Marburg of Ebola
Door Johan J. van Dongen
Dat er in Afrika veelvuldig epidemieën
uitbreken daar kijkt niemand meer van op, ook de Afrikanen zelf niet. Desondanks ging er
op donderdag 11 mei 1995 een schokgolf door de wereld toen de Zaïrese autoriteiten bekend
maakten, dat de grens tussen de hoofdstad Kinshasa en de regio Bandundu voor iedereen
hermetisch was afgesloten. En daarmee werd dit landsdeel tot het grootste
quarantainegebied ter wereld uitgeroepen. Het mysterieuze ebolavirus had na jaren weer
eens toegeslagen. En dit keer in de stad Kikwit. Van de 600.000 inwoners waren er op dat
moment al honderzéventig op een gruwelijke wijze bezweken aan de gevolgen van een
infectie met het ebolavirus.
Ook Masengo, een stad 120 kilometer ten westen van Kikwit, was getroffen. Daar waren drie
sterfgevallen te betreuren. De gouverneur van Kinshasa, Bernadin Mungul Diaka, was
kennelijk bevreesd dat de epidemie zich zou uitbreiden want hij verbood de zes miljoen
inwoners van de regio het gebied te verlaten, waarmee de geschiedenis zich pijnlijk
herhaalde.
Achttien jaar eerder, op 22 augustus 1967,
nam een wethouder in het Duitse Marburg ook maatregelen om een mysterieuze en uiterst
dodelijke epidemie te voorkomen. Nadat personeelsleden van de in Marburg gelegen
vaccinfabriek van Behring-Werke waren besmet geraakt met een onbekende ziekte, die
hemorragische koorts en ernstige bloedingen veroorzaakte en in korte tijd 23 slachtoffers
eiste, zat de paniek voor militaire speeltjes er goed in.
De besmettingen bleken het gevolg te zijn
van experimenten met niercellen van groene meerkatten uit Uganda bij de vervaardiging van
het poliovaccin. Athans, dat was de officiële kennisgeving. Maar plotseling, en ver weg
van donker Afrika toen de ziekte daar nog onbekend was, sloeg de ziekte ook in Frankfurt
toe om een paar weken later in het Joegoslavische Belgrado dood en verderf te zaaien onder
militair laboratorium personeel. Uiteindelijk liep het dodental op tot twééëndertig
personen. De wetenschappers waren er snel van overtuigd dat de besmettingen waren
veroorzaakt door een onbekend virus en Porton Down stelde zijn streng beveiligde militaire
laboratorium beschikbaar voor onderzoek naar de veroorzaker van de dodelijke ziekte. Daar
constateerde men, na het besmetten van cavia' s, dat het virus in staat was de inwendige
organen van deze dieren volledig te verwoesten. Toen David Simpson, een van de
onderzoekers, het weefsel en het besmette bloed van de overleden diertjes zorgvuldig onder
de electronenmicroscoop bekeek, geloofde hij zijn ogen niet.
Door de elektromagnetische lenzen zag hij
één groot gekrioel van wormpjes en slangetjes. Het laboratorium van Porton Down had een
volstrekt nieuwe virusfamilie ontdekt: de filoviridae.
De theorie die de aantasting van het
regenwoud of het toegenomen contact van de mens met apen als oorzaken aanwijst van het
opduiken van filovirussen, lijkt weinig realistisch, al is het welopvallend dat de nieuwe
filovirus familie op een merkwaardige wijze vooral de laatste twintig jaar in Afrika heeft
huisgehouden. En helaas werden daar geen militairen besmet maar de onwetende uitsluitend
zwarte bevolking en een enkele blanke verpleger of arts.
Negen jaar na het incident in het Duitse
Marburg steekt in 1976 een nagenoeg identiek filovirus vlak na elkaar de kop op in twee
plaatsen in Afrika. In de Sudanese stad Nzara werden eind juni 284 mensen geïnfecteerd,
van wie er 150 stierven. Twee maanden later, op 26 augustus, sloeg het virus toe in de
omgeving van de stad Yambuku in het noordwesten van Zaïre waar in 55 omliggende dorpen in
totaal 318 mensen werden besmet van wie er 280 stierven. Onderzoek wees uit dat een aantal
besmettingen veroorzaakt was door injecties en dat het virus nagenoeg identiek was aan het
virus dat in Marburg had toegeslagen. Het nieuwe virus werd ebola genoemd, naar de rivier
die door het gebied stroomde. Hoe het virus in injectiespuiten verzeild is geraakt is
nooit bekend gemaakt. Tenminste, niet direct.
Subsidie voor het vervaardigen van een
revolutionair biologisch wapen
In 1970 klopte het Amerikaanse Ministerie van Defensie aan bij de Senaat om fondsen los te
krijgen voor de ontwikkeling van een biologisch wapen dat het menselijk immuunsysteem zou
aantasten. Het verzoek betrof de ontwikkeling van 'synthetische biologische stoffen'. Toen
een deskundige van het Amerikaanse leger op het gebied van de biologische oorlogvoering,
dr. Donald McArthur, zei dat het binnen vijf a tien jaar mogelijk was om een nieuw
besmettelijk biologisch wapen te ontwikkelen dat in bepaalde zeer belangrijke opzichten
kon afwijken van alle bekende ziekteverwekkers, werd het verlangde bedrag van tien miljoen
dollar door de toewijzingscommissie (the Appropriations Committee) van de Senaat
toegekend. Het is niet duidelijk op grond van welke veelbelovende onderzoeksresultaten de
vertegenwoordigers van het Ministerie van Defensie de Senaat wisten te overtuigen. Zeker
is in elk geval dat de Amerikanen al jaren in Marburg en het Amerikaanse Reston bezig
waren met de vervaardiging van ebola als biologisch oorlogsvoeringproduct.
Zes jaar later brak zowel in Sudan als in
Zaïre een epidemie uit die werd veroorzaakt door een filovirus. Een nieuw en onbekend
virus dat dus al in 1967 op bescheiden schaal zijn dodelijke uitwerking in militaire
laboratoria reeds had bewezen als de Marburg ziekte of ebola, sloeg nu onverbiddelijk toe
als een nieuwe ziekte die plotseling van de laatste apen uit het regenwoud kwam.
De belangstelling vanuit het westen voor
wat er nu weer in Centraal Afrika gebeurde, was bijna ontroerend. Porton Down onderzocht
het virus dat de epidemie in Sudan had veroorzaakt, terwijl de Amerikaanse Centers for
Disease Control CDC zich concentreerde op het virus dat in Zaïre zoveel slachtoffers had
gemaakt. Tevens vertrok een Franse expeditie van het Institut Pasteur naar het zwaar
getroffen Yambuku om bloedmonsters te verzamelen waarvan de interessantste uiteindelijk
naar de Verenigde staten werden verstuurd, waar de CDC de onderzoeksgegevens verzamelde.
Tussen de epidemieën van 1976 en de
plotselinge uitbraak van ebola in Zaïre van 1995 deden zich incidenteel nog enkele ebola
besmettingen in Afrika voor. In 1977 valt een dode in een missieziekenhuis in Tandala
(Zaïre), en in 1979 was ebola even terug in Nzara, waar in een katoenfabriek 34 mensen
werden besmet. Op het moment dat publiekelijk bekend wordt dat het United States of
America Medical Research Institute of Infectious Diseases USAMRIID op zoek naar vaccins en
geneesmiddelen tegen ebola - al jaren met het virus op Filippijnse apen experimenteert,
sterft er in Nairobi (Kenya) iemand die de ebola-besmetting had opgelopen in een gebied in
Uganda waar, volgens officiële bronnen, de Behring-Werke in Marburg hun apen vandaan
haalden. Het was voor wetenschappers duidelijk dat zowel het ebola- als het Marburgvirus
afkomstig waren van Ugandese apen. Iedereen wist inmiddels dat het ebola- of Marburgvirus
een wetenschappelijk gedrocht was behalve de wetenschappers zelf.
Het werd stil totdat negen jaar later, op 4
oktober 1989, ebola werd geconstateerd in de quarantainekamer van het proefdierenverblijf
van Hazelton Research Products in het Amerikaanse Reston, waar men zojuist apen had
binnengekregen uit de Filippijnen. Toen men met deze beesten ging experimenteren,
verklaarden medewerkers aan het onderzoek dat er 'meer apen dan normaal' het loodje
legden.
Zeven weken later werd in de celkweekjes
van deze aan hemorrhagische koorts lijdende apen een filovirus aangetroffen. Daarop vroeg
USAMRIID aan de directie van Hazelton of zij enkele van deze dode en levensgevaarlijk
besmette apen aan een analyse mochten onderwerpen. Dat kon. De hoge functionarissen van
USAMRIID en Hazelton Research Products troffen elkaar op een parkeerterrein van een
benzine station halverwege de twee instituten. Daar werden de bloederige apenlichamen,
verpakt in plastic zakken, overgedragen aan een kolonel van USAMRIID. Deze nam de dieren
in ontvangst en deponeerde ze in de kofferbak van zijn auto, waarna hij ze voor sectie
meenam naar zijn instituut. Onderzoek in het streng beveiligde Fase 4-laboratorium van
USAMRIID wees uit dat de apen leden aan ebola!
Een paar dagen na deze uitwisseling op het
parkeerterrein maakte een KLM-vliegtuig vol zieke langstaartmakaken een tussenlanding op
de Nederlandse luchthaven Schiphol. Het vliegtuig was van de Filippijnen onderweg naar New
York. Na de paniek die in Amerika was uitgebroken werd men ook op de luchthaven Schiphol
erg bezorgd, want USAMRIID liet de luchthavenautoriteiten weten dat de apen die zojuist
waren geland, hoogstwaarschijnlijk besmet waren met het dodelijke ebolavirus. Daarop
wilden de luchthavenautoriteiten het rampenplan in werking stellen en direct vanuit de
Verenigde Staten CDC-medewerkers naar Amsterdam laten overvliegen, maar dat vonden de
mensen van onze Nederlandse gezondheidsdienst niet nodig. Men wilde vooral geen paniek
zaaien.
Er moest een Nederlandse hoogleraar van het
Instituut voor Tropische Geneeskunde in Rotterdam, professor Bruinsma, aan te pas komen om
iedereen ervan te overtuigen dat de aanwezigheid van deze deskundigen van belang kon zijn.
De daarop uit de Verenigde Staten overgevlogen medewerkers van de CDC vroegen zich
verbaasd af hoe het mogelijk was dat apen die gevangen waren op Mindanao en slechts kort
verbleven hadden in een Amerikaans 'exportkamp', besmet konden zijn met het ebolavirus dat
immers uit Afrika kwam.
Deze CDC-vertegenwoordigers waren blijkbaar
niet op de hoogte van het feit dat Murphy al in 1976 had aangetoond dat de besmette apen
in Marburg indertijd ook uit de Filippijnen kwamen en niet uit Uganda, zoals de officiële
lezing luidde. Bovendien wisten zij, volgens de auteur van Level 4, virus hunters van het
CDC, McCormick, dat er in Manilla een epidemiologisch trainingsprogramma werd uitgevoerd.
Het programma werd gesteund door de CDC en daarbij was de WHO vertegenwoordigd door een
militair viroloog, gespecialiseerd in hemorrhagische koortsen.
Dat er paniek uitbrak nu het gevaarlijke
virus de Verenigde Staten had bereikt in een proefdierenverblijf op een steenworp afstand
van Washington DC, valt te begrijpen, maar de centra voor de controle op ziekten hadden
toch eigenlijk moeten weten dat er in Fort Detrick door het USAMRIID al geruime tijd in
een streng beveiligd (Fase-4) laboratorium werd geëxperimenteerd met het dodelijke
ebolavirus en het daaraan verwante Marburgvirus.
Na de incidenten in Reston en op Schiphol
was het voor iedereen duidelijk dat het ebolavirus ook door de Aziatische oerwouden
rondtrok, ook al heeft men daar in de vrije natuur nooit een aap aangetroffen die drager
was van het virus, wat wel is gebeurd in Afrika. Daar deed zich enkele jaren later een
mysterieuze apensterfte voor.
Zwitserse ethologen vonden in november 1994
in het Taë National Park, een beschermd gedeelte van het Afrikaans regenwoud in
Ivoorkust, een aantal dode chimpansees met sporen van bloedingen uit ogen, neus en mond.
Aanvankelijk legde men nog geen relatie met ebola, maar toen een lid van het team, een
zekere Brigitte, tijdens sectie op een van de apen besmet raakte, werd men ongerust. Dr.
Bernard Le Guenno, hoofd van het laboratorium voor hemorrhagische koortsen van het
Institut Pasteur in Parijs, wist op 1 januari 1995 bij de inmiddels herstellende Brigitte
(zij wel) een filovirus te isoleren. Met de hulp van Torn Ksiazek, hoofd van de afdeling
speciale pathogenen van de CDC, tot 1991 luitenant-kolonel bij USAMRIID, kon hij aantonen
dat het waarschijnlijk om een nieuwe ebolavariant ging: de Ebola-Ivoorkust.
Een instituut als USAMRIID bleef natuurlijk
actief in het onderzoek naar ebola. In een van zijn publicaties, Haemorrhagic fever virus
activity in equatorial Africa: distribution and prevalence of filovirus reactive antibody
in the Central African Repuhlic, valt te lezen dat in 1993 een team onderzoekers onder
leiding van E.D. Johnson van USAMRIID naar de Centraal Afrikaanse Republiek vertrok om
belangrijk epidemiologisch onderzoek te doen. Daar werden 4.295 bloedmonsters afgenomen
van mensen in vijf verschillende ecologische gebieden, variërend van droog grasland tot
dicht regenwoud. In 21% van de onderzochte bloedmonsters trof men antistoffen tegen ebola
aan en bij 3% kwam Marburg voor.
De onderzoekers concludeerden hieruit dat
Marburg vooral op grasland voorkomt en ebola zowel op grasland als in het regenwoud. Men
nam aan dat de besmettingen waren veroorzaakt door verzwakte of kreupele ebola- en
Marburg-virussen. Dat is een uiterst interessante theorie, want verzwakte virussen treft
men ook aan in de lichamen van mensen die gevaccineerd zijn. De veronderstelling dat
USAMRIID in het kader van het ebola- en Marburg onderzoek vaccins heeft willen uittesten
op de bevolking van de Centraal Afrikaanse Republiek, lijkt hiermee nogal voor de hand
liggend.
Als twee jaar later, op die fatale 11 mei
van 1995, de laatste grote uitbraak van ebola plaatsvindt in Kikwit, zijn Amerikaanse
militaire wetenschappers er snel bij om de slachtoffers bloedmonsters af te nemen en
daaruit blijkt wel dat ze terdege van de ernst van deze ziekte op de hoogte waren. In
Kikwit vielen meer dan 170 doden. In Masengo, een stad 120 kilometer ten westen van Kikwit
vielen slechts 3 doden. Had de bevolking van Masengo een betere weerstand opgebouwd?
Het mysterieuze ebola-virus blijft nog
steeds plotseling en met onverklaarbare tussenpozen opduiken uit het oerwoud. In december
1995 werd een persoon in Liberia dodelijk getroffen en in de maanden erna stierven er
totaal 23 mensen in Gabon aan ebola. In officiële communique's worden de besmettingen
altijd toegeschreven aan apen, maar die mythe wordt in de pers veelvuldig aan de kaak
gesteld. Zo meldt de Volkskrant van 22 april 1996 dat er in de binnenlanden van Afrika wel
degelijk door militairen is geëxperimenteerd met het ebolavirus. Twee jaar eerder
vertelde de Belgische hoogleraar Guido van der Groen in een interview met Humo van 13
oktober 1994, dat ten tijde van de Koude Oorlog in Amerikaanse militaire laboratoria is
overwogen om het ebola- en het HIV-virus te ontwikkelen tot een biologisch wapen. Hij was
er kennelijk niet van op de hoogte dat men een dergelijk wapen al in 1967 in Marburg,
Frankfurt en Belgrado had ontwikkeld.
Néé, deze wetenschapper werd er pas mee geconfronteerd toen de eerste zwarte Afrikanen
het loodje legden
. En toen was Aids nog niet eens geboren
In The Lancet ontkennen de Amerikaanse
militaire onderzoeksinstituten categorisch alle aantijgingen, maar ze geven wel toe dat
bestudering van dit dodelijke virus nodig is voor het geval andere mogendheden het zouden
willen gebruiken als wapen in de strijd.
Bob Colebunders, arts-onderzoeker en
medewerker van het Antwerpse Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG), bezocht in maart
1996 een 'seminar' over ebola in de Zaïrese hoofdstad Kinshasa, een maand nadat het virus
in de jungle van Gabon had toegeslagen. Colebunders deelde de seminarbezoekers mee: ' de
slachtoffers hadden allen vlees van dezelfde aap gegeten. Het ebola kwam duidelijk van die
aap. Wetenschappers zijn nu bezig de regio waar hij leefde, grondig uit te kammen. Er zijn
in totaal veertigduizend monsters genomen. We vermoeden dat de bron een of ander tropisch
zoogdier is.'
Dat is natuurlijk maar de helft van de waarheid en dat weet Colebunders ook, want volgens
deze onderzoeker, die indertijd met anderen ebola onderzoek verrichtte in Kikwit, is de
mogelijke overdraagbaarheid van het ebolavirus via de lucht uiterst interessant voor
militairen, die in een dergelijk geval spreken van een aërosòl, de verstuiving van een
middel tot in de longblaasjes. En hij weet ook dat er al sinds mensenheugenis apen worden
verorbert die nog nooit aids of ebola hebben veroorzaakt. Enfin, los van dat laatste.
Hoewel Colebunders bevestigt dat er zowel
in de Verenigde Staten als in Rusland -wat een griezelig idee- in militaire laboratoria
uitgebreid onderzoek naar deze toepassing van het ebolavirus plaatsvindt, wijst hij elke
beschuldiging van experimenten ten behoeve van de biologische oorlogsvoering van de hand.
Overigens ontkent hij niet dat de militairen natuurlijk geïnteresseerd zijn: 'ledereen
wil het fijne weten van een potentieel dodelijk virus, al was het alleen maar omdat 'de
ander het ook in handen kan krijgen'.
Tijdens conflicten en oorlogen heeft men
een uiteenlopend arsenaal van biologische wapens geproduceerd en ook toegepast. Dat men
bovendien bij de ontwikkeling van deze wapens ook overal ter wereld proeven doet op mensen
en niet alleen op militairen maar ook op burgers, of die nu wonen in Kikwit, Londen, Four
Corners, Amsterdam, Kaapstad, Shiraz of in Seoel, maakt de onderzoekers die werkzaam zijn
voor het establishment, niets uit. En dat men tijdens deze experimenten wellicht miljoenen
Afrikanen heeft besmet, dringt kennelijk -ondanks de nagenoeg oneindige stroom
persberichten in kranten en op radio en televisie -niet bij het grote publiek door. Dat
reageert zelfs niet als de Britse Medical Association, een overkoepelend orgaan dat
nauwlettend alle medisch onderzoek volgt, in juli 1997 meedeelt dat er een grote kans
bestaat dat in de nabije toekomst 'genetische wapens' zullen worden ingezet en dat er aan
virussen wordt gewerkt die alleen specifieke bevolkingsgroepen kunnen treffen.
En ik? Hier in Nederland? Ik kan nu rustig gaan slapen, want wij hebben de Partij voor de
Dieren! En deze 'Partij' kan misschien nog eens retrospectief onderzoeken hoe dat incident
daar op het Schipholse nu zo heeft kunnen gebeuren. En we mogen nog blij zijn dat het niet
een El Al Boeing was zoals destijds in de Bijlmer
!
Als wetenschappers blijven doorgaan met een
onverantwoord uitwisselen van pathogenen tussen proefdieren, insecten en mensen, maar
vooral als ze volharden in het kunstmatig vervaardigen van die biologische en genetisch
gemanipuleerde microscopisch kleine 'moordenaars', zullen er steeds nieuwe ziekten bij
komen. Steeds ingewikkelder zullen de namen worden waarvoor ze het hele alfabet nodig
zullen hebben om ze te kunnen afkorten.
Maar dat deert die wetenschappers kennelijk
niet. Nog steeds wordt overal ter wereld driftig met genetisch materiaal gemanipuleerd om
medemensen te kunnen uitschakelen en dat kan klaarblijkelijk ongestraft want Robert R.
Kadlek, een officier van de Amerikaanse luchtmacht, schrijft in een artikel over
biologische oorlogvoering in de 21e eeuw: 'Het gebruiken van biologische wapens onder de
dekmantel van endemische of natuurlijke ziekten geeft de aanvaller de kans om te ontkennen
en geloofd te worden. Vanwege de hoge ontkenningsgraad van biologische wapens kunnen er
biologische oorlogen aan de gang zijn zonder dat het publiek het weet'.
Inmiddels weten we dat dit Marburgse virus
compleet identiek is aan het in 1976 gevonden ebolavirus in Kikwit, een klein plaatsje aan
de rivier de Ebola in het voormalig Belgisch Kongo.
Dit beruchte ebola-achtige Marburgvirus kreeg later nog meer bekendheid toen bleek dat ook
in een Russisch militair laboratorium in het voormalige Joegoslavië de ziekte was
uitgebroken. Hoe kan het zijn dat pas tien jaar na Marburg het virus, met als synoniem
ebola, duizenden kilometers verderop toeslaat in de Soedan, Malawi, Maridi en natuurlijk
rond de Ebola rivier zelf. Ja zelfs tot in Zuid-Afrika slaat het moordende gedrocht toe.
Daar werden dodelijk besmette zwarten herhaaldelijk bloed afgenomen en pas jaren later
bleek dat ook in dit bloed antilichamen tegen het ebola veroorzakende virus was gevonden.
Eenentwintig procent van alle mijnwerkers
uit Malawi, die vreemd genoeg werden geïnfecteerd toen zij onder medische hoede stonden
van de Zuid-Afrikaanse apartheidsregering, lieten het leven. Althans dat stond te lezen in
de "Chambers of Mines", een krant in Johannesburg.
De plotselinge uitbraak van het ebolavirus
bij deze zwarte mijnwerkers was zo ernstig dat uiteindelijk geen van hen ooit nog
teruggekeerd is in Malawi. Het betrof duizend arbeiders die, nadat de ebola besmetting bij
hen was geconstateerd, gedeporteerd zijn naar onherbergzame afgelegen gebieden in
Zuid-Afrika en daar mogelijk verbrand zijn of begraven liggen. Dat een dergelijk
ebolavirus in de daaropvolgende jaren zo'n snelle en dodelijke uitwerking kon hebben, was
voor menig wetenschapper in Marburg, Praag en de Amerikaanse steden Reston en Mitchigan
natuurlijk geen verrassing. Zij werkten namelijk dagelijks met dit soort monstra.
Gematigd optimisme over het ebola-vaccin
De wereldgezondheidsorganisatie heeft positief gereageerd op het bericht dat Amerikaanse
onderzoekers erin geslaagd zijn in dieren een genetisch aangemaakt vaccin tegen het
ebolavirus te ontwikkelen. Ebola, dat koortsen en dodelijke bloedingen veroorzaakt, is een
van de dodelijkste virusziektes. Vijftig tot negentig procent van de mensen die ermee
worden besmet gaan eraan dood. Onderzoekers aan de universiteit van Mitchigan kondigden
aan dat zij erin waren geslaagd een immuniteit tegen de ziekte op te wekken in muizen en
marmotten door gemodificeerd erfelijk materiaal in de spieren van de dieren te spuiten.
De directeur van de sectie nieuwe en
besmettelijke ziektes Heyman, noemde een vaccin tegen Ebola een belangrijk doel van de
Verenigde Naties op lange termijn. Hij wees erop dat het echter lang duurt vooraleer het
vaccin er zal zijn. Vooralsnog probeert de gezondheidsorganisatie erachter te komen waar
het virus zich schuilhoudt.
Volgens officiële bronnen werd de ziekte
midden jaren zeventig voor het eerst ontdekt in Zaïre. In het noordelijk gelegen dorpje
Yambuku en Kikwit kwamen dat jaar enkele honderden mensen om. In 1995 brak in Kikwit de
afschuwelijke ziekte opnieuw uit en kostte 245 mensen het leven. Recent stak ebola ook de
kop op in Gabon. De VN probeert nu in Ivoorkust, waarvan men weet dat het virus daar
aanwezig is, te achterhalen waar het zich tussentijds ophoudt. Dat kan bijvoorbeeld zijn
in apen of andere gewervelde dieren en zelfs in insecten of vleermuizen.
Over de mijnwerkers in Zuid-Afrika, de
uitbraken in het Duitse Marburg, Joegoslavië, in research laboratoria van de Russen en in
de Amerikaanse stad Reston wordt met geen woord meer gerept.Behalve dan als er weer een
ebola uitbraak is geconstateerd, dan zijn de wetenschappelijke rotzakken er als de kippen
bij om ons te vertellen dat het virus van die laatste apen uit het regenwoud komt. Ze
vergeten echter dat we al meer dan vijftig miljoen apen uit datzelfde regenwoud geplukt
hebben om er in onze laboratoria onderzoek op te doen. Onderzoek dat veelal bedoeld is ter
vervaardiging van biologische oorlogvoeringproducten als het ebolavirus.
Literatuur:
Dongen van J.J. (1997) Pleidooi voor de
aap. De waarheid achter aids en andere virusinfecties. Nog beperkt, gesigneerd, te
bestellen bij de auteur en binnenkort digitaal verkrijgbaar.
Dongen van J.J. (2002) AIDS. De grootste
misdaad in de medische geschiedenis. Binnenkort digitaal verkrijgbaar.
Dongen van J.J. et al (1990) Manual of
Microsurgery on the Laboratory Rat. Elsevier Science Publishers, Amsterdam (ISBN
0-444-81139-7)
Achtergrond auteur
Johannes Jacobus van Dongen werd geboren op
15 mei 1946 te Rotterdam. Na
het gebruikelijke voortgezette onderwijs volgde hij van 1969 tot 1973 de
opleiding Biotechniek bij de Vakgroep Experimentele Chirurgie aan de
Universiteit van Leiden, waar zijn mentor dr. H. Stol hem in 1973 zijn
diploma uitreikte. De opleiding tot 'alround' experimenteel microchirurg
ontving hij bij de Algemene Heelkunde in het Academisch Ziekenhuis en
aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. De vakgroep stond onder
leiding van prof. dr. D.L. Westbroek en de Experimentele Microchirurgie
onder leiding van dr. W.J. Kort.
Na zijn voltooide opleiding in 1976 werd
hij hoofd van de Experimentele
Microchirurgie bij de vakgroep Pathologie /Immunologie aan de
Universiteit van Maastricht onder leiding van prof. dr. P.L.M. van Breda
Vriesman waar hij duizenden hart-, nier-, lever- en totale
darmtransplantaties uitvoerde, alsmede sera vervaardigde om de
immuniteit van proefdieren te manipuleren. Van 1978 tot 1982 was hij
docent aan de Verpleegkundige Opleiding van het St. Annadal Ziekenhuis
te Maastricht, waar hij het vak Transplantatie Biologie doceerde onder
leiding van prof. dr. H. Jeekel. Van 1980 tot 1989 was hij docent,
organisator en hoofd van de 'First National and International Individual
Post Graduate Course', eerst onder leiding van prof. dr. H. Jeekel en
later respectievelijk onder leiding van prof. Dr. G. Kootstra en prof.
dr. P. Soeters van de Universiteit van Maastricht. Van 1989 tot 1993
werkte hij als Research Assistant' bij de Vakgroep Anatomie/Embryologie
en ontwikkelde hij daar mede de intra-uterine operatie, de
bottransplantatie en het driedimensionale beeld van de achterpoot van de
rat onder leiding van prof. dr. J. Drukker van de Universiteit van
Maastricht. Van 1989 tot 1997 was hij lecturer and cordinator van de
'National and International Experimental Course in Microsurgery' bij de
Vakgroep Proefdierkunde aan de Universiteit van Utrecht onder leiding
van prof. dr. L.F.M. van Zutphen.
Van 1987 tot 1993 was hij
universiteitraadsbestuurder en bekleedde hij
als fractievoorzitter en oprichter van de fractie Frontaal functies in
praktisch alle universitaire commissies waaronder de
vertrouwenscommissie. In 1990 publiceerde hij het boek 'Manual of
Microsurgery on the Laboratory Rat' bij Elsevier Science Publishers. In
1993 ontwikkelde hij de 'anastomose simulator' en verschillende nieuwe
operatietechnieken waaronder de extra corporale heterotope
harttransplantatie en de intra-abdominale heteretope harttransplantatie
met uitgang op de vena porta voorzien van een osmose minipomp. Voor zijn
vele uitvindingen en zijn handvaardigheid op het gebied van de
experimentele microchirurgie ontving hij tijdens het jaarlijks congres
voor biotechnici te Arnhem van de toenmalige Staatssecretaris van
Welzijn Volksgezondheid en Cultuur, uit handen van de Veterinaire
Hoofinspecteur drs. H. Verburg en de Voorzitter van de Commissie
Alternatieven voor Dierproeven prof. Dr. L.F.M. van Zutphen, de 'Prijs
Alternatieven voor Dierproeven'. Van 1995 tot 1997 werkte hij als
Research Assistant bij de farmaceutische afdeling van Solvay Duphar te
Weesp aan het project 'Artificial Rat' onder leiding van prof. dr. R.
Remie.
Hij gaf cursussen op het gebied van de
Experimentele Microchirurgie aan
de Universiteiten van Stuttgart, Heidelberg en Mannheim in Duitsland, de
Universiteit van Aarhuss, in Denemarken en aan de Universiteit van
Mexico City in Mexico. In 1997 voltooide en publiceerde hij zijn derde
boek 'Pleidooi voor de aap. De waarheid achter aids en andere
virusinfecties'. Sinds 2001 schrijft hij korte verhalen in het
tijdschrift 'Mens & Wetenschap'.
Naast vele (sociale) bestuurlijke functies
is hij sedert 1989 oprichter
en voorzitter van het Microchirurgisch Educatief Instituut en werkte hij
mee aan de totstandkoming van meer dan vijftig wetenschappelijke
proefschriften bij de vakgroepen immunologie, chirurgie, farmacologie,
anatomie, biochemie, microbiologie, pathologie, fysiologie en
proefdierkunde.
In 1990 was hij secretaris en oprichter van
de 'Microsurgical
Development Foundation'. Zelf, of met vele andere wetenschappelijke
auteurs, schreef hij tientallen biotechnische of wetenschappelijke
publicaties van uiteenlopende aard. Ook vervaardigde hij mede een
twaalftal onderwijs videofilms op het gebied van de experimentele
microchirurgie.