Moeheid
Auteur: Europees Laboratorium voor
Nutriënten, Bunnik, Nederland
Moeheid is een vage klacht die over het
algemeen onschuldig is en van voorbijgaande aard. Iedereen is wel eens moe. Moeheid kan
een zinvol signaal zijn om het rustiger aan te doen. Even wat gas terugnemen is meestal
voldoende. Moeheid wordt echter een probleem als het langer aanhoudt en maar niet over wil
gaan. In dat geval is het verstandig om naar de oorzaak te gaan zoeken. Moeheid heeft te
maken met ons energie-systeem. Wie moe is beschikt letterlijk over te weinig energie.
Problemen met de energie huishouding kunnen zeer verschillende oorzaken hebben, wat het
vaak lastig maakt om de oorzaak te achterhalen. Moeheid kan veroorzaakt worden door een
chronisch (te) hoge vraag naar energie, door onvoldoende mogelijkheden tot herstel en door
verstoringen in de productie van de energie. De oorzaak van moeheid kan relatief
duidelijke zijn, zoals een chronisch gebrek aan (nacht)rust of een chronisch te zware
lichamelijke en/of mentale belasting. Ook kunnen er duidelijk lichamelijke oorzaken zijn,
zoals een ernstige ziekte die het lichaam uitput (zoals kanker) of het niet goed
functioneren van een orgaan (bijvoorbeeld een te trage schildklier of hartkwaal). Niet
altijd is de oorzaak echter duidelijk. In die gevallen kan het zinvol zijn om na te gaan
of er (verborgen) verstoringen in het proces van de energie-produktie aanwezig zijn of dat
een (onopgemerkte/onbehandelde) chronische belastingen van het lichaam aanwezig is die
aangepakt kan worden. Laboratoriumonderzoek kan bij moeheidsklachten waarvan de oorzaak
onduidelijk is een welkom hulpmiddel zijn. In dit artikel worden mogelijke oorzaken
van lastig te achterhalen problemen met de energie-produktie beschreven. Bij elk
hoofdstukje wordt aangegeven welke maatregelen u zelf kunt nemen en welke testen u
behulpzaam kunnen zijn.
MOEHEID EN ONVOLWAARDIGE VOEDING
Onze voeding vormt de brandstof voor ons
lichaam. Iedereen is bekend met de term calorieën. Hoe meer calorieën de voeding bevat,
hoe meer brandstof iemand binnen krijgt. De meeste calorieën halen wij uit de
koolhydraten (suikers). Daarnaast wordt ook energie verkregen uit vetten en eiwitten. Wat
minder bekend is, is dat voor de omzetting van de koolhydraten, vetten en eiwitten uit
onze voeding in energie vitamines en (spoor)elementen nodig zijn. Elke stap uit de keten
van omzettingen van brandstof tot energie heeft daarbij zo zijn eigen specifieke behoefte
aan begeleidende nutriënten (co-factoren). Wanneer te weinig co-factoren aanwezig zijn,
kan - ook al is er voldoende 'brandstof' aanwezig - de energieproduktie niet goed
verlopen. Er vindt als het ware ergens een blokkade/opstopping plaats, met als mogelijk
gevolg een tekort aan energie/moeheid. Voor een goede energieproduktie, is het dus niet
alleen van belang dat voldoende calorieën genomen worden. Er moeten tevens voldoende
co-factoren (vitamines en (spoor)elementen) genomen worden. Het eten van 'lege' calorieën
(d.w.z. voedingsmiddelen/snacks die wel de 'brandstof' voor het lichaam bevatten, maar
niet de voor hun omzetting benodigde vitamines en (spoor)elementen), kan de
lichaamsvoorraad aan vitamines en (spoor)elementen uitputten en zelfs leiden tot tekorten
('ondervoeding'). Voor een goede vorming van energie zijn onder andere de volgende
voedingsstoffen van belang: Vitamine B1, B2, B3, B5, biotine, liponzuur, ijzer, co-enzym
Q10, mangaan en magnesium.
De hoeveelheid vitamines en
(spoor)elementen die iemand nodig heeft, hangt mede af van zijn levensstijl - o.a. van
hoeveel calorieën de persoon verbruikt. Daarnaast is ook de erfelijke aanleg van belang.
Net zoals de een meer aanleg heeft om aan te komen dan de ander, varieert ook de
'natuurlijke' behoefte aan bepaalde vitamines en (spoor)elementen van persoon tot persoon.
Om tekorten aan vitamines en (spoor)elementen als oorzaak van moeheid uit te sluiten kunt
u het volgende doen:
Eigen maatregelen:
" Uw voedingspatroon optimaliseren en kijken of u zich langzaam weer wat fitter gaat
voelen.
Testen:
" Vitamines in bloed: Met deze test kunnen tekorten worden opgespoord aan vitamines.
" (Spoor)elementen in bloed/haar: Met deze testen kunnen tekorten aan (spoor)
elementen opgespoord worden. Bloed geeft een meer actueel beeld en haar geeft een
gemiddelde waarde over langere tijd.
" Organische zuren in urine. Via deze test wordt bepaald of de omzetting van een
groot aantal stoffen (organische zuren) in het lichaam goed verloopt, waaronder stoffen
uit de energieproduktie (citroenzuurcyclus). Tevens wordt informatie verkregen over een
eventuele verstoring van de darmflora (zie verder voor het belang hiervan).
MOEHEID EN PROBLEMEN MET DE
OPNAME EN/OF VERTERING VAN VOEDINGSSTOFFEN
De stofwisseling begint bij de opname van
de voedingsstoffen uit het maagdarmkanaal. Om het lichaam van voldoende 'brandstof' en
begeleidende voedingsstoffen te kunnen voorzien is het belangrijk dat de voeding in het
maagdarmkanaal goed wordt verteerd en dat de voedingsstoffen vanuit maag en darmen goed
worden opgenomen. Problemen met de vertering of opname van voedingsstoffen kunnen leiden
tot tekorten, waardoor ook de energie-produktie niet optimaal kan plaatsvinden.
Verstoringen in de afbraak en opname van voedingsstoffen kunnen veroorzaakt worden door
(ernstige) darmziekten of ziekten van spijsverteringsorganen (zoals de maag, alvleesklier
of lever). In dergelijke gevallen kan het nodig zijn om samen met een arts of diëtist een
dieet vast te stellen en/of te overleggen over suppletie. De spijsvertering kan ook
verstoord zijn door minder ernstige/duidelijke aandoeningen, zoals vervuiling van de darm,
problemen met de darmperistaltiek, onvoldoende aanmaak van bepaalde spijsverteringsenzymen
(al dan niet erfelijk bepaald), verstoring van de darmflora/infectie in de darm,
voedselintoleranties of allergieën. Een aantal van deze factoren kan er bovendien toe
leiden dat de integriteit van de darmwand wordt aangetast en niet volledig verteerd
voedsel in de bloedbaan terechtkomt. Dit kan weer leiden tot allergische/overgevoeligheids
reacties die een (chronische) belasting van het lichaam geven en de nodige energie kosten.
Bepaalde ziekteverwekkende organismen kunnen ook stoffen produceren die in de bloedbaan
terechtkomen en de menselijke stofwisseling verstoren. Dit is met name het geval wanneer
zij stoffen produceren die veel lijken op stoffen uit de stofwisseling van de mens. (Zij
kunnen dan bijvoorbeeld de plek van deze stof gaan innemen, waardoor deze zijn werking
niet kan uitoefenen) Problemen met de spijsvertering maken zich meestal kenbaar door
ongemakken als winderigheid, darmkrampen, oprispingen, diarree of constipatie
(verstopping).
Eigen maatregelen:
" Wanneer u vermoedt dat u (darm)klachten heeft die samenhangen met uw voeding, zou u
via een roulatie dieet (d.w.z. het verdachte voedingsmiddel enige tijd weglaten uit de
voeding en kijken of de klachten verminderen en vervolgens weer toevoegen en kijken of de
klachten terugkomen) kunnen uittesten of dit vermoeden klopt en of het weglaten van het
desbetreffende voedingsmiddel in de loop van de tijd een verbetering van uw energieniveau
geeft.
" Vervuilde darmen kunt u reinigen via
een darmreiniging en/of een vastenkuur.
" Een vezelrijke voeding kan de
darmperistaltiek stimuleren.
" Bij problemen met de spijsvertering
zijn eiwitten relatief vaak de boosdoeners. Wanneer u een vermoeden heeft dat uw
eiwitvertering niet optimaal verloopt, zou u kunnen proberen of verminderen van de inname
en/of het nemen van kleinere porties die u goed kauwt een positief effect te zien geeft.
Testen:
" Voedingsstoffen IgG4 panel: In deze test wordt voor een groot aantal
voedingsmiddelen bepaald of hiervoor een (vertraagde) allergische reactie bestaat. De
vertraagde allergische reactie is moeilijk (zonder test) op te sporen omdat deze pas uren
tot dagen na inname van het voedingsmiddel optreedt. Deze test kan u veel moeizaam en
tijdrovend eigen speurwerk naar klachtengevende voedingsmiddelen helpen besparen.
" Casomorfine en gliadomorfine in
urine: Via deze bepalingen wordt nagegaan of er verstoringen zijn in de vertering van
respectievelijk melkproducten en gluten.
" Aminozuren test: deze test geeft
informatie over tekorten aan aminozuren (de bouwstenen van eiwitten), hun omzetting en
over de eiwitafbraak zelf. Verstoringen van de spijsvertering liggen vaak op het gebied
van de vertering van eiwitten.
" Faeces-test: Deze test analyseert de
ontlasting op een overgroei met (ziekteverwekkende) micro-organismen (bacteriën,
schimmels en gisten).
" Organische zuren in urine. Via deze
test wordt bepaald of de omzetting van een groot aantal stoffen (organische zuren) in het
lichaam goed verloopt, waaronder stoffen uit de energieproduktie (citroenzuurcyclus).
Tevens wordt informatie verkregen over een eventuele verstoring van de darmflora doordat
ook organische zuren gemeten worden die door micro-organismen worden geproduceerd..
MOEHEID EN PROBLEMEN MET DE AANVOER
VAN ZUURSTOF VOOR DE VERBRANDING
De meest gebruikelijke manier om energie
(ATP) te produceren is die via 'verbranding' met zuurstof. Ook de aanwezigheid van
voldoende zuurstof is dus van essentieel belang voor een goede energie-produktie. Zowel de
opname als het transport als de binding van zuurstof moeten hiervoor goed zijn.
Ademhalings/longproblemen en problemen van het hart-bloedvatstelsel kunnen op deze manier
moeheid veroorzaken. Het zuurstof komt via de longen in het bloed, waar het wordt
opgenomen en getransporteerd in de rode bloedcellen, die door het hart worden rondgepompt.
Bij personen met een (lichte) bloedarmoede is de zuurstofbindende capaciteit van het bloed
verminderd, wat tot moeheid kan leiden. Een bekende oorzaak van bloedarmoede is een tekort
aan ijzer, maar ook verschillende andere voedingsstoffen zijn van belang gebleken voor een
goede aanmaak en functie van de rode bloedcellen, waaronder vitamine A, vitamine B2
(riboflavine), vitamine B6, foliumzuur, vitamine B12, vitamine C, vitamine E en koper.
Daarnaast is ook voldoende aanwezigheid van anti-oxydanten (zoals vitamine E) die
de rode bloedcellen beschermen tegen beschadiging (door schadelijke vrije
(zuurstof)radikalen) van belang. Een verstoring van de aanvoer van zuurstof zou zich
kenbaar kunnen maken in een relatief snelle verzuring van de spieren (spierpijn) en een
relatief slechte lichamelijke conditie.
Eigen maatregelen:
" Zorgen voor voldoende lichaamsbeweging, waardoor de basisconditie (o.a. van hart-
en longen) goed is en de zuurstof goed wordt opgenomen en getransporteerd.
" Alle overige (voedings) maatregelen die goed zijn voor hart, longen, bloedvaten of
de algehele conditie.
" Zorgen voor voldoende inname van alle essentiële nutriënten
" Blootstelling aan schadelijke stoffen beperken.
Testen:
" Vitamines in bloed: Met deze test kunnen tekorten worden opgespoord aan vitamines
(waaronder ook anti-oxydant vitamines).
" (Spoor)elementen in bloed/haar: Met deze testen kunnen tekorten aan
(spoor)elementen opgespoord worden. Bloed geeft een meer actueel beeld en haar geeft een
gemiddelde waarde over langere tijd. Ook verschillende zware metalen kunnen bepaald
worden.
" MDA test: deze test geeft informatie over het vermogen van het lichaam om weerstand
te bieden aan de belasting met schadelijke vrije (zuurstof)radicalen waaraan het bloot
staat.
MOEHEID EN CHRONISCHE ENERGIE-
VRETENDE BELASTING VAN HET LICHAAM
Behalve bij problemen met de energie
productie kan moeheid ook veroorzaakt worden door een chronisch (te) hoge behoefte aan
energie, bijvoorbeeld als gevolg van chronische klachten. Duidelijke (chronische) ziekten
kunnen zo'n energie vretende belasting vormen, maar ook minder zichtbare aandoeningen,
zoals chronische infecties, allergieën, intoleranties, een (te) hoge belasting met
giftige stoffen, een te grote doorlaatbaarheid van de darm, chronische stress en een
(erfelijk bepaalde) niet optimale omzetting van de essentiële vetzuren/atopie met als
gevolg een verstoring van de prostaglandine synthese en een verhoogde gevoeligheid voor
ontstekingsreacties. Een atopische aanleg maakt zich o.a. kenbaar in een relatief
grote gevoeligheid voor aandoeningen als eczeem en astma in de familie.
Eigen maatregelen:
" Wanneer u vermoedt dat u klachten heeft die samenhangen met uw voeding, zou u via
roulatie dieet (d.w.z. het verdachte voedingsmiddel enige tijd weglaten uit de voeding en
kijken of de klachten verminderen en vervolgens weer toevoegen en kijken of de klachten
terugkomen) kunnen uittesten of dit vermoeden klopt. Vervolgens kunt u nagaan of het
weglaten van dergelijke voedingsmiddelen verbeteringen van uw energieniveau geeft.
" U kunt nagaan of u thuis of op uw
werk blootstaat aan een chronische belasting met gifstoffen/zware metalen en vervolgens
proberen deze blootstelling te vermijden of zoveel mogelijk te beperken. Voldoende inname
van voedingsstoffen (o.a. anti-oxydanten) kan u eventueel helpen de effecten te beperken.
" Blootstelling aan (chronische)
stress beperken/ oorzaken van stress aanpakken.
" Wanneer u vermoedt dat u een
atopische aanleg heeft, zou u kunnen proberen of preparaten die gamma-linoleenzuur
bevatten (de stof die u relatief slecht kunt aanmaken) een verbetering van het
energieniveau geeft.
" Zorgen voor een goede basisconditie.
" Zorgen voor een goede volwaardige
voeding.
Testen
" (Spoor)elementen in bloed/haar: Met deze testen kunnen behalve tekorten aan
(spoor)elementen ook enkele zware metalen bepaald worden. Bloed geeft een meer actueel
beeld en haar geeft een gemiddelde waarde over langere tijd.
" Voedingsstoffen IgG4 panel: Via deze
test wordt voor een groot aantal voedingsmiddelen bepaald of hiervoor een (vertraagde)
allergische reactie bestaat. De vertraagde allergische reactie is moeilijk (zonder test)
op te sporen omdat deze pas uren tot dagen na inname van het voedingsmiddel optreedt.
" Casomorfine en gliadomorfine in
urine: Via deze bepalingen wordt nagegaan of er verstoringen zijn in de vertering van
respectievelijk melkproducten en gluten.
" Faeces-test: Deze test analyseert de
ontlasting op een overgroei met (ziekteverwekkende) micro-organismen (bacteriën,
schimmels en gisten).
" Organische zuren in urine. Via deze
test wordt bepaald of de omzetting van een groot aantal stoffen (organische zuren) in het
lichaam goed verloopt, waaronder stoffen uit de energieproduktie (citroenzuurcyclus).
Tevens wordt informatie verkregen over een eventuele verstoring van de darmflora doordat
ook organische zuren gemeten worden die door micro-organismen worden geproduceerd..
" Darm-permeabiliteitstest: deze test
geeft informatie over de doorgankelijkheid van de darmwand.
" Essentiële vetzuren test incl.
transvetzuren: Deze test geeft informatie over (verstoringen in) de omzetting van de
vetzuren in uw lichaam.
MOEHEID EN VERSTORING VAN HET
ENERGIE REGELSYSTEMEN
Niet alle 'brandstof' die in het lichaam
binnenkomt wordt gelijk gebruikt. Gedeeltelijk wordt deze opgeslagen, zodat zij snel
beschikbaar gemaakt kan worden als zij nodig is, en er niet eerst gegeten hoeft te worden.
Belangrijke opslagplaats van glucose is de lever. Het glucose wordt in de lever opgeslagen
in de vorm van glycogeen. De levervoorraad glycogeen raakt pas uitgeput na zo'n 10 tot 18
uur vasten. 2 Belangrijke organen voor het regelen van de juiste beschikbaarheid van
de brandstof (met name het suiker glucose) zijn de pancreas of alvleesklier en de
bijnieren. De alvleesklier zorgt via de productie van insuline dat een teveel aan glucose
opgeslagen wordt. De bijnieren zorgen via de productie van adrenaline dat indien gewenst
snel weer glucose beschikbaar komt. De pancreas produceert voor dit zelfde doel glucagon.
Voor een goede werking van deze organen is de aanwezigheid van voldoende essentiële
nutriënten van belang. Voor de pancreas zijn dit o.a. de (spoor)elementen chromium, zink,
molybdenum, vanadium en vitamine B3. Voor de bijnieren zijn dit o.a. vitamine B5 en
vitamine C. Een ander orgaan waarvan een goede functie van belang is voor de
energie-produktie, is de schildklier. De schildklier bepaalt de basale snelheid van de
stofwisseling. Bij een (te) trage schildklier kan moeheid ontstaan doordat de
energieproduktie (te) traag verloopt. Voor een goede schildklierwerking zijn o.a. het
aminozuur tyrosine en de (spoor)elementen jodium, zink selenium en koper van belang.
Een signaal voor het niet goed functioneren
van het regelsysteem (alvleesklier/bijnieren en evt .ook lever) is een te hoge, te lage of
sterk fluctuerende glucose spiegel in het bloed. Dit kan zich o.a. uiten in
trillen/zwakte, zweten, hartkloppingen, snoeplust, stemmingswisselingen, hoofdpijn,
concentratie problemen, angsten en snelle geïrriteerdheid.
Een niet optimaal werkende schildklier kan
zich o.a. kenbaar maken via een of meerdere van de volgende klachten: vermoeidheid,
kouwelijkheid, lage basale lichaamstemperatuur (minder dan 36,5 C - bij vrouwen die
normaal menstrueren gemeten op de 2e of 3e dag van de menstruatie), slecht geheugen,
traagheid, haaruitval, droge huid, depressie, hoofdpijn en steeds terugkerende infecties
van sinussen/luchtwegen.
Leverproblemen kunnen zich onder andere
uiten in misselijkheid, verminderde eetlust gewichtsverlies en geelzucht.
Eigen maatregelen:
" Zorgen voor een goede volwaardige voeding die voorziet in voldoende essentiële
nutriënten
" Een (te) hoge belasting van de alvleesklier en bijnieren voorkomen door de inname
van ongeraffineerde suikers en de blootstelling aan (chronische) stress zoveel mogelijk te
beperken.
" Blootstelling aan giftige stoffen zoveel mogelijk voorkomen en niet overmatig
alcohol nemen (i.v.m belasting van de lever door deze stoffen)
Testen:
" Schildklierhormonen (T3/T4) in 24 uurs urine: Deze test geeft informatie over de
werking van de schildklier. De test is zeer geschikt om al in een vroeg stadium een te
trage schildklierwerking op te sporen.
" Biologische amines in bloed: (o.a. adrenaline)
" Bijnierstress hormonen (cortisol en DHEA) in speeksel: deze test geeft informatie
over de werking van de bijnieren.
" Klinische chemie ( leverenzymen o.a. gamma GT, alkalyse fosfatase).
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
1. Gayla J. Kirschmann. Nutrition Almanak. Fourth McGraw-Hill paperback edition, USA 1996.
2. Pamela C. Champe en Richard A. Harvey. Biochemistry. J.B. Lippincot Company,
Philadelphia, USA, 1994
3. Melvyn R. Werbach. Nutritional influences on illness. A sourcebook of clinical
research. Third Line Press. USA, 1993.
4. William Shaw. Biological treatment for autism and PDD, USA 1998
