Krachttraining bij gezonde kinderen
Categorie: Inspanningsfysiologie
1ste auteur: Martin, D.M. Keesenberg
Fysiotherapeut, Fysiotherapiewetenschapper
2de auteur: Tim, T. Takken
Inspanningsfysioloog en werkzaam in het Wilhelmina Kinderziekenhuis te Utrecht.
Corresponderende auteur: Martin, D.M.
Keesenberg
Centrum voor Fysiotherapie en Wetenschap
Herenstraat 39
2313 AE Leiden
info@corpus-sanum.nl
http://www.corpus-sanum.nl
071-8891435
DOEL: De literatuurstudie heeft als doel vast te stellen welke invloed krachttraining
heeft op de spierkracht van gezonde kinderen tussen de zes en achttien jaar en welke
risico's aan dergelijke training verbonden zijn.
MATERIAAL EN METHODE: Studies over
krachttraining bij kinderen (zes tot achttien jaar) zijn op systematische wijze verzameld
in elektronische databases. De studies zijn na selectie op in- en exclusiecriteria
opgenomen in de literatuurstudie.
RESULTATEN: In de elektronische databases
werden 265 studies gevonden, waarvan 26 studies werden meegenomen in onderhavig onderzoek.
Deze studies bezaten een beperkte bewijskracht. De studies lieten bij prepuberale kinderen
een krachtstoename tussen de 14 en 30 % zien waarschijnlijk op basis van een verbeterde
neuromusculaire activatie. Kinderen in de puberale fase lieten een grotere krachtstoename
zien tussen 15 en 50 % wat verklaard kan worden door de fysiologische aanwezigheid van
anabole hormonen. Krachttraining lijkt geen onnodige risico's op blessures en negatieve
invloed op de lengtegroei tot gevolg te hebben.
CONCLUSIE: De beschikbare literatuur laat
ondanks de tekortkomingen zien dat krachttraining bij gezonde kinderen tussen zes tot
achttien jaar een toename van de spierkracht geeft. Met preventieve maatregelen kan de
krachttraining als veilig worden beschouwd.
OBJECTIVES: Purpose of this review was to
ascertain the increase in strength and risks of strength training for healthy children
between six and eighteen years old. METHODS: Electronic databases were searched for
individual studies on strength training for children between the ages of six and eighteen
years. Prior to analysis the articles were screened for inclusion and exclusion criteria.
RESULTS: The literature search yielded 265 articles in the electronic databases of which
26 articles were included. All papers had a low or moderate level of evidence. Strength
training in prepuberal children resulted in an increase in muscle strength of 14 to 30 %
probably due to an improved neuromuscular activation. In puberal children strength
training resulted in a higher strength gain of 15 to 50 % probably because of the presence
of anabolic hormones. Strength training does not seem to adversely affect growth or
contribute to unnecessary risks for injury.
CONCLUSIONS: The available evidence
suggests that strength training can improve muscle strength in healthy children between
six and eighteen years old. The training can be considered safe for children when
preventative recommendations are followed.
Inleiding
In geïndustrialiseerde landen worden
kinderen vanwege hun toenemende inactiviteit en gebrek aan regelmatige sportbeoefening
geadviseerd frequent een sport te beoefenen om het uithoudingsvermogen en de spierkracht
te vergroten [1-3]. De toename van het activiteiten- en fitheidsniveau vormt een
belangrijk doel onder gezondheidsorganisaties in verband met de mogelijke
gezondheidsvoordelen op de lange termijn voor kinderen, zoals het verminderen van
cardiovasculaire aandoeningen en diabetes [1, 4].
Faigenbaum et al. definiëren
krachttraining als volgt: "het gebruik van progressieve weerstand om iemand zijn
bekwaamheid om kracht aan te wenden of te weerstaan tijdens dynamische bewegingen te
vergroten" [10].
In deze literatuurstudie is wegens het
verschil in hormonale status voor en na de puberteit onderscheid gemaakt tussen kinderen
in de prepuberale en kinderen in de puberale fase [9]. De veranderingen worden
onderverdeeld in de "vijf stadia van puberteit" volgens Tanner [14]. De toename
van hormonen (o.a. groeihormoon, oestrogeen en testosteron) zorgt voor verandering in de
lichaamssamenstelling, versnelling van de lengtegroei en toename van de botdichtheid en
spiermassa [9, 14, 15]. De veranderingen in de hormoonhuishouding hebben daarom invloed op
de inspannings- en functionele capaciteit en op de stofwisseling van de kinderen [9, 13,
14, 16].
De behoefte aan kennis over krachttraining
voor gezonde kinderen, naar aanleiding van de toenemende inactiviteit en gebrek aan
regelmatige sportbeoefening, staat in contrast met onduidelijkheden over de
trainingsparameters en risico's van krachttraining bij kinderen. Met kennis over de
trainingsleer en de risico's van krachttraining bij kinderen kan op verantwoorde wijze
krachttraining aan de gezonde populatie geboden worden. Behandelaars
(kinderfysiotherapeuten, kinderartsen, sportartsen, docenten lichamelijke opvoeding e.d.)
zullen hiermee mogelijk een bijdrage kunnen leveren aan de preventie van
inactiviteit-gerelateerde ziekten van deze generatie op latere leeftijd [1, 11]. De kennis
omtrent krachttraining kan ook voor fysiotherapeuten als basis dienen bij de verdere
ontwikkeling van krachttrainingsprogramma's voor kinderen met (chronische) aandoeningen.
De literatuurstudie heeft als doel vast te
stellen welke effect krachttraining heeft op de spierkracht van gezonde kinderen tussen de
zes en achttien jaar en welke potentiële nadelige effecten aan krachttraining verbonden
zijn.
Materiaal en Methode
De literatuur is gezocht in de volgende elektronische databases tot oktober 2006: MEDLINE
(vanaf 1966), EMBASE (vanaf 1980), CINAHL (Cumulative Index to Nursing and Allied Health
Literature) (vanaf 1984) en PEDro (vanaf 1981).
Bij het zoeken naar de literatuur zijn de
zoektermen "children", "adolescents" en "kids" gebruikt.
Deze zoektermen zijn in diverse samenstellingen gecombineerd met de termen:
"resistance training", "progressive resistance training",
"strength training" en "functional strength training".
Selectiecriteria
Na het vinden van de literatuur in de elektronische databases is geselecteerd op de in- en
exclusiecriteria (zie tabel 1). Daarna werden de artikelen gelezen en nogmaals beoordeeld
op de in- en exclusiecriteria. Voor inclusie (tabel 1) moest de studie betrekking hebben
op gezonde kinderen van zes tot achttien jaar. De leeftijd moest expliciet in het artikel
vermeld staan.
Tabel 1. In- en exclusiecriteria
Inclusie:
- gezonde kinderen
- leeftijd; zes tot achttien jaar oud
Exclusie:
- aanwezige aandoeningen (Cerebrale Parese, Kanker, Obesitas etc.)
- supplementen en/of steroïdengebruik
- bodybuilding, gewichtheffen en/of powerliften
- topsport |
Studies over krachttraining bij kinderen met een
aandoening als Cerebrale Parese, Kanker, syndroom van Down en Obesitas werden
geëxcludeerd voor dit onderzoek (zie tabel 1). Effectstudies waarin supplementen en/of
anabole steroïden werden gebruikt vallen buiten beschouwing van deze literatuurstudie
vanwege de potentiële interactie van deze middelen op de toename in spierkracht naast de
training. Studies over bodybuilding, gewichtheffen en powerliften werden uitgesloten van
inclusie, omdat dit andere sporten betreffen dan krachttraining [17, 19]. Tot slot werden
studies geëxcludeerd wanneer er vermeld stond dat de kinderen topsport beoefenden of de
krachttraining gebruikten ter verbetering van de prestatie van een topsport.
Er werd een sensitieve zoekopdracht uitgevoerd, waarbij alle onderzoeksdesigns werden
geïncludeerd. In de sensitieve zoekopdracht is ervoor gekozen deze studie te beperken tot
de Nederlandse en de Engelse taal.
Voor het vergroten van de interne
validiteit werden alle geïncludeerde studies beoordeeld op hun bewijskracht [41]. Het
toewijzen van het niveau van de bewijskracht werd gedaan volgens het classificatiesysteem
van de 'American Academy for Cerebral Palsy and Developmental Medicine' (AACPDM) zoals
vermeld in tabel 2 [41].
Tabel 2. Levels of evidence for studies
(AACPDM) [41]
| Level
Intervention (Group) studies I
Systematic review of randomized controlled trials (RCT's)
Large RCT's (with narrow confidence intervals; n > 100
II Smaller RCT's (with wider confidence intervals; n < 100
Systematic reviews of cohort studies
'Outcome research' (very large ecological studies)
III Cohort studies (must have concurrent control group)
Systematic reviews of case-control studies
IV Case Series
Cohort Study without concurrent control group
(e.g. with historical control group)
Case-control study
V Expert opinion
Case study or report
Bench research
Expert opinion based on theory or physiological research
Common sense/anecdotes |
Niveau I volgens het classificatiesysteem geeft de sterkste bewijskracht en levert daarmee
vrijwel definitief bewijs [41]. Er zal geen conclusie getrokken worden uit een studie
beoordeeld op niveau V volgens het classificatiesysteem [41].
Resultaten
Literatuurverzameling
In de elektronische databases werden in totaal 265 verwijzingen gevonden (zie tabel 3).
Van deze verwijzingen bleven na de eerste selectiefase op basis van de titel en het
abstract 62 artikelen over.
Tabel 3. Stroomdiagram van zoekstrategie

Bij de selectie op de titel en
de samenvatting werden artikelen geëxcludeerd in verband met voorkomende aandoeningen,
andere sportactiviteiten, overlap tussen de databases en de leeftijd van de populatie (zie
tabel 3). In de tweede selectiefase werden na het lezen van de volledige artikelen, 13
artikelen geëxcludeerd vanwege de leeftijd van de populatie, het toepassen van
gewichtheffen/powerliften (N = 13) of de aanwezigheid van aandoeningen (N = 10). Na
inclusie van 26 artikelen werd de bewijskracht beoordeeld midels het AACPDM
classificatiesysteem (zie tabel 6). De gemiddelde score van de 26 studies bedroeg 2,9
(schaal 1 - 5) wat laag te noemen is gezien de schaal van het classificatiesysteem. Geen
van de studies voldeed aan niveau I. In elf van de 26 studies (42 %) werd voldaan aan
niveau II. Studies op de niveau's III en IV werden respectievelijk zes (23 %) en negen (35
%) keer gescoord. Geen van de studies kreeg een score V waardoor alle geïncludeerde
studies inhoudelijk beoordeeld konden worden.
Prepuberale fase
Faigenbaum et al. bestudeerden het effect van 8 weken krachttraining bij 55 kinderen (21
meisjes) en vonden dat bij een trainingsfrequentie van twee maal per week een grotere
krachtstoename (1-RM* ) bereikt werd dan bij een trainingsfrequentie van één maal per
week [20]. De groep met de trainingsfrequentie van twee maal per week liet een statistisch
significant (p < 0,05) grotere krachtstoename zien dan de groep met de
trainingsfrequentie van één maal per week [20].
Faigenbaum et al. bestudeerden in een andere studie bij 11 meisjes en 32 jongens
(gemiddelde leeftijd: 8,2 jaar, range 5,2 - 11,8 jaar) het effect van trainingsintensiteit
op de toename in spierkracht. De kinderen werden verdeeld over drie groepen: de
controlegroep, de groep die trainde met een hoge intensiteit en een groep die trainde met
een lage intensiteit van de krachttraining (zie figuur 1) [21]. De twee trainingsgroepen
(hoge intensiteit en lage intensiteit) trainden voor het onderzoek acht weken lang twee
maal per week [21]. De krachttraining met lage intensiteit bleek significant (p < 0,05)
meer krachtstoename (40.9 %) tot gevolg te hebben dan de hoge intensiteit krachttraining
met 6 - 8 herhalingen (31,0 % toename) [21].
Figuur 1. Krachtstoename van trainingsprotocol van acht weken
met verschillende intensiteit [21]

In de studie van Pikosky et al. werd door
elf jongens en meisjes (8,6 ± 1,1 jaar) zes weken lang, twee maal per week met negen
krachtsoefeningen (2 sets van 15 herhalingen) getraind [4]. De spierkracht werd na zes
weken opnieuw gemeten met de 1-RM test, en zij bleek bij de 'chest press' en 'leg
extension' oefeningen met respectievelijk 10 % en 73 % te zijn toegenomen [4]. Er werden
geen significante verschillen waargenomen van het vetpercentage, het gewicht en de
vetvrije massa voor en na de zes weken krachttraining [4].
In een effectstudie met elf jongens en vier
meisjes (7 - 12 jaar) werd met een vijftal oefeningen acht weken lang twee maal per week
de spierkracht getraind [22]. De oefeningen werden uitgevoerd met twee tot drie sets en
zes herhalingen [22]. Na acht weken werd een significante (p < 0,05) toename van de
spierkracht gemeten met de 6-RM test bij de 'leg extension' (53,5 %) en de 'chest press'
(41,1 %). In de acht daarop volgende weken zonder training nam de spierkracht af
(respectievelijk 28,1 en 19,3 %) tot een vergelijkbare waarde van de controlegroep [22].
De krachttraining moet gecontinueerd worden om de effecten vast te houden bij kinderen
[22].
In een experimentele studie van Ramsay et
al. trainden 13 jongens (9 - 11 jaar) 20 weken lang drie maal per week spierkracht [24].
Uit het onderzoek blijkt een gemiddelde toename van 29 % op de gemeten spierkracht (o.a.
'bench press' en 'leg press') [24]. De toename van de spierkracht kwam gedeeltelijk
overeen met de toename van de motor unit* activiteit (MUA) [24]. Met gecomputeriseerde
tomografie (CT-scan) werd bij de prepuberale jongens geen toename van de spieromvang
geconstateerd [24].
In een gerandomiseerde effectstudie met 16 kinderen (8 jongens en 8 meisjes) bleek in de
trainingsgroep, ten opzichte van de controlegroep, een significante toename van isotone
kracht* (22,6 %), isokinetische kracht* (27,8 %) en integrated electromyographic activity
(IEMG* ) amplitude (16,8 %) [25]. De controlegroep liet geen toename zien van spierkracht
of IEMG, zodat er geconcludeerd werd dat de krachtstoename mede door spieractivatie zou
kunnen komen. De gemeten krachtstoename kwam echter niet overeen met de toename van de MUA
[25].
In een studie van Halin et al. was bij
vijftien jongens (10,5 jaar ± 0,9) en twaalf jonge mannen (21,5 jaar ± 4,5) door
EMG-metingen vastgesteld dat bij een 28 seconde durende maximale contractie meer type II
motor units ingeschakeld worden bij jonge mannen. Het uitblijven van lactaatvorming bij
jongens in de prepuberale fase kan hiermee verklaard worden [26]. Door meer aansturing van
type II motor units kan een grotere kracht ontwikkeld worden [26]. De jongens konden
minder kracht leveren dan de jonge mannen ook na correctie voor de fysiologische
dwarsdoorsnede van de spier (biceps brachii) [26].
De meest recente 'Position Statement' (2001) opgesteld door de 'American Academy of
Pediatrics' over krachttraining bij kinderen, stelde dat krachttraining dient te beginnen
met een lage intensiteit (15 herhalingen) en 1 tot 2 sets totdat een goede techniek is
aangeleerd [23].
Voor de review van Falk et al. zijn in de
databases Medline en SportDiscus 28 gerandomiseerde studies gevonden [17]. Van de 28
studies is in drie studies (N = 50) geen significante krachtstoename gemeten [17]. In deze
drie studies werd gebruik gemaakt van lage intensiteit krachtstraining toe te passen (>
15 herhalingen per set) [17]. Bij de overige 25 studies (totaal N = 635) is een
significante krachtstoename gemeten [17]. Voor de analyse waren uiteindelijk slechts 10
studies (N = 314) geïncludeerd vanwege het voldoen aan alle criteria voor de meta-analyse
[17]. In de 10 studies bleek ten opzichte van de controle groepen een significante
krachtstoename van 13,7 - 29,6 % met een gemiddelde effectgrootte (effectsize = ES) van
0,57 (SD = 0,12) [17]. De twee studies met de hoogste ES en daarmee de grootste toename
van spierkracht gebruikten beide een protocol van acht weken met een trainingsfrequentie
van twee tot drie maal per week [17].
Puberale fase/adolescenten
In het onderzoek van Blimkie et al. werd bij 36 meisjes (14 - 18 jaar) 26 weken lang drie
maal per week met dertien oefeningen en vier sets per oefening (10 - 12 herhalingen) de
spierkracht getraind (zie tabel 4) [27]. In de eerste 13 weken werd een toename van de
spierkracht gevonden van 15 - 50 % [27].
Tabel 4. Trainingsparameters [4, 20-23, 27]
| Frequentie
(per week) |
Prepuberaal |
Puberaal |
| Sets |
2-3 |
3 |
| Intensiteit
(% van 1-RM) |
60 - 70 % |
60 - 70 % |
| Herhalingen |
12 -15 |
10 - 15 |
Lillegard et al. voerden een effectstudie
uit met 91 kinderen die waren verdeeld in twee groepen te weten: prepuberaal en vroeg
puberaal [28]. Lillegard et al beschreven dat op twee van de vier testen voor de
spierkracht statistisch significant (p < 0,05) beter gescoord werd door mannen in
vergelijking met vrouwen na een krachttrainingsperiode van 12 weken [28]. De grotere
krachtstoename in de puberale fase in vergelijking met de prepuberale fase werd met name
verklaard door de aanwezigheid van anabole hormonen en ten dele door de theorie van
neuromusculaire activatie [28]. Bij kinderen in de puberale fase werd volgens de
literatuur geen relatie aangetoond tussen de musculaire hypertrofie en de toename van
kracht zoals gezien bij volwassenen [28].
In een studie uitgevoerd door Guy et al.
werd gevonden dat kinderen na de puberale fase meer toename van kracht lieten zien door
krachttraining in vergelijking met kinderen in de prepuberale fase [29]. De toename van
kracht bij de kinderen in de puberale fase ging gepaard met een toename van de spieromvang
[29].
Door Faigenbaum et al. werden aanbevelingen
gedaan over het verhogen van de intensiteit in stappen van 5 - 10 % per keer. [30]
Hass et al. beschreven in een
literatuurstudie van experimentele studies en richtlijnen dat kinderen tot 18 jaar tussen
de 20 en 40 minuten krachttraining dienen uit te voeren [1]. Volgens de studie moet de
krachttraining twee tot drie maal per week herhaald worden in een ruimte met professionele
supervisie [1].
Transfer van kracht naar sportprestatie
Lee et al. voerden een effectstudie uit naar de invloed van krachttraining en
plyometrische oefeningen* (complexe training) op de sportprestatie (spronghoogte,
basketbal gooien en sprintprestatie) [31]. In deze studie hebben 54 jongens (leeftijd 12,3
± 0,3 jaar) gedurende twaalf weken drie maal per week geïsoleerde krachttraining en
plyometrische oefeningen uitgevoerd [31]. De 40-meter sprint, basketbalgooien en
spronghoogte lieten een lage gemiddelde toename zien van de prestatie (4,4 %) die gepaard
ging met een spierkrachtstoename van 24,3 - 71,4 % afhankelijk van de spiergroep [31].
In studies van Stratton et al., Blimkie et al. en Haff et al. werden drie maal dezelfde
effectstudies aangehaald. De drie effectstudies hebben gekeken naar de invloed van
krachttraining op de sportprestatie bij kinderen [18, 32, 33]. In de effectstudies van
Ainsworth et al. (1970), Blanksby & Gregor (1981) en Nielsen et al. (1980) werd geen
omschrijving gegeven van de krachttraining [18, 32, 33]. Ainsworth et al. (1970) vonden
bij het 100 yard (91,44 meter) zwemmen geen significante toename van de zwemsnelheid bij
jongens en meisjes (7 - 17 jaar) door korte termijn isometrische krachttraining* [18, 32,
33]. De krachttraining in deze studie had ook geen significante toename van de spierkracht
tot gevolg. [18, 32, 33] Doordat de krachttraining onvoldoende krachtstoename bereikte,
kon geen uitspraak gedaan worden over de invloed van de krachttraining op de zwemsnelheid
[18, 32, 33]. In onderzoek van Blanksby & Gregor (1981) werden toename van kracht en
zwemsnelheid (100 yard) bereikt bij jongens en meisjes door krachttraining [18, 32, 33].
Nielsen et al. (1980) vonden een significante toename van zowel kracht als de verticale
sprongprestatie bij prepuberale meisjes na een korte periode van isometrische knie
extensie krachttraining [18, 32, 33]. Weltman et al. (1986) rapporteren ook een toename
van de sprongprestatie door isokinetische krachttraining van veertien weken bij
prepuberale jongens [18, 32, 33].
Veiligheid en groei
Mazur et al. beschreven in een literatuurstudie de aard en oorzaken van trauma's door
krachttraining. De schade aan de epifysairschijven door krachttraining bij kinderen lijkt
te berusten op een aantal case reports uit de jaren zeventig [34]. In de case reports zijn
schade aan de epifysairschijven van de pols en apofyse van de wervelkolom beschreven ten
gevolge van krachttraining zonder supervisie [34]. In case reports geschreven door Browne
et al. en Francobandiera et al. was sprake van gewichtheffen, powerliften en trainen met
minimale supervisie [34]. Behalve in deze case reports werden geen verdere studies
gevonden die verband toonden tussen risico's op het ontstaan van schade aan de
epifysairschrijven en krachttraining [34].
Lipp et al. stelden dat fracturen van de
apofyse voorkomen in 15 % van het totaal aantal fracturen bij pre- en puberale kinderen
[35]. Tien procent van de fracturen aan de apofyse waren daarvan sportgerelateerd
(voetbal, skieën en krachttraining) [35].
Blimkie et al. beschreven in een literatuurstudie dat krachttraining geen invloed heeft op
de lengtegroei van het kind [33]. Twee studies van Siegel et al. en Weltman et al.
beschreven de lengte van de kinderen voor en na een krachttrainingsperiode van twintig
weken [33]. Beide studies lieten na twintig weken krachttraining geen significant verschil
in lengtegroei zien ten opzichte van de controlegroep [33].
Er werden geen trauma's of ernstige
spierpijn gerapporteerd bij het uitvoeren van de 1-RM test bij 32 meisjes en 64 jongens
(9,3 ± 1,6 jaar) in onderzoek van Faigenbaum et al. [36]. In een literatuurstudie van
Naughton et al. werd geconcludeerd dat hoge intensiteit krachttraining kan leiden tot een
groter risico op microtraumata van de metafyse, het subchondrale weefsel (osteochondrosis
dissecans) en de spierpees unit [9]. Supervisie van de krachttraining is daarom
noodzakelijk in de periode van de snelste groei en ontwikkeling van het kind (zie tabel 5)
[9].
Goldberg et al. wijzen op de risico's van
microtraumata bij kinderen in de (post) puberale fase door krachttraining [19]. De
incidentie van de (micro)traumata is vooralsnog onbekend [19].
Falk et al. rapporteren in een onderzoek
een kleiner aantal blessures onder kinderen in de puberale fase tijdens krachttraining in
vergelijking met sporten als rugby, voetbal en tennis [17]. In de literatuur worden
voornamelijk blessures ten gevolge van gewichtheffen, powerliften en training zonder
supervisie gerapporteerd [17].
Tabel 5. Veiligheidsbevorderende
maatregelen ter voorkoming van blessures
- Medische
controle
- Professionele supervisie
- Warming up / Cooling down (5 10 minuten)
- Oefenen van een goede techniek
- Veilige apparatuur
- Leer jongeren de risicos van krachttraining
- Includeer buik- en rugspier versterkende oefeningen
- Voorkom competitie tijdens de krachttraining |
Faigenbaum et al. adviseerde een (sport)medische controle uit te voeren voor aanvang van
een krachttrainingprogramma bij kinderen [37]. Indien er geen gezondheidsproblemen bekend
zijn of verwacht worden is medische controle niet noodzakelijk volgens Faigenbaum et al.
[37]. De training dient gestart te worden met een warming-up en beëindigd te worden met
een cooling-down [37]. De meeste krachttrainingsapparatuur gebruikt voor volwassenen is
niet goed in te stellen voor het lichaam van het kind [37]. De begeleider/coach dient de
apparatuur aan de hand van dit criterium te selecteren op geschiktheid [37].
Holly et al. adviseerden supervisie
gedurende de krachttraining om de veiligheid van de training te kunnen garanderen [38].
Het kind moet mentaal en emotioneel voldoende ontwikkeld zijn om in de training te kunnen
participeren [38]. Holly et al. geven verder voor de kinderen als criterium: het kunnen
opvolgen van aanwijzingen en regels [38].
- Tabel 6 -
Discussie
Deze literatuurstudie is het resultaat van een systematisch uitgevoerde zoektocht naar
literatuur in medische en paramedische databases. Voor de literatuurstudie werden 26
artikelen definitief geïncludeerd. De artikelen bestonden uit effectstudies (10),
literatuurstudies (14), één position statement en één kwalitatief onderzoek. Ondanks
de lage scores voor de bewijskracht volgens het AACPDM classificatiesysteem wijzen vrijwel
alle studies op een toename van de spierkracht door krachttraining. Geen van de studies
rapporteerden ernstige bijeffecten van deze trainingsvorm, daarom kan krachttraining als
een veilige trainingsvorm worden gezien bij gezonde kinderen. Opvallend bij het scoren van
het niveau van de bewijskracht is het ontbreken van gerandomiseerde effectstudies met een
grote populatie (N > 100). Veel van de studies zijn van kleine omvang met een matige
kwaliteit.
De toename van de spierkracht bij kinderen
in de prepuberale fase komt slechts voor een deel overeen met de toename van de motor unit
activiteit en 'neuromusculaire activatie' gemeten met EMG [24-26]. Door het gedeeltelijk
overeenkomen van de neuromusculaire activatie met de spierkrachtstoename en de afwezigheid
van hormonen als testosteron blijft de krachtstoename voor kinderen in de prepuberale fase
nog voor een deel onverklaard [24-26].
Er is in de zoektocht voor deze studie
één effectstudie gevonden over krachttraining bij kinderen in de puberale fase [27]. In
deze korte termijn effectstudie bij gezonde puberale kinderen is nog geen hypertrofie van
de musculatuur vastgesteld [27]. De grotere toename van de spierkracht ten opzichte van de
prepuberale kinderen kan daarom onvoldoende verklaard worden [27]. Nog onvoldoende is
aangetoond welk effect krachttraining heeft op de sportprestaties bij gezonde kinderen
door het kleine aantal gevonden experimentele studies [18, 31-33].
Krachttraining lijkt voor kinderen in de
pre- en puberale fase veilig, indien veiligheidsmaatregelen in acht worden genomen [17,
23, 34]. De veiligheid wordt in de gevonden studies gebaseerd op de meningen van experts
en rapporten met cijfers van incidentie over sportgerelateerde fracturen en blessures.
Uit deze literatuurstudie kan niet
geconcludeerd worden dat de lengtegroei niet beïnvloed wordt, omdat de langst durende
cohortstudie twintig weken bedroeg. [33] Het lijkt aan te raden de jongeren die
krachttraining beoefenen enkele jaren te volgen om hier uitsluitsel over te kunnen geven.
Conclusie
Ondanks de beperkte bewijskracht lijkt het er op dat gezonde kinderen tussen de zes en
achttien jaar hun spierkracht kunnen verbeteren door krachttraining. Wanneer een aantal
preventieve maatregelen in acht worden genomen, kan krachttraining als een veilige
trainingsmodaliteit worden beschouwd. Na afronding van het literatuuronderzoek lijkt het
aan te raden het theoretisch construct wat betreft krachttraining bij kinderen in de
prepuberale fase verder te onderzoeken. Uit de huidige literatuur wordt tevens onvoldoende
duidelijk of bij kinderen in de puberale fase sprake is van hypertrofie en in welke mate
de lichaamssamenstelling, de sportprestaties en de functies van het dagelijkse leven bij
kinderen en jongeren positief worden beïnvloed.
Literatuurlijst
1. Hass C.J., Feigenbaum M.S., Franklin B.A., Prescription of resistance training for
healthy populations. Sports Med, 2001. 31(14): p. 953-964.
2. LeBlanc C., Bar-Or O., Healthy active living for children and youth. Paediatr Child
Health, 2002. 7(5): p. 339-345.
3. Faigenbaum A.D., Milliken L.A., Westcott W.L., Youth strength training; A guide for
fitness professionals from the American Council on Exercise. 2005.
4. Pikosky M., Faigenbaum A.D., Westcott W.L., Rodriguez N., Effects of resistance
training on protein utilization in healthy children. Med Sci Sports Exerc, 2002. 34(5): p.
820-827.
5. Yu C.C., Sung R.Y., So R.C., Lui K.C., Lau W., Lam P.K., Lau E.M., Effects of strength
training on body composition and bone mineral content in children who are obese. J
Strength Cond Res, 2005. 19(3): p. 667 - 672.
6. Pippenger W.S., Scalzitti D.A., What are the effects, if any, of lower-extremity
strength training on gait in children with cerebral palsy? Physical Therapy, 2004. 84(9):
p. 849 - 858.
7. Orenstein D.M., Hovell M.F., Mulvihill M., Keating K.K., Hofstetter C.R., Kelsey S.,
Morris K., Nixon P.A., Strength vs aerobic training in children with cystic fibrosis: a
randomized controlled trial. Chest, 2004. 126(4): p. 1204 - 1214.
8. Faigenbaum A.D., Ed D., Micheli L.J., Youth strength training; Current comment. Sports
Medicine Bulletin, 1998. 32(2): p. 28-29.
9. Naughton G., Farpour-Lambert N.J., Carlson J., Bradney M., van Praagh E., Physiological
issues surrounding the performance of adolescent athletes. Sports Med, 2000. 30(5): p.
309-325.
10. Faigenbaum A.D., Bradley D.F., Strength training for the young athlete Orthop Phys
Ther Clin North Am, 1988. 7: p. 1059-1516.
11. Payne V.G., Morrow J.R.Jr., Johnson L., Dalton S.N., Resistance training in children
and youth: a meta-analysis. Res Q Exerc Sport, 1997. 68(1): p. 80-88.
12. Taylor N.F., Dodd K.J., Damiano D.L., Progressive resistance exercise in Physical
Therapy: A summary of systematic reviews. Physical Therapy, 2005. 85(11): p. 1208-1223.
13. Rowland T.W., Children's exercise physiology, ed. Champaign. 2004, Illinois: Human
Kinetics.
14. Tanner J.M., Foetus into man. 1978: Exeter: A. Wheaton & Co. Ltd.
15. Henneman E, Olson C.B., Relations between structure and function in the design of
skeletal muscles. J Neurophysiol, 1965. 28: p. 581.
16. Koeppen B.M., Stanton B.A., Physiology. fourth edition ed. 1998.
17. Falk B., Tenenbaum G., The effectiveness of resistance training in children, in Sports
Med. 1996. p. 176-186.
18. Haff G.G., Roundtable discussion: Youth resistance training. Nat Strength & Con
Association, 2003. 25(1): p. 49-64.
19. Goldberg B., Harris S.S., Landry G.L., Risser W.L., Nelson M.A., Strength training,
weight and power lifting, and body building by children and adolescents. Pediatrics, 1990.
86(5): p. 801-803.
20. Faigenbaum A.D., Milliken L.A., Loud R.L., Burak B.T., Doherty C.L., Westcott W.L.,
Comparison of 1 and 2 days per week of strength training in children. Res Q Exerc Sport,
2002. 73(4): p. 416-424.
21. Faigenbaum A.D., Westcott W.L., LaRosa Loud R., Long C., The effects of different
resistance training protocols on muscular strength and endurance development in children.
Pediatrics, 1999. 104(1): p. 1-7.
22. Faigenbaum A.D., Westcott W.L., Micheli L.J., The effects of strength training and
detraining on children. J Strength Cond Res, 1996. 10(2): p. 109-114.
23. Washington R.L., Bernhardt D.T., Strength training by children and adolescents.
Pediatrics, 2001. 107(6): p. 1470-1472.
24. Ramsay J.A., Blimkie C.J., Smith K., Garner S., MacDougall J.D., Sale D.G., Strength
training effects in prepubescent boys. Med Sci Sports Exerc, 1990. 22(5): p. 605-614.
25. Ozmun J.C., Mikesky A.E., Surburg P.R., Neuromuscular adaptations following
prepubescent strength training. Med Sci Sports Exerc, 1994. 26(4): p. 510-514.
26. Halin R., Germain P., Bercier S., Kapitaniak B., Buttelli O., Neuromuscular response
of young boys versus men during sustained maximal contraction. Med Sci Sports Exerc, 2003.
35(6): p. 1042-1048.
27. Blimkie C.J.R., Rice S., Webber C.E., Martin J., Levy D., Gordon C.L., Effects of
resistance training on bone mineral content and density in adolescent females. Can J
Physiol Pharmacol, 1996. 74(1025-1033).
28. Lillegard W.A., Brown E.W., Wilson D.J., Henderson R., Lewis E., Efficacy of strength
training in prepubescent to early postpubescent males and females: effects of gender and
maturity. Pediatr Rehabil, 1997. 1(3): p. 147-157.
29. Guy J.A., Micheli L.J., Strength training for children and adolescents. J Am Acad
Orthop Surg, 2001. 9: p. 29-36.
30. Faigenbaum A.D., Strength training for children and adolescents. Clin Sports Med,
2000. 19(4): p. 593-619.
31. Lee I., Sleap M., Tolfrey K., The effect of a complex training and detraining
programme on selected strength and power variables in early pubertal boys. Journal of
Sports Sciences, 2006. 24(9): p. 987 - 997.
32. Stratton G., Jones M., Fox K.R., Tolfrey K., Harris J., Maffulli N., Lee M., Frostick
S.P., Bases position statement on guidelines for resistance exercise in young people. J
Sports Sci, 2004. 22(4): p. 383-390.
33. Blimkie C.J.R., Resistance training during preadolescence. Sports Med, 1993. 15(6): p.
389-407.
34. Mazur L.J., Yetman R.J., Risser W.L., Weight-training injuries. Sports Medicine, 1993.
16(1): p. 57-63.
35. Lipp E.J., Athletic physeal injury in children and adolescents. Orthop Nurs, 1998.
17(2): p. 17-22.
36. Faigenbaum A.D., Milliken L.A., Westcott W.L., Maximal Strength testing in healthy
children. J Strength Cond Res, 2003. 17(1): p. 162-166.
37. Faigenbaum A.D., Kraemer W.J., Cahill B., Youth resistance training: position
statement paper and literature review. Strength Cond, 1996. 18(6): p. 62-76.
38. Holly J.B., Glow K.M., Strength training for children and adolescents The physician
and sportsmedicine, 2003. 31(9): p. 1-9.
39. Faigenbaum A.D., Zaichkowsky L.D., Westcott W.K., The effect of a twice-a-week
strength training program on children. Pediatr Exerc Sci, 1993. 5(4): p. 339-346.
40. Faigenbaum A.D., Ed D., Youth resistance training. Research Digest, 2003. 4(3): p.
1-8.
41. Lannin N., Scheinberg A., Clark K., AACPDM systematic review of the effectiveness of
therapy for children with cerebral palsy after botulinum toxin A injections. Dev Med Child
Neurol, 2006. 48: p. 533-539
Bezoek de site van auteur: http://www.corpus-sanum.nl
|