze hematologie congres.
Hematologische stamcellen zijn zeldzaam
en daarom moeilijk te vinden. Zij zijn te herkennen aan de hand van eiwitmarkers op het
celoppervlak. De onderzoekers stelden vast dat de marker C-type lectin-like molecule
(CLL-1) wel op AML stamcellen maar niet op gewone stamcellen voorkomt.
In het beenmerg bevinden de normale
stamcellen zich in een compartiment gekenmerkt door de marker CD34 en waarbij de marker
CD38 ontbreekt. AML stamcellen hebben deze zelfde kenmerken, waardoor onderscheid van
normale stamcellen moeilijk is.
Uit eerder VUmc onderzoek was gebleken
dat CLL-1 zich in ongeveer 90% van de gevallen op leukemie cellen van AML patiënten
bevindt. Uit dit vervolgonderzoek bleek dat dit ook voor de CD34-positieve en CD38-
negatieve AML stamcellen geldt. De onderzoekers toonden dit aan met een antilichaam
gericht tegen CLL-1. Zij ontdekten bovendien dat de normale CD34-positieve-, CD38-
negatieve stamcellen, die zich na intensieve chemotherapie nog in het beenmerg van de AML
patiënt bevinden, het eiwit CLL-1 niet tot expressie brengen.
In de toekomst zou het daarom mogelijk
kunnen zijn een toxische stof aan deze antistof te hangen, waardoor de leukemie stamcel
selectief zou kunnen worden uitgeschakeld. Daarnaast kan met de kennis over de expressie
van CLL-1 de kans op recidieven beter worden bepaald.
In Nederland zijn er per jaar 450 nieuwe
patiënten met Acute Myeloïde Leukemie. Ongeveer 50% van de volwassen patiënten en 40%
van de kinderen overleeft de ziekte niet. Van de patiënten boven de zestig jaar overlijdt
90%. Veel van hen sterven ondanks intensieve chemotherapie aan nieuwe uitgroei van de
leukemie. Deze uitgroei ontstaat zeer waarschijnlijk vanuit de stamcel. Meer kennis over
het ontstaan en de karakterisering van maligne stamcellen werd daardoor al lange tijd als
essentieel gezien.
De uitkomsten van het onderzoek zijn van
groot belang voor de kennis over maligne stamcellen bij andere tumoren. Omdat bloed en
beenmerg relatief gemakkelijk te verkrijgen zijn, leidt onderzoek naar hematologische
tumoren vaak sneller tot baanbrekende resultaten.
Geen verwijzing meer nodig voor
fysiotherapie in 2006
Per 1 januari 2006 is er geen
verwijsbrief meer nodig van de huisarts voor fysiotherapie. De minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft op basis van een advies van het College voor
Zorgverzekeringen (CVZ) besloten om de fysiotherapie direct toegankelijk te maken voor
patiënten.
Aanpassing Wet BIG
De Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG) zal worden aangepast zodat ook de
kwaliteit van de fysiotherapie gewaarborgd is. Door aanpassing van de Wet BIG maakt de
minister van VWS de fysiotherapeut bevoegd om zelfstandig de burger in behandeling te
nemen. Uit experimenten van College voor Zorgverzekeringen (CVZ) is helder gebleken dat de
fysiotherapeut voldoende kennis en vaardigheden heeft om op verantwoorde wijze, de intake
van de burger met een bewegingsklacht op zich te nemen.
Zorgverzekeraar beslist over opname in
zorgverzekering
De aanpassing van de Wet Big heeft geen relatie met het verzekeringspakket van de
zorgverzekeraars. Een zorgverzekereraar heeft de vrijheid om directe toegankelijkheid tot
fystiotherapie wel of niet te regelen in de maatschappijpolis. De Zorgverzekeringswet die
per 1 januari 2006 van kracht wordt, biedt ruimte aan de zorgverzekeraars om hun eigen
polisvoorwaarden in te richten.
Voor de specifieke invulling,
contractering en daarmee het welslagen van directe toegankelijkheid van fysiotherapie,
ligt de verantwoordelijkheid bij fysiotherapeuten en zorgverzekeraars.
Combinatie van technieken
bevestigt verspreiding ziekteproces in hersenen MS-patiënten
Subtiele ziekteprocessen in hersenen van
MS-patiënten kunnen zichtbaar worden gemaakt door een toepassing van geavanceerde
MRI-technieken. Natuurkundige Hugo Vrenken promoveerde dinsdag 6 december jl. aan het VU
medisch centrum op zijn onderzoek waarin hij met behulp van zogenoemde kwantitatieve
MRI-technieken veranderingen in het zenuwstelsel aantoonde die met gewone MRI
niet zichtbaar zijn.
De resultaten bevestigen het vermoeden
dat MS ook veranderingen in het zenuwstelsel veroorzaakt in gebieden die op
gewone MRI-beelden normaal lijken te zijn. Op MRI-scans van MS-patiënten zijn
doorgaans witte vlekken zichtbaar lesies genoemd - waarin de kenmerkende afbraak
plaatsvindt van myelineschedes rondom de uitlopers van hersencellen en de daarop volgende
degeneratie van de uitlopers. Op gewone MRI-plaatjes is een duidelijk onderscheid te zien
tussen deze lesies en het omliggende weefsel. Vrenken was in staat om op moleculair niveau
dit omliggende weefsel zichtbaar te maken. Hij toonde aan dat in het hersenweefsel van
MS-patiënten stoffen voorkomen en veranderingen optreden die geassocieerd zijn met
Multiple Sclerose.
Urologie VU medisch centrum
opereert prostaatkanker met robot
Da Vinci voorkomt onnodige complicaties.
De afdeling urologie van VU medisch
centrum opereert niet uitgezaaide prostaatkanker met de Da Vinci robot. Hiermee kunnen
complicaties als impotentie en incontinentie als gevolg van de operatie in hoge mate
voorkomen worden. Dit stelde hoogleraar urologie Bart Bemelmans in zijn inaugurele rede.
Met de robot is net als met
laparoscopische chirurgie of een kijkoperatie minimaal invasieve chirurgie mogelijk. Met
behulp van kleine sneetjes en langwerpige instrumenten kan de chirurg zijn werk in het
lichaam verrichten. Via een beeldscherm ziet hij waar hij de instrumenten beweegt. Grote
voordelen van de robotchirurgie zijn dat de instrumenten buigbaar zijn, zodat de chirurg
beter achter een weefsel structuur kan komen, de beweging die de chirurg maakt overeen
komt met de richting die hij of zij in het lichaam wil volgen en het een stereoscopisch
beeld oplevert, waardoor de chirurg de structuren driedimensionaal ziet.
De grootste winst op de klassieke
open chirurgie, is dat daarbij meer dan de helft van de mannen als gevolg van
prostatectomie impotent wordt, terwijl dit met de Da Vinci robot aanzienlijk minder is.
De clinique Saint Augustin in Bordeaux,
Frankrijk, boekt op dit moment in Europa de beste resultaten bij prostaatkanker operaties.
De kwaliteit van leven wordt groot gevonden, het aantal recidieven is klein en de
meerjaarsoverleving neemt nog steeds toe. Ook daar wordt sinds kort met een Da Vinci robot
geopereerd.
De afdeling urologie van VUmc is lange
tijd minimaal bezet geweest. Met de benoeming van professor Bemelmans en vijf collega
urologen is de urologie in VUmc weer een volwaardige afdeling geworden. Ook is hiermee de
urologie in de regio veel sterker ontwikkeld dan voorheen. De afdeling zet fors in op
voegdiagnostiek, robotgeassisteerde operaties en nieuwe therapieën voor uitgezaaide
tumoren.
Nieuwe methode om hartfalen te
remmen
Hartfalen, waarbij het hart niet meer
voldoende bloed door het lichaam kan pompen, is een ernstige ziekte. Veel mensen krijgen
er in de loop van hun leven mee te maken als gevolg van diverse aandoeningen, zoals
bijvoorbeeld een hartinfarct. Annemarieke Loot ontdekte in een dierexperimenteel onderzoek
dat het hormoon angiotensine-(1-7) de ontwikkeling van hartfalen na een hartinfarct kan
remmen. Bovendien heeft het tijdens de ontwikkeling van hartfalen een beschermend effect
op de bloedvaten; niet alleen in het hart, maar ook in de rest van het lichaam. De
promovendus ontwikkelde bovendien een methode om in de toekomst via gentherapie het hart
zelf meer ang-(1-7) te laten aanmaken.
Ang-(1-7) heeft slechts één aminozuur
minder dan het bekende hormoon angiotensine II dat betrokken is bij het uiteindelijke
ontstaan van hartfalen. Veel van de huidige geneesmiddelen voor hart- en vaatziekten zijn
gericht op het voorkomen van de vorming van ang II en de effecten ervan. Dit zijn de
zogeheten ACE-remmers. Ang-(1-7) kan de nadelige effecten van ang II tegengaan en
ACE-remmers verhogen de hoeveelheid ang-(1-7) in het bloed.
Gentherapie zou een mogelijke oplossing
kunnen zijn voor hartfalen, maar daarvoor moet het goede DNA-materiaal op de juiste plaats
in het lichaam worden afgeleverd. Virussen zijn goede dragers van dit materiaal, omdat ze
in staat zijn celkernen binnen te dringen. Loot ontdekte dat het Semliki Forest Virus
(SFV) geschikter is dan het adenovirus. Wanneer het SFV in het hart wordt toegediend
bereikt het een groot aantal hartcellen, terwijl het andere organen zoals de lever
ongemoeid laat.
Annemarieke Loot (Arnhem, 1975) studeerde
farmacie in Groningen. Ze verrichtte haar promotieonderzoek bij de disciplinegroep
Klinische Farmacologie en de onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd gefinancieerd door
het Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland (ICIN). Momenteel is Loot werkzaam
als postdoc bij de vakgroep Kardiovaskuläre Physiologie van de J.W. Goethe Universität
in Frankfurt am Main.
Verkoudheidsvirus bestrijdt tumor
Er gloort hoop voor patiënten met een
maligne glioom (de meest levensbedreigende hersentumor) of een vergevorderd neuroblastoom
(een neurnoale tumor die vooral bij jonge kinderen voorkomt). In een gezamenlijk
onderzoeksproject van het VU Medisch centrum en het Frans kankerinstituut Gustave Roussy,
heeft Birgit Geoeger onderzocht of genetisch veranderde virussen, afgeleid van een
verkoudheidsvirus, kunnen worden toegepast bij de behandeling van deze tumoren. De
resultaten zijn veelbelovend.
Geoerger gebruikte hiervoor zogenaamde
conditioneel replicerende adenovirussen (CRAds) die selectief kankercellen doden en
normale cellen sparen. Ze testte de werking van deze virussen in experimentele
tumorenmodellen, onder de huid van muizen. Belangrijke vondst is dat de therapie
effectiever werd, als de opname van het virus in de kankercellen verliep via receptoren
die veel op kankercellen voorkomen. De therapie verbeterde ook door toevoeging van het
zogeheten p53 - tumorsuppres sorgen, dat in veel kankercellen niet functioneel aanwezig
is. Veel dieren met een onderhuidse tumor werden door injectie met het virus volledig
genezen. Tevens komt naar voren dat de werking van CRAds wordt versterkt als de
behandeling wordt gecombineerd met bestraling. In dat geval kon met minder virusmateriaal
hetzelfde effect worden bereikt. Deze veelbelovende bevindingen zijn voor het VUmc
aanleiding om de werking van CRAds bij patiënten met een maligne glioom in de kliniek te
gaan onderzoeken.
Minister Hoogervorst zet
consument op verkeerde been
Minister Hoogervorst zet consumenten op
het verkeerde been met zijn uitspraak dat mensen goedkoper uit kunnen zijn als zij zich
niet aanvullend
verzekeren voor tandarts of fysiotherapeut. Het KNGF vindt deze uitspraak onbegrijpelijk
en ongenuanceerd. Meer dan 2,5 miljoen mensen maken jaarlijks gebruik van de
fysiotherapeut, de specialist in beweging. De minister vergeet bovendien dat fysiotherapie
in een vroeg stadium een hoop kosten achteraf bespaart.
Mensen zijn sneller weer aan het werk en
de patiënt hoeft niet uit te wijken naar zorg die ten koste gaat van de no-claim of eigen
risico. Veruit het grootste deel van de fysiotherapeutische zorg heeft namelijk geen
invloed op de no-claim en eigen risico. Dit gegeven alleen al bespaart de patiënt veel
geld indien hij aanvullend is verzekerd voor fysiotherapie.
Daarnaast maakt de minister de fout dat
er een groot risico is dat de patiënt uitwijkt naar duurdere alternatieven van zorg. Dit
zal ook zijn begroting negatief beïnvloeden. Zowel de consument als het ministerie van
VWS snijden zich in hun eigen vingers als mensen zich niet goed aanvullend verzekeren voor
fysiotherapie.
Opmerking : Dit is toch ook die
minister die zo graag de alternatieve geneeskunde om zeep wil helpen, zie hier. Denkt
Hoogervorst nu echt
dat de reguliere zorg goedkoper zal uitpakken als je vele nuttige behandelingen incl fysio
/ accupunctuur niet langer vergoedt? Beetje kortzichtig lijkt mij, is dit beleid?
Ron
De minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit (LNV) heeft Wageningen Universiteit en Researchcentrum gevraagd de
uitvoering van het zogeheten Co-innovatieprogramma Biologische afzetketens op zich te
nemen. Met het programma, waarvoor de minister middelen ter beschikking heeft gesteld en
waaraan het bedrijfsleven ook de helft bijdraagt, wil hij bereiken dat in 2007 biologische
producten een aandeel hebben van vijf procent in de consumentenbestedingen. Het programma
is gericht op het intensiveren van de consumentenvraag.
De minister heeft Wageningen UR gevraagd dit programma uit te voeren om daarmee de
samenhang te versterken met andere onderzoeksprogramma's van Wageningen UR. Het netwerk
van zowel Wageningen UR als van de Stichting AgroketenKennis (AKK) met het bedrijfsleven
wordt benut voor de ontwikkeling en uitvoering van projecten. Bij de uitvoering van het
programma, dat een looptijd heeft tot eind 2007, werkt Wageningen UR nauw samen met AKK en
de Task Force Marktontwikkeling Biologische Landbouw. De laatste besluit over de
aanvragen, waarbij ze wordt geadviseerd door diverse experts.. De aanvragen voor het
programma moeten een publiekprivaat karakter hebben, dat wil zeggen dat, naast de
overheidsfinanciering van 50 procent, projecten voor de overige helft door het
bedrijfsleven worden bekostigd.
Naast het stimuleren van de consumentenvraag naar biologische producten is het programma
gericht op innovatieve, biologische ketenprojecten en de vorming van duurzame samenwerking
binnen en tussen bedrijven en kennisinstellingen. Verder moet de opgedane kennis
doorwerken naar andere, niet direct betrokken bedrijven in de biologische afzetketen. Voor
het programma zijn speerpunten vastgesteld aan de hand waarvan projecten, waarvoor
aanvragen worden ingediend, worden beoordeeld. Die speerpunten zijn:
* Meerwaarden voor de consument van de producten moeten nadrukkelijk naar voren worden
gebracht;
* Verbetering van de efficiency in de productie moet leiden tot een lagere meerprijs van
het product;
* De consument moet kunnen vertrouwen in kwaliteit door de hele keten heen;
* Partijen in de keten moeten duurzaam samenwerken en elkaar's kennis en kunde optimaal
benutten;
* Producenten moeten inzetten op marktverbreding via export.
Wageningen Universiteit
Belangrijke mededeling over
Olvarit tuingroenten met rijst - Voedsel en Waren Autoriteit
Uit voorzorg heeft Nutricia Nederland
besloten om de partij Olvarit tuingroenten met rijst met houdbaarheidsdatum 03.08.2008 van
de markt te halen omdat een klein deel van deze partij niet voldoet aan de kwaliteitseisen
van Nutricia. Bij opening van enkele potjes zijn aan de buitenkant van het potje onder de
dekselrand zeer kleine glassplinters aangetroffen. Consumenten die een potje Olvarit
tuingroenten met rijst hebben gekocht met daarop de houdbaarheidsdatum 03.08.2008 (zie
deksel), wordt verzocht deze potjes weg te gooien. De deksel kan gratis naar Nutricia
worden verstuurd, waarna de aankoopkosten worden vergoed. Vergeet niet uw naam,
rekeningnummer en adres te vermelden.
Stuur de deksel naar:
Nutricia Nederland
Antwoordnummer 54001
5004 VB Tilburg
onder vermelding van Olvarit
Voor vragen kunt u bellen met het gratis
telefoonnummer 0800-0220822.
Geneesmiddelenconvenant 2006 en
2007 levert 1,8 miljard op
Het geneesmiddelenconvenant is verlengd
en uitgebreid. De partijen hebben vandaag een akkoord bereikt over een convenant voor 2006
en 2007. Dit heeft minister Hoogervorst van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vandaag
bekend gemaakt in een brief aan de Tweede Kamer. Met het nieuwe convenant wordt ¤ 843
miljoen in 2006 en vooralsnog ¤ 971 miljoen in 2007 bespaard. In 2004 was dat nog ruim ¤
600 miljoen. De besparingen lopen op tot ¤ 140 per huishouden in 2007.
Het definitieve bedrag voor 2007 is
afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek van het College Tarieven Gezondheidszorg/
Zorgautoriteit in oprichting (CTG/ZAio) naar de praktijkkosten en de kortingen en bonussen
die apotheekhoudenden realiseren. Het convenant vervangt kortingen en bonussen van
apotheekhoudenden door structurele prijsverlagingen. De Nederlandse Mededingingsautoriteit
(NMa) ziet geen mededingingsrechtelijke bezwaren. Het geneesmiddelenconvenant is getekend
tussen de Bond van generieke geneesmiddelenindustrie in Nederland (Bogin), de Nederlandse
Vereniging van de Research-georiënteerde Farmaceutische Industrie (Nefarma), de
Koninklijke Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP), Zorgverzekeraars Nederland
(ZN) en minister Hoogervorst. Voortzetting van het convenant biedt financiële voordelen
die de verzekerden ten goede komen.
De gemiddelde prijsverlaging van 40% voor
geneesmiddelen waarvan generieke varianten beschikbaar zijn of komen, zoals die gold in
2004 en 2005, wordt voortgezet. Daarnaast worden in zowel 2006 als in 2007 de prijzen
aanvullend verlaagd om de inkomsten uit kortingen en bonussen van apotheekhoudenden met
uiteindelijk ¤ 156 mln structureel te verminderen. Daarnaast faciliteert het convenant de
totstandkoming van een nieuw passend beloningssysteem voor apotheekhoudenden, dat
uiterlijk per 1 januari 2008 in werking treedt.
Tevens krijgen zorgverzekeraars meer
marktconforme sturingsmogelijkheden. Zo zal het systeem een prikkel voor doelmatig inkopen
gaan bevatten waardoor zorgverzekeraars beter in staat zullen zijn (prijs)afspraken met
apotheekhoudenden te maken. De convenantsperiode geeft de apotheekhoudenden de gelegenheid
hun bedrijfsvoering en financiering aan te passen.
Remedie tegen ernstige
vermoeidheid na het Guillain-Barré syndroom
Vermoeidheidsklachten als gevolg van het
Guillain-Barré syndroom kunnen blijvend verminderen na intensieve fietstraining. Dit
concludeert Marcel Garssen in zijn proefschrift Behandeling van GBS en oorzaken en
behandeling van het restverschijnsel vermoeidheid waar hij 14 december 2005 op promoveert
aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Het Guillain-Barré syndroom (GBS) is een
ernstige verlammingsziekte die in Nederland jaarlijks zo'n twee- tot driehonderd keer
voorkomt, vaak als gevolg van een voorafgaande infectieziekte. Een van de veroorzakers is
de campylobacter bacterie, een bacterie die o.a. kan voorkomen in onvoldoende verhit
kippenvlees. Een infectie met deze bacterie heeft een maag-darm infectie tot gevolg,
mogelijk leidend tot GBS. GBS presenteert zich in verschillende gradaties. 5 - 30% heeft
een milde vorm (kan nog zelfstandig lopen). 70 - 95% is heel ernstig aangedaan (wordt
rolstoelafhankelijk of bedlegerig) en 25% van deze laatste groep kan niet meer zelfstandig
ademen. Uiteindelijk overlijdt zon vijf procent van de ernstig aangedane groep
patiënten. Veelal treedt herstel op, maar wordt de patiënt toch geconfronteerd met
restverschijnselen. Een van de belangrijkste restverschijnselen is ernstige vermoeidheid.
Garssen heeft o.a. een groep van twintig
ernstig vermoeide patiënten onderzocht. Deze groep kreeg drie keer per week gedurende
twaalf weken een begeleide fietstraining aangeboden, waarbij de intensiteit wekelijks werd
opgevoerd. Na zes en na twaalf weken werden de deelnemers uitgebreid onderzocht. Het bleek
dat de fietstraining leidt tot significante verbetering op zowel lichamelijk als
geestelijk terrein. Zo nam bijvoorbeeld de vermoeidheid af met twintig procent en was
sprake van sterk verbeterde lichamelijke conditie, spierkracht en kwaliteit van leven.
Ruim twee jaar na afloop van de training bleken veel van deze trainingseffecten nog
onverminderd aanwezig.Hiernaast bleek ook dat mensen minder angstig waren en zelf ook het
initiatief namen om meer te bewegen. Dit doorbrak de negatieve spiraal.
Garssen concludeert o.a. dat vermoeidheid na GBS het gevolg is van een combinatie van
lichamelijke en geestelijke factoren en dat nu voor het eerst de mogelijkheid bestaat om
deze invaliderende vermoeidheidsklachten te behandelen. Promotor: prof.dr. P.A. van
Doorn, Neuromusculaire ziekten, in het bijzonder immuun-gemedieerde aandoeningen.
Gal oorzaak ontsteking in
Barrett-slokdarm
Galzuren spelen een rol bij het ontstaan
van chronische ontsteking in een Barrett-slokdarm. Tot deze conclusie komt Dorine Bax in
haar proefschrift Barrett's esophagus: a molecular characterization. Zij promoveerde op
vrijdag 9 december 2005 aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. De Barrett-slokdarm is
een aandoening waarbij het normale slijmvlies van de slokdarm verandert in een type
slijmvlies dat meer lijkt op dat van de darmen. De Barrett-slokdarm wordt veroorzaakt door
het oprispen van zuur en gal. Uiteindelijk kan deze aandoening ontaarden in kanker. Deze
afwijking komt voor bij een tot vijf procent van de westerse bevolking. De promovenda
heeft onder andere gekeken naar het effect van gal op het slijmvlies. Blootstelling aan
bepaalde galzuren leidt tot de productie van chemokines, eiwitten die ontstekingscellen
aantrekken. Dit verklaart de chronische ontsteking, die kenmerkend is voor een
Barrett-slokdarm. De toegenomen chemokine productie speelt mogelijk ook een rol bij het
ontstaan van slokdarmkanker. Ook naar het CDX2 eiwit heeft Dorine Bax onderzoek verricht.
Dit eiwit komt normaal alleen in de darmen voor. Uit het onderzoek blijkt dat het aanwezig
was in het Barrett-slijmvlies en ook in lage hoeveelheden in het normale
slokdarmslijmvlies van mensen met een Barrett-slokdarm. Dit wijst er op dat het CDX2 eiwit
een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van een Barrett slokdarm.
De beschreven veranderingen kunnen leiden tot nieuwe inzichten in het ontstaan van een
Barrett-slokdarm en slokdarmkanker en daarmee tot nieuwe mogelijkheden van preventie,
diagnose en behandeling. Promotor: prof.dr. E.J. Kuipers, Klinische gastro-enterologie
Beter scannen voorkomt
blijvende longschade bij patiënten met taaislijmziekte
Longafwijkingen bij patiënten met
taaislijmziekte of cystic fibrosis (CF) zijn op veel vroegere leeftijd aanwezig dan tot op
heden werd gedacht. Longfunctietesten en longfotoâs die tot nu toe de belangrijkste
testen waren, bleken de ernst van de longziekte fors te onderschatten. Met CT-scans kunnen
longafwijkingen op jongere leeftijd opgespoord worden en kan de ernst van de longziekte
beter worden ingeschat. Hoe eerder gestart wordt met behandeling, des te minder blijvende
schade houdt de patiënt. Dit concludeert Pim de Jong in zijn proefschrift Monitoren van
longziekte bij cystic fibrosis met computed tomografie, waarop hij 14 december 2005
promoveert aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
CF is een ernstige erfelijke longziekte
waarbij patiënten vaak al op jonge leeftijd overlijden door chronische longontsteking.
Hoewel de overleving de laatste 20 jaar aanzienlijk is toegenomen, worden CF-patiënten
toch gemiddeld niet ouder dan 35 jaar. Vroege opsporing van longschade is belangrijk om de
juiste behandeling te kunnen starten.
In het Erasmus MC â Sophia
Kinderziekenhuis worden sinds 1996 CT-scans gebruikt om longschade te voorkomen. De
CT-scans worden één keer per twee jaar gemaakt. Een scan van de long geeft een heel
gedetailleerd beeld van de afwijkingen. Uit het onderzoek van De Jong blijkt nu dat één
op de drie kinderen met CF met een normale longfunctie toch ernstige afwijkingen op de
CT-scan heeft. Bovendien waren longfunctiewaarden bij veel patiënten stabiel terwijl de
CT-scan een achteruitgang liet zien..
Verder is het gebruik van CT in
geneesmiddelenstudies een enorm winstpunt: er zijn minder patiënten nodig voor goed
onderzoek naar méér geneesmiddelen. De extra stralingsrisicoâs zijn berekend en blijven
ruim binnen de aanvaardbare grenzen.
Promotor: prof.dr. J.C. de Jongste,
Kindergeneeskunde, in het bijzonder kinderlongziekten
Stofwisselingsziekte bij kinderen
opgehelderd
Eduard Struijs onderzocht de
stofwisselingsziekte D-2-HGA (D-2-hydroxiglutaar acidurie). Kinderen die hieraan lijden,
hebben vaak een verstandelijke ontwikkelingsachterstand, spierslapte, convulsies en
hartafwijkingen. De promovendus werkte aan D-2-HGA op genetisch, fysiologisch en klinisch
niveau. Struijs ontwikkelde een snellere en eenvoudigere diagnostische test voor bepaling
van de concentratie van D-2-HGA in urine. Daarnaast helderde hij voor een deel van de
patiëntjes de genetische achtergrond op.
In zeven patiëntjes zijn
ziekteverwekkende mutaties gevonden in het gen voor D-2-hydroxyglutaarzuur dehydrogenase.
Dit gen codeert voor het enzym D-2-hydroxyglutaarzuur dehydrogenase, dat op zijn beurt
verantwoordelijk is voor de omzetting van D-2-HG naar 2-ketoglutaarzuur. Met de
opheldering van de reactie die leidt tot de stof waaruit D-2-HG gevormd wordt, is ook de
aandoening bij deze zeven patiëntjes opgehelderd. Helaas biedt dit nog geen
verduidelijking voor de onderliggende genetische defecten bij andere patiëntjes.
Struijs onderzocht ook de humane lever en
gekweekte humane huidcellen (fibroblasten). Daarin vond de promovendus een enzym dat
verantwoordelijk is voor de vorming van zowel D-2-HG als succinic semialdehyde uit de
substraten 2-ketoglutaarzuur en gamma-hydroxyboterzuur (GHB). Het enzym speelt mogelijk
een belangrijke (biochemische) rol bij het gebruik van GHB als party-drug en in de
stofwisselingsziekte SSADH (succinic semialdehyde dehydrogenase deficiëntie).
Kaasbacteriën mogelijk basis
malariavaccin
Bacteriën worden omringd door een
stevige celwand die alleen met speciale enzymen kan worden afgebroken: de
peptidoglycaanhydrolasen. Anton Steen beschrijft in zijn proefschrift de
peptidoglycaanhydrolase AcmA van de kaasbacterie Lactococcus lactis. Dit enzym heeft naast
een gedeelte dat betrokken is bij de afbraak van de celwand, een deel dat ervoor zorgt dat
het enzym stevig aan de celwand gebonden wordt. Met behulp van de microscoop is
vastgesteld dat AcmA niet overal aan de celwand bindt, maar alleen aan de uiteinden van de
cel, daar waar na de celdeling de dochtercellen van elkaar gesplitst worden. Uit eerder
onderzoek was al bekend dat AcmA betrokken is bij deze celsplitsing: een mutant van
Lactococcus die geen AcmA meer maakt, is niet meer in staat de nieuwe dochtercellen
helemaal van elkaar los te maken. Deze mutant groeit daarom in lange ketens van cellen.
Als de Lactococcus-cellen worden
behandeld met zuur, blijkt dat daarna AcmA overal aan de celwand kan binden. Daarnaast kan
het bindingsdomein van AcmA, met behulp van moleculair biologische technieken, worden
vastgemaakt aan andere eiwitten. In dit proefschrift wordt bijvoorbeeld een eiwit dat aan
de buitenkant van de malariaparasiet zit, vastgemaakt aan het bindingsdeel van AcmA.
Daarna wordt dit eiwit gebonden aan met zuur behandelde cellen. Dit heeft dan als gevolg
dat de buitenkant van deze Lactococcus-cellen lijkt op de buitenkant van de
malariaparasiet. Doordat Lactococcus al eeuwen wordt gebruikt in de voedselindustrie weten
we dat deze bacterie veilig gebruikt kan worden. Momenteel wordt daarom ook onderzocht of
de Lactococcus met bijvoorbeeld malaria-eiwitten gebruikt kunnen worden als vaccin. Het
malaria-eiwit wordt daarvoor eerst door genetisch gemanipuleerde bacteriën geproduceerd,
waarna het eiwit wordt gebonden aan niet genetisch gemanipuleerde Lactococcus-cellen.
Anton Steen (Assen, 1974) studeerde biologie in Groningen. Zijn promotieonderzoek deed hij
binnen de vakgroep Moleculaire Genetica in de onderzoeksschool GBB, waar hij nog steeds
werkzaam is. Enkele resultaten van zijn onderzoek zijn vastgelegd in een patent door
Biomade. Dit bedrijf verricht onderzoek naar de toepassing van het bindingsdomein van AcmA
in vaccins.
Enzymwerking van probiotische
melkzuurbacteriën
Lukasz Ozimek bestudeerde enzymen van
probiotische melkzuurbacteriën uit het menselijke maag-darmkanaal. Deze enzymen kunnen
sucrose (tafelsuiker) omzetten in de polysachariden (fructanen) inuline en levaan. Hoewel
deze enzymen overigens erg veel op elkaar lijken, bleken ze de levaan- en inulinesynthese
op een zeer verschillende manier uit te voeren. Het inuline producerende enzym katalyseert
een niet-processief reactiemechanisme, waarbij de groeiende fructaanketen na iedere keer
dat een fructose-eenheid is toegevoegd, wordt losgelaten. Dit resulteert vooral in vorming
van een serie van fructo-oligosachariden (FOS), en in een kleine hoeveelheid inuline. Het
levaan vormende enzym daarentegen gebruikt een processief reactiemechanisme, waarbij de
groeiende fructaanketen wordt vastgehouden door het enzym terwijl fructose-eenheden worden
toegevoegd. Dit resulteert vrijwel uitsluitend in vorming van een groot polysacharide.
Het levaan, gemaakt bij groei van de
bacterie op sucrose, wordt hoogstwaarschijnlijk door de cellen gebruikt om zich te hechten
aan oppervlaktes (tanden) in de mond. Een bekend plantenfructaan is inuline dat in grote
hoeveelheden gewonnen wordt uit cichorei en waaruit FOS gemaakt wordt in een tweede stap.
FOS wordt niet verteerd door enzymen in de dunne darm, en komt dus in de dikke darm
terecht, alwaar het afgebroken wordt door goedaardige bacteriën. Hierdoor wordt de groei
van aan ziekte gerelateerde kwaadaardige bacteriën onderdrukt. FOS wordt steeds meer
toegevoegd aan zuivelproducten (yoghurt). Inuline en FOS gemaakt door bacteriën uit
sucrose, geïsoleerd uit suikerbieten dat in grote hoeveelheden in Noord-Nederland
geproduceerd wordt, is een interessant alternatief voor plantinuline. Of synthese van FOS
/ inuline en levaan economisch levensvatbare processen zijn dient nog nader te worden
onderzocht.
Lukasz Ozimek (Polen, 1976) studeerde
biotechnologie aan de Wroclaw Universiteit. Zijn promotieonderzoek deed hij bij het Centre
for Carbohydrate Bioprocessing (CCB) van de RUG, een samenwerkingsverband tussen de
Groningen Biomolecular Sciences and Biotechnology Institute (GBB) van de RUG en de
afdeling Innovative Ingredients and Products van TNO Quality of Life. Het onderzoek werd
gefinancierd door het Ubbo Emmius Fonds en het Groningen Biomolecular Sciences and
Biotechnology Institute.
Lichttherapie handeczeem evengoed
thuis als in ziekenhuis
Handeczeem is een van de meest
voorkomende huidaandoeningen: naar schatting een op de tien mensen heeft er tenminste een
keer per jaar last van. Toch bestaat er geen standaardbehandeling. In zijn inventarisatie
van 25 jaar handeczeembehandeling en -onderzoek ontdekte Marco van Coevorden veel
verschillende behandelingskeuzes. Daarnaast stelde hij een eigen onderzoek vast dat een
bepaalde vorm van lichttherapie (PUVA) evengoed thuis kan worden gedaan als in het
ziekenhuis. Een patiënt mag verwachten dat hij de beste behandeling krijgt en dat zijn
dermatoloog zich houdt aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Maar er is volgens de
promovendus een gebrek aan onderzoek van goede kwaliteit. Een belangrijke oorzaak is dat
er geen goede methode is om handeczeem te meten.
Uit Van Coevordens inventarisatie blijkt
dat in de afgelopen 25 jaar hormooncrèmes of -zalven en ultraviolet licht het meest zijn
toegepast. Hoewel nieuwe behandelingen in opkomst zijn, zoals calcineurinremmers (crèmes
en zalven zonder corticosteroïden) en orale retinoïden (medicijnen die van vitamine A
zijn afgeleid), is hun voordeel ten opzichte van deze standaardbehandelingen niet bewezen.
Afgezien van de jeuk vormt de
zichtbaarheid van de huidafwijkingen een sociaal stigma en daarmee een grote last voor de
patiënt. Van Coevorden ontdekte echter dat de tevredenheid van de patiënt niet
gegarandeerd is als de behandeling alleen gericht is op de zichtbare afwijkingen van
handeczeem. Kwaliteit van leven beslaat tot slot niet alleen de last die de patiënt van
zijn aandoening ondervindt, maar ook de economische belasting. De promovendus stelt vast
dat PUVA-lichttherapie die thuis met een draagbare gezichtsbruiner wordt uitgevoerd in
plaats van in het ziekenhuis, tot lagere kosten en minder werkverzuim leidt, terwijl de
effectiviteit even groot is.
Geen therapeutische meerwaarde
voor anti-griepmiddel Tamiflu
Het geneesmiddel oseltamivir (Tamiflu), dat als kuur gebruikt kan worden bij de
behandeling of ter preventie van influenza (griep), heeft voor (risico)patiënten geen
therapeutische meerwaarde boven de gangbare behandelingen. Opname in het Geneesmiddelen
Vergoedingsysteem (GVS), dat bepaalt of een middel voor vergoeding in aanmerking komt, is
volgens het College voor zorgverzekeringen (CVZ) daarom niet aan de orde.
Psychosomatische fysiotherapie de
schakel tussen lichaam en geest
Op 7 december j.l. is de Psychosomatische
Fysiotherapie door het Koninklijk Genootschap van Fysiotherapie (KNGF) erkend als een
specialisatie. De
psychosomatische fysiotherapeut heeft zich gespecialiseerd in het herkennen en
beïnvloeden van de complexe relatie tussen bewegend functioneren en psychisch
functioneren. In de behandeling van lichamelijke klachten zoals o.a. pijn en vermoeidheid,
die een relatie hebben met psychosociale problemen.
Psychosomatische fysiotherapeuten hebben
na hun studie fysiotherapie een drie jarige post HBO opleiding gevolgd, gericht op de
behandeling van deze klachten. Psychosomatische klachten zijn lichamelijke klachten die
verband houden met een verstoring in de balans tussen lichamelijke en psychische belasting
in relatie tot de omgeving.
Veel klachten zijn onbegrepen of medisch
niet te verklaren. Maar de patiënt heeft wel last of hij blijft klachten houden. De
samenhang tussen de lichamelijke klachten en de psychische overbelasting is in eerste
instantie vaak niet zo duidelijk. De lichamelijke signalen worden regelmatig eerst
genegeerd of verkeerd geïnterpreteerd. Als de klachten na verloop van tijd toenemen,
levert medisch onderzoek niet veel op. Een duidelijke medische diagnose is vaak niet te
stellen. Dit kan een gevoel van onbegrip opleveren. De psychosomatisch werkende
fysiotherapeut begeleidt het herstellen van het verstoorde evenwicht tussen spanning en
ontspanning en tussen belasting en belastbaarheid bij lichamelijke klachten zoals o.a.
pijn en vermoeidheid. Dit kan zijn door spanning, stress, verdriet en/of overbelasting.
Het doel van de therapie is:
- Inzicht krijgen in de oorzaak van de
klacht en in de factoren die mogelijk de klachten in stand houden.
- Aanleren van ontspanning en bewust worden
van de adem.
- Het opvoeren van de belastbaarheid door
gerichte langzaam toenemende fysieke belasting.
- Het verfijnen van het gezonde
lichaamsgevoel en lichaamsbewustwording.
- Het aanvoelen en leren respecteren van
grenzen, zowel lichamelijk als psychisch.
- Beeldvorming met betrekking tot
ziektebeleving en dagelijks functioneren.
- Het stimuleren van gedragsverandering om
op een andere manier om te gaan met klachten.
- Bevorderen van het vertrouwen in het
lichamelijk functioneren, waardoor zelfvertrouwen en zelfbeeld positief beïnvloed worden.
Het complexe karakter van problematiek
rond psychosomatische klachten vraagt veelal om een samenwerking met deskundigen zoals
verwijzend arts of specialist, de psycholoog, de bedrijfsarts en andere disciplines. Het
op elkaar afstemmen van behandelplannen vergroot de kans op sneller herstel.
De domeinomschrijving en een
beroepscompetentieprofiel zijn te lezen op www.kngf-nfp.nl.
Het maakt het voor de verwijzer duidelijk welke patiënten op hun plaats zijn bij de
psychosomatische fysiotherapeut. De behandeling kan zowel preventief als curatief gericht
zijn. De Nederlandse vereniging voor Fysiotherapie volgens de Psychosomatiek (NFP), is een
beroeps inhoudelijke vereniging van het KNGF. Zij hanteert een register van de
geregistreerde psychosomatische fysiotherapeuten en bewaakt de kwaliteit- en
scholingseisen.
Dwarslaesiepatiënt houdt graag
zelf controle over behandeling
Betere hand- en armfunctie belangrijk,
maar niet tegen elke prijs
De hand- en armfunctie is een van de
belangrijkste factoren in de kwaliteit van leven die dwarslaesiepatiënten ervaren. Toch
weegt voor velen de kwaliteitsverbetering die te halen is, niet op tegen de zwaarte van de
behandeling en revalidatie. Dit concludeert promovendus Govert Snoek van de Universiteit
Twente in zijn proefschrift. Doorslaggevend is de invloed die de patiënt zelf heeft: kan
hij dankzij een ingreep taken uitvoeren die hij zelf wil, of alleen maar standaardtaken?
Individuele wensen en mogelijkheden
kunnen beter ingezet worden bij het maken van keuzen en het opstellen van protocollen,
vindt Snoek, die zijn onderzoek heeft gedaan bij Roessingh Research and Development in
Enschede, in samenwerking met het Medisch Spectrum Twente.Hij promoveert op 8 december aan
de faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica.
De mate van zelfstandigheid van een
dwarslaesiepatiënt hangt sterk af van de hoogte van de laesie: bij een 'hoge dwarslaesie'
zijn niet alleen de benen maar ook de armen verlamd. Uit het onderzoek dat Snoek heeft
gedaan onder 560 dwarslaesiepatiënten in Engeland en Nederland, blijkt dat een verbeterde
hand- en armfunctie voor deze patiënten belangrijk is voor de de kwaliteit van leven die
zij ervaren. Vergeleken met zes andere stoornissen tengevolge van de dwarslaesie scoort de
verbeterde hand- en armfunctie even hoog als de verbetering in de blaas- en darmfunctie,
waarvan al bekend was dat patiënten dit erg belangrijk vinden. Uit verder onderzoek bleek
dat verbetering van arm en handfunctie een hogere waardering van de gezondheidstoestand
geeft.
Eigen invloed
Ondanks deze hoge waardering kiest een deel van de patiënten nadrukkelijk niet voor een
behandeling, terwijl zij hiervoor wel in aanmerking zou komen. Als één van de
mogelijkheden tot verbetering van de handfunctie heeft Snoek de zogenaamde
Handmaster onderzocht: een apparaat voor elektrostimulatie waarmee bijvoorbeeld een
grijpbeweging is te maken. Een belangrijk deel van de onderzochte patiënten is, met
enkele maanden therapie, in staat een aantal gestandaardiseerde taken uit te voeren.
Doorslaggevend voor de motivatie om na deze maanden dóór te gaan met het apparaat is
echter dat de patiënt in staat moet zijn zelf taken te definiëren die belangrijk voor
hem of haar zijn. Andere behandelingen bestaan uit een operatieve ingreep, waarbij pezen
worden verlegd of apparatuur wordt ingebracht voor kunstmatige spierstimulatie. De
resultaten zijn goed, maar de behandeling is ingrijpend en revalidatie kan veel tijd
kosten.
Een behandelaar mag dan geneigd zijn de
functieverbetering voorop te stellen, voor de patiënt is dat niet vanzelfsprekend. Hij of
zij baseert een keuze in gelijke mate op aspecten als 'tijd in het ziekenhuis', 'aantal
maanden revalidatie'. Voor veertig procent van de ondervraagden is één
behandeleigenschap bepalend voor de keuze. In de voorlichting aan patiënten en het
opstellen van behandelprotocollen, kunnen behandelaars leren van de inzichten die Snoek nu
onder patiënten heeft gekregen:
kennis van hun mogelijkheden en drijfveren zouden tot meer maatwerk moeten leiden, stelt
hij. Op dit moment wordt bijvoorbeeld, als vervolg op dit onderzoek, gewerkt aan een
beslissingsondersteunende website voor patiënten.
Spraakbutton langer goed door
karnemelk en Yakult
Spraakprotheses blijven langer
functioneren als gebruikers regelmatig karnemelk, Yakult of andere middelen met goede
melkzuurbacteriën gebruiken. Dat ontdekte UMCG-onderzoekster Noortje Schwandt. Zij
onderzocht bovendien een eenvoudiger manier om spraakprotheses te plaatsen, waardoor de
belasting voor de patiënt sterk vermindert. Door het onderzoek zouden de kosten voor
spraakprotheses met tachtig procent omlaag kunnen. Schwandt promoveert op 21 december aan
de Rijksuniversiteit Groningen.
Bij patiënten die worden geopereerd aan
kanker van het strottenhoofd, moet het hele strottenhoofd, inclusief stembanden,
verwijderd worden. Om na een dergelijke ingreep toch te kunnen praten, wordt gebruik
gemaakt van een zogeheten tracheo-oesophageale shuntprothese, ook wel spraakprothese of
spraakbutton genoemd. Deze protheses hebben één groot probleem: ze zijn erg gevoelig
voor de vorming van een zogeheten biofilm met bacteriën en gisten, waardoor de levensduur
van de button beperkt is. De spraakprothese moet gemiddeld binnen drie tot vier maanden
worden vervangen, en er is een grote groep patiënten waarbij de prothese al binnen enkele
weken moet worden vervangen.
Probiotica
Onderzoekers in het UMCG kwamen een
aantal jaar geleden op het idee om het effect van dranken als karnemelk en Yakult te op de
levensduur van spraakprotheses te onderzoeken. Dat gebeurde naar aanleiding van
opmerkingen van gebruikers van de spraakbutton. Sommige patiënten gaven aan dat de
prothese langer goed bleef werken als ze bijvoorbeeld karnemelk dronken of Turkse yoghurt
aten. Onderzoek naar de werkzaamheid van dergelijke probiotica was tot dusverre alleen in
het lab gedaan. Schwandt onderzocht het effect van de drankjes bij patiënten. Zij bewijst
dat de methode echt werkt. Als patiënten dagelijks probiotica gebruiken, blijft hun
spraakprothese gemiddeld anderhalf keer zo lang goed.
Biofilm
De melkzuurbacteriën in karnemelk en
Yakult werken op twee manieren. In de eerste plaats zorgen de bacteriën voor een
verlaging van de oppervlaktespanning in de biofilm waardoor deze makkelijker afgebroken
kan worden. In de tweede plaats zorgen de bacteriën voor zogeheten competitieve adhesie:
doordat zij zich vestigen op de spraakprothese is er voor andere bacteriën, schimmels en
gisten minder plaats om te hechten en zich daar in leven te houden.
Prothese aanbrengen
Op dit moment zijn twee soorten protheses
beschikbaar: de Provox 2 en de zogeheten Groningen Spraakprothese. De Groningse prothese
heeft als voordeel dat hij langer blijft functioneren en aanmerkelijk veel goedkoper is
dan de Provox. Het nadeel is dat de prothese met een draadje door de keel geplaatst moet
worden, een voor patiënten zeer belastende methode. Schwandt onderzocht een manier om de
Groningse spraakbutton van buitenaf te plaatsen. Daarbij maakte zij bovendien gebruik van
het nieuwste model van de prothese, de zogeheten Groningen Ultra Low Resistance prothese,
een model dat gebruikers minder weerstand geeft bij het spreken.
Elektrische prikkels niet
effectief in voorstadium Alzheimer
Transcutane elektrische neurostimulatie
(TENS) heeft geen positief effect op het geheugen en het affectieve gedrag bij mensen met
milde cognitieve achteruitgang, in een voorstadium van de ziekte van Alzheimer (AD). Dat
blijkt uit het proefschrift van Marijn Luijpen. TENS is een vorm van uni-sensorische
stimulatie. Daarbij worden hersengebieden, waaronder delen die kwetsbaar zijn voor
(pathologische) veroudering, via perifere zenuwbanen gestimuleerd met elektrische prikkels
op de huid. Overigens bleek bij vergelijking met farmacologische behandelmethoden
(medicatie), dat er geen verschil in effectiviteit bestaat tussen beide behandelingen.
Eerdere TENS-studies lieten zien dat deze
niet-farmacologische behandelmethode verbetering bracht in het geheugen, het affectieve
gedrag, en het rust-activiteits ritme van patiënten die lijden aan AD. Bovendien bleek de
behandeling effectiever in een vroeg stadium van de ziekte. Op basis van deze resultaten
onderzocht Luijpen de effecten van TENS in een preklinisch stadium van AD. In dit stadium
is sprake van een milde cognitieve achteruitgang (MCI). Het doel van de studie was de
klinische manifestatie van AD te vertragen of uit te stellen en zo het autonoom
functioneren zolang mogelijk te bewaren. Luijpens placebo-gecontroleerde studie is
uitgevoerd onder een grote populatie verzorgingshuisbewoners in Amsterdam. De resultaten
bewijzen dat de TENS-behandeling geen positief effect had op het geheugen en het
affectieve gedrag bij mensen met MCI. Wat betreft het rust-activiteitsritme werd een
verbetering gevonden in een subgroep deelnemers; bij hen was dit ritme bij aanvang van de
behandeling verstoord. Naast de klinische studie heeft Luijpen een omvangrijke
meta-analyse uitgevoerd, waarin de effectiviteit van de bekendste farmacologische
therapieën (medicatie) zijn vergeleken met niet-farmacologische vormen van interventie
bij demente patiënten. Verrassend was dat de effectiviteit van farmacologische en
niet-farmacologische behandelmethoden bij demente patiënten even groot bleek.
Medicijnen aan en uit zetten met
een luidsprekertje
Medicijnen zijn vaak een schot hagel op doel. Een pilletje paracetamol onderdrukt niet
alleen de kiespijn, maar drogeert meteen het hele lichaam. En een chemokuur, gericht op
het terugdringen van tumorgroei, heeft soms ook zeer schadelijke effecten op een groot
aantal vitale lichaamsfuncties. Ir. Henny Bruinewoud heeft een methode ontwikkeld om deze
medicijnen lokaal te laten werken. Bovendien kan zij de lokale medicijnafgifte met een
afstandbediening op basis van een ultrasone geluidsbron aan en uit zetten. Het betreft
wetenschappelijk onderzoek, toepassing bij mensen zal nog zeker vijf jaar duren.
Bruinewoud verdedigt donderdag 1 december haar proefschrift aan de Technische Universiteit
Eindhoven (TU/e).
Pijnstillers en kankerremmers
Bij pijnmedicatie is het soms van groot belang om snel een zeer hoge dosis pijnstillers
voor een korte periode te kunnen activeren. Bijvoorbeeld bij pijnaanvallen bij
kankerpatiënten, of bij postoperatieve pijnscheuten in het kniegewricht. Bovendien is het
vaak belangrijk om voor een bepaalde periode een constant medicijnniveau in het lichaam
aan te houden. Op dit moment kan dat alleen maar door veelvuldig te slikken of door vaak
aan het infuus te hangen. Daarnaast kan de schade die pijnstillers of kankermedicijnen aan
het lichaam kunnen toebrengen enorm zijn. Zo kan een hoge dosis morfine als sterke
pijnstiller levensgevaarlijk zijn, en kunnen kankerremmers niet alleen tot haaruitval
leiden, maar ook tot bijvoorbeeld een flinke teruggang van het menselijk afweersysteem.
Aan-uit knop
Om aan deze problemen een oplossing te bieden heeft Bruinewoud een geheel nieuwe methode
ontwikkeld voor medicijnafgifte. Allereerst verpakt zij de medicijnen in een klein doosje.
Het doosje wordt vervolgens bij de pijnbron of tumor in het lichaam als implantaat
ingebracht. Het medicijndoosje is van een speciaal polymeermateriaal en wordt boven een
bepaalde temperatuur poreus. Hierdoor kunnen de medicijnen het lichaam in stromen en hun
werk verrichten. Een ultrasoon luidsprekertje kan, indien tegen het lichaam gedrukt, het
medicijnpakketje verwarmen en de medicijnen vrijlaten. Als het geluid uit staat, sluit het
medicijndoosje zich weer. Bruinewoud heeft hiermee een soort aan-uit knop ontwikkeld voor
een lokale medicijnafgifte in het lichaam.
Koortsaanval
Hoewel het principe is bewezen, is het nog niet getest in het menselijk lichaam. Een van
de uitdagingen die met vervolgonderzoek aangepakt worden is de overgangstemperatuur van
het polymeermateriaal waarboven het doosje poreus wordt. Deze moet in de buurt van de 43o
Celsius liggen. Niet daaronder, want dan zou bij een koortsaanval de medicijnen
vrijgelaten worden, en niet veel daarboven, want dan zou het omliggende menselijk weefsel
misschien te veel worden opgewarmd en beschadigd worden. Daarnaast moet het
temperatuurgebied waarbij het doosje van gesloten naar poreuze toestand gaat nog flink
worden ingekort. Bij haar promotieonderzoek was er nog sprake van een overgangsgebied van
wel vijftien graden, dit moet worden teruggebracht naar enkele graden maximaal.
Op basis van de onderzoeksresultaten van
Bruinewoud is al een eerste TU/e-startup opgericht. Dolphys Medical, onder leiding van
TU/e-ingenieur Dirk van Asseldonk, is nu bezig met de ontwikkeling van een eerste
medicijnafgifte systeem op basis van ultrasone geluidsbronnen. De eerste toepassing bij
mensen zal nog minstens vijf jaren op zich laten wachten. Het wetenschappelijke
vervolgonderzoek wordt uitgevoerd door de onderzoeksgroep onder leiding van prof.dr.ir.
Jos Keurentjes van de faculteit Scheikundige Technologie aan de TU/e.
Eén jaar stoppen met roken
verbetert klachten COPD patiënt
Wanneer patiënten met de longziekte COPD
stoppen met roken, krijgen zij minder luchtwegklachten, terwijl cognitieve functies als
reactiesnelheid en oog-handcoördinatie verbeteren en ook de kwaliteit van leven toeneemt.
Dat blijkt uit promotieonderzoek van Brigitte Willemse, uitgevoerd aan de afdelingen
Pathologie en Longziekten van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Voor het
onderzoek gebruikte Willemse een stoppen-met-roken programma met intensieve begeleiding,
waarmee opmerkelijk goede resultaten geboekt worden. Iets meer dan de helft van de
deelnemers is een jaar na het programma nog steeds gestopt met roken.
COPD is een verzamelnaam voor
longemfyseem en chronische obstructieve bronchitis. Bij longemfyseem vermindert de
elasticiteit van de longen, waardoor een patiënt kortademig wordt. Chronisch obstructieve
bronchitis is een vernauwing van de luchtwegen, veroorzaakt door slijmophoping en
verdikking van de luchtwegwand. Tabaksrook is de belangrijkste oorzaak van COPD: negentig
procent van de patiënten heeft gerookt of rookt nog steeds. Naar schatting twintig
procent van de rokers krijgt de ziekte.
Intensief programma
Voor haar onderzoek bestudeerde Willemse de longfunctie, luchtwegontsteking,
luchtwegovergevoeligheid, luchtwegklachten, cognitieve functies en kwaliteit van leven van
63 rokers, zowel mensen mét als zonder de ziekte COPD. De proefpersonen volgden daarna
gedurende een jaar een intensief programma om hen te helpen van het roken af te komen. De
mensen die waren gestopt werden na twee, zes en twaalf maanden opnieuw onderzocht.
Tegenstelling
Bij COPD-patiënten die stoppen met roken verminderen luchtwegklachten en de
overgevoeligheid van de luchtwegen. Hoewel de klachten afnemen, nemen bepaalde onderdelen
van de ontsteking in de luchtwegen toe, een opvallende tegenstelling. Toch is een
dergelijke toename van de ontsteking volgens de promovenda niet per se slecht. Een
ontstekingsreactie kan ook bedoeld zijn om beschadigd weefsel te herstellen en kan dus na
stoppen met roken een heel andere rol spelen dan daarvoor.
Begeleiding
Proefpersonen die meededen aan het onderzoek kregen gedurende een jaar intensieve
begeleiding bij het stoppen met roken. Het programma is gebaseerd op een 9 weken durend
stoppen-met-roken programma van de Stichting Volksgezondheid en Roken (STIVORO). Een van
de opvallende conclusies uit het onderzoek is dat een dergelijke gericht programma een
relatief hoog rendement heeft. Na één jaar was nog steeds 52 procent van de deelnemers
van de sigaretten af. Dat dit echt zo was bleek uit urinemonsters van de deelnemers, die
onderzocht werden op aanwezigheid van cotinine, een afbraakproduct van nicotine.
Mensen kregen tijdens het stoppen erg veel aandacht, dat heeft het wel makkelijker
gemaakt, denk ik. Het kan ook zijn dat de deelname aan een wetenschappelijk onderzoek voor
mensen een extra motivatie was om vol te houden, aldus Willemse.
Curriculum Vitae
Brigitte Willemse (Nijmegen, 1973) studeerde milieugezondheidskunde in Maastricht. Ze
verrichtte haar promotieonderzoek binnen het Groningen Research Institute for Asthma and
COPD (GRIAC), aan de afdelingen Pathologie en Longziekten van het UMCG. Het onderzoek is
gefinancierd door het Nederlands Astma Fonds (NAF) en de Stichting Astma Bestrijding
(SAB). Momenteel loopt Willemse co-schappen in het UMCG. IN de zomer van 2006 begint zij
met de vooropleiding interne geneeskunde voor de opleiding tot longarts.
Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Meldingsplicht gevaarlijke
producten in werking
Vanaf 1 december 2005 zijn bedrijven
verplicht gevaarlijke producten te melden. Het gaat om het melden van producten die al in
de handel zijn gebracht en waarbij sprake kan zijn van zodanige risico's voor de gebruiker
dat maatregelen nodig zijn. Bedrijven moeten in de regel melden bij de Voedsel en Waren
Autoriteit (VWA). De meldingsplicht is vastgelegd in de Warenwet. Deze verplichting is
ingevoerd als gevolg van de Europese Richtlijn Algemene Productveiligheid.
De kern van deze richtlijn is dat
bedrijven verplicht zijn om uitsluitend veilige producten te verhandelen. Dit moet
bijdragen aan een betere bescherming van de consument en een betere werking van de interne
markt. Zo wordt onder andere de informatie-uitwisseling tussen overheden van EU-lidstaten
verbeterd via het systeem van snelle informatieuitwisseling (RAPEX). Op de website van de
VWA is voor bedrijven alle relevante informatie over de gewijzigde wetgeving te vinden,
evenals een meldingsformulier en een document om te bepalen of een bedrijf meldingsplicht
heeft.
MS diffuus verspreid door brein
De schade die ontstaat aan zenuwweefsel
door de aandoening Multiple Sclerose (MS), is veel meer diffuus verspreid door de
hersenen, dan is te verwachten op basis van gewone MRI-scans. Op zulke scans zijn vaak
specifieke lokaties aan te wijzen waar het zenuwweefsel flink gedegenereerd is, maar er is
geen duidelijk verband tussen de klinische toestand van patiënten en dergelijke
beschadigingen. Door verschillende geavanceerde MRI-methoden te combineren, heeft Hugo
Vrenken nu laten zien dat in normaal uitziend zenuwweefsel wel degelijk al pathologische
processen plaatsvinden bij MS-patiënten.
Op MRI-scans van MS-patiënten is
doorgaans de kenmerkende afbraak zichtbaar van myelineschedes rondom de uitlopers van
hersencellen, en de degeneratie van deze uitlopers die daarop volgt (lesies). Op gewone
MRI-plaatjes is een duidelijk onderscheid te zien tussen deze lesies en het omliggende
weefsel. Dit betekent niet dat het omliggende weefsel gezond is, maar zenuwcellen die
weinig beschadigd zijn, of waar andere pathologische processen in plaatsvinden, zijn op
zulke plaatjes niet te zien. Vrenken gebruikte een combinatie van MRI-technieken, waarvan
de gezamenlijke data helderheid geeft over de toestand van het weefsel op moleculair
niveau. Zo kon hij aantonen dat in hersenweefsel dat normaal oogt, stoffen voorkomen en
veranderingen optreden die geassocieerd zijn met MS.
Vrenken mat drie eigenschappen.
Allereerst de zogeheten diffusie-eigenschappen van de hersenen, die lieten zien dat de
myelineschedes van de uitlopers van hersencellen beschadigd zijn. Daarnaast keek de
promovendus naar de zogeheten T1-relaxatietijd in de hersenen; daarin zijn in
MS-patiënten grote veranderingen waargenomen ten opzichte van gezonde personen, maar het
is moeilijk aan te geven welke processen hiervoor precies verantwoordelijk zijn. En
tenslotte mat Vrenken MTR, een maat voor het in tact zijn van eiwitnetwerken in de myeline
en de zenuwuitlopers. Dit liet zien dat de schade hieraan in de normaal-ogende witte
stofgebieden beperkt is. Er treden dus in de normaal-ogende gebieden bij MS allerlei
veranderingen op, maar in de witte stof lijkt de daadwerkelijke schade aan myeline en
zenuwuitlopers beperkt
Bron: VU medisch centrum
Nieuwe methode om hartfalen te
remmen
Hartfalen, waarbij het hart niet meer
voldoende bloed door het lichaam kan pompen, is een ernstige ziekte. Veel mensen krijgen
er in de loop van hun leven mee te maken als gevolg van diverse aandoeningen, zoals
bijvoorbeeld een hartinfarct. Annemarieke Loot ontdekte in een dierexperimenteel onderzoek
dat het hormoon angiotensine-(1-7) de ontwikkeling van hartfalen na een hartinfarct kan
remmen. Bovendien heeft het tijdens de ontwikkeling van hartfalen een beschermend effect
op de bloedvaten; niet alleen in het hart, maar ook in de rest van het lichaam. De
promovendus ontwikkelde bovendien een methode om in de toekomst via gentherapie het hart
zelf meer ang-(1-7) te laten aanmaken.
Ang-(1-7) heeft slechts één aminozuur
minder dan het bekende hormoon angiotensine II dat betrokken is bij het uiteindelijke
ontstaan van hartfalen. Veel van de huidige geneesmiddelen voor hart- en vaatziekten zijn
gericht op het voorkomen van de vorming van ang II en de effecten ervan. Dit zijn de
zogeheten ACE-remmers. Ang-(1-7) kan de nadelige effecten van ang II tegengaan en
ACE-remmers verhogen de hoeveelheid ang-(1-7) in het bloed.
Gentherapie zou een mogelijke oplossing
kunnen zijn voor hartfalen, maar daarvoor moet het goede DNA-materiaal op de juiste plaats
in het lichaam worden afgeleverd. Virussen zijn goede dragers van dit materiaal, omdat ze
in staat zijn celkernen binnen te dringen. Loot ontdekte dat het Semliki Forest Virus
(SFV) geschikter is dan het adenovirus. Wanneer het SFV in het hart wordt toegediend
bereikt het een groot aantal hartcellen, terwijl het andere organen zoals de lever
ongemoeid laat.
Annemarieke Loot (Arnhem, 1975) studeerde
farmacie in Groningen. Ze verrichtte haar promotieonderzoek bij de disciplinegroep
Klinische Farmacologie en de onderzoeksschool GUIDE. Het onderzoek werd gefinancieerd door
het Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland (ICIN). Momenteel is Loot werkzaam
als postdoc bij de vakgroep Kardiovaskuläre Physiologie van de J.W. Goethe Universität
in Frankfurt am Main.
Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Verpleegkundige levert minstens
even goede diabeteszorg als arts
Patiënten met diabetes type 2 (voorheen
`ouderdomsdiabetes') hebben een grote kans op complicaties en staan daarom onder
regelmatige controle. Ongeveer 850 duizend mensen in Nederland hebben diabetes en artsen
kunnen de diabeteszorg niet alleen aan. Bas Houweling ontdekte dat verpleegkundigen een
groot deel van deze diabeteszorg heel goed kunnen overnemen van artsen. De zorg blijft
kwalitatief even goed en de patiënten zijn zelfs meer tevreden. De maatregel zal een
kostenbesparing kunnen opleveren en past bovendien in het kabinetsbeleid. Minister
Hoogervorst heeft, gezien het verwachte artsentekort, taakverschuiving in de diabeteszorg
hoog op de politieke agenda gezet.
Houweling vergeleek voor zijn onderzoek
twee groepen patiënten: de ene helft werd door een arts behandeld, de andere door een
verpleegkundige. De verpleegkundigen hadden altijd de mogelijkheid om met een arts te
overleggen en konden bij het voorschrijven van geneesmiddelen gebruik maken van
protocollen, gebaseerd op de Nederlandse diabetesrichtlijnen. De promovendus onderzocht
vervolgens of de medische behandeling, kwaliteit van leven, diabetesgerelateerde klachten
en tevredenheid van patiënten ten minste gelijk zijn aan die van de door artsen geleverde
zorg. Zowel patiënten die bij de huisarts komen, als degenen die zijn doorverwezen naar
een internist blijken minstens evengoed te worden behandeld wanneer de taken zijn
overgenomen door respectievelijk een praktijkondersteuner en een diabetesverpleegkundige.
Bas Houweling (Woerden, 1971) studeerde
geneeskunde in Groningen. Hij verrichtte zijn onderzoek binnen het NCG (Noordelijk Centrum
voor Gezondheidsvraagstukken) en was daarvoor via de vakgroep Huisartsgeneeskunde
gedetacheerd op de diabetespolikliniek van de Isala Klinieken in Zwolle. Het onderzoek is
financieel mogelijk gemaakt door het Medisch Research Fonds Zwolle, de Stuurgroep
Zorgvernieuwing van de Isala Klinieken en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport. Momenteel is Houweling huisarts in opleiding bij de huisartsopleiding in Groningen.
Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Zwangerschapsmisselijkheid
mogelijk voorbode van depressie
Promotie verloskundige Hennie Wijnen
Verloskundigen zouden meer oog moeten
hebben voor angsten en depressies van zwangere vrouwen, en niet alleen moeten letten op
medische en verloskundige factoren. Dat betoogt Hennie Wijnen in haar proefschrift, waarop
ze 6 december promoveert. Verloskundigen moeten vooral alert zijn op ochtendmisselijkheid.
Vaak wordt verondersteld dat dit 'erbij hoort', maar in feite geven de vrouwen daarmee een
psychisch signaal af: ze lopen een hoog risico op depressieve en angststoornissen tijdens
de zwangerschap, wat kan leiden tot postnatale depressies.
Sinds eind jaren tachtig worden grote
groepen vrouwen uit de Kempen tijdens hun zwangerschap en na de bevalling onderzocht.
Daarbij is gekeken of er relaties zijn tussen depressies, schildklierfuncties, problemen
bij de bevalling en ontwikkeling van kinderen. Het promotieonderzoek van verloskundige
Hennie Wijnen is een vervolg op deze 'Kempen-studies'. Zij onderzocht duizend vrouwen
tijdens hun zwangerschap en kraambed; hun kinderen worden de komende tien jaar in de gaten
gehouden. Meer concreet keek Wijnen naar het welbevinden van de moeder (tijdens de
zwangerschap en het kraambed), het functioneren van de schildklier en de ontwikkeling van
het kind. Niet alleen biologische maar ook psychologische factoren bepalen het welbevinden
van de zwangere vrouw, constateert Wijnen.
Die conclusie is van groot belang voor de
zogenoemde risicoselectie. Verloskundige zorg voor zwangere vrouwen met een laag risico
wordt in Nederland hoofdzakelijk verricht door eerstelijns verloskundigen. Zij maken
bovendien een selectie van vrouwen die in de eerstelijns zorg kunnen blijven en eventueel
thuis kunnen bevallen, en vrouwen die moeten worden doorverwezen naar de tweedelijns zorg.
Voor deze selectie worden doorgaans alleen medische en verloskundige criteria gebruikt,
zoals hoge bloeddruk, (laag) gewicht van de ongeborene en zwangerschapsdiabetes. Wijnen
pleit ervoor om bij de risicoselectie ook psychologische factoren te betrekken.
Zo blijkt uit haar onderzoek dat de ernst
van misselijkheid en braken tijdens de zwangerschap voornamelijk afhangt van
psychologische factoren. Ernstige symptomen kunnen een teken zijn van psychopathologie,
wat op zijn beurt de kans op angst en depressie verhoogt. Deze laatste twee zijn niet
alleen een risico voor verloskundige, foetale en neonatale complicaties, maar ook voor een
verstoorde ontwikkeling van het kind.
Daarom is het van belang vrouwen op te sporen met hoge intensiteit van symptomen van
misselijkheid en braken. Hoewel dit 'normaal' wordt geacht, kan het toch duiden op
psychoneuroticisme. Ook dienen vrouwen met grote angsten, vooral in laatste drie maanden
van zwangerschap te worden opgespoord, evenals vrouwen met ernstige depressieve symptomen
tijdens diverse momenten in de zwangerschap. Depressie en angst kunnen volgens Wijnen
chronische aandoeningen worden en hoe eerder deze vrouwen met een hoog risico zijn
opgespoord, des te eerder kan worden begonnen met de behandeling. Het opsporen kan
eenvoudig geschieden aan de hand van vragenlijsten.
Hennie Wijnen (1950, Horst-Melderslo)
haalde in 1972 het diploma Verpleegkundige A. Drie jaar later studeerde ze aan de
Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen af als verloskundige. Ook studeerde ze enkele jaren
filosofie (Rijksuniversiteit Groningen). Sinds 1982 werkt Wijnen als eerstelijns
verloskundige in Veldhoven. Zij is vanaf 1988 betrokken geweest bij de Kempenstudies. De
resultaten van deze studies zijn door Wijnen op een aantal internationale congressen
gepresenteerd, zoals in Cambridge, Basel, Oslo en Iowa.
Bron: Universiteit van Tilburg